Auteursarchief: admin

Curiöse von papier geschnittene sachen I, Nieuwsbrief 1995-2

Von Uffenbach’s aantekeningen over Nederlandse papierknipkunst in 1710-1711. Deel 1

Van 1709-1711 maakte Zacharias Conrad von Uffenbach (1683-1734) met zijn jongere broer Johann Friedrich een reis door Noord-Duitsland, de Noordelijke Nederlanden en Engeland. Een verslag van die reis is te lezen in het postuum verschenen boek “Merkwürdige Reisen durch Niedersachsen, Holland und Engelland uit 1754. De Duitse reizigers ondernamen een gedegen studiereis, Zacharias was een kenner van kunst en vooral een groot boekenverzamelaar, men bezocht in de genoemde landen vele bekende personen en verzamelingen.

afb. British Museum

Von Uffenbach was al eens eerder in de Nederlanden geweest, in 1705 maakte hij een rondreis met zijn zuster en enige andere verwanten. Aantekeningen moet hij op een bijzondere manier hebben vastgelegd, hij kon schrijven op papier of in een boekje dat zich tijdens de bezoeken in zijn broek- of jaszak bevond, zodat niet al te opzichtig gegevens en bijzonderheden konden worden genoteerd. Op zijn tweede reis bezocht Zacharias vele personen, een aantal daar van hield zich bezig met de kunst van het papierknippen (Rijberg, Van den Boogaart, Koerten), anderen beschikten over een collectie papierknipsels (Vogel, Titzing). De notities van Von Uffenbach hier over geven ons een indruk over kunstenaars en knipwerk uit de eerste hand en zijn daarom zeer waardevol voor het in kaart brengen van de geschiedenis van de Nederlandse papierknip- en snijkunst.

Na een reis door het noorden van Duitsland gaat het Duitse gezelschap op 4 april 1710 via Embden naar Delfzijl. Men bezoekt Groningen, Dokkum, Leeuwarden en Franeker. In de laatste stad gaan de Von Uffenbach’s naar een koffiehuis waar ze een papierknipsel gemaakt door Roelof van Duiden, een kok of pasteibakker uit Harlingen, zien.

In het artikel “Aanteekeningen van Z.C. von Uffenbach gedurende zijn verblijf in Friesland in 1710” geschreven door Mr. J. Dirks in de Vrije Fries, deel VI van 1853 wordt dit voor val natuurlijk vermeld, maar helaas worden daarin geen nadere mededeling en gedaan over de papierknipper. Tot nu toe is het niet gelukt verder iets te weten te komen over Van Duiden zijn knipsel, voorstellend een portret van Johan Willem Friso van Nassau-Dietz (1687-1711), was vermoedelijk gemaakt uit wit papier en naar alle waarschijnlijkheid vervaardigd naar voorbeeld van een portretprent. De Friese stadhouder zou in het knipsel zijn afgebeeld ten voeten uit, met aan zijn voeten een veldslag en aan beide zijden de wapens van Friesland en Nassau en verdere decoratieve elementen. Precies zo’n portret is niet bekend, wel komt het aardig in de richting van een in prent uitgegeven portret naar een schilderij van H. Qui(t)ter.

afb. British Museum

 

Von Uffenbach schrijft dat dit knipsel veel goedkoper was dan het knipwerk dat hij eerder te Amsterdam (Koerten) en in Rotterdam (Rijberg) had kunnen bekijken, maar dat werk was wel veel beter van kwaliteit. Na deze korte, hernieuwde kennismaking met de Nederlandse knipkunst reizen Von Uffenbach en zijn gezelschap door naar ondermeer Utrecht, Amsterdam en Den Haag. Op 21 juni arriveren ze te Rotterdam, de dag erna vertrekt men naar Engeland. Op 14 november keert men terug in de Maasstad om daar verschillende bezoeken af te leggen. Op 19 november volgt een ontmoeting met Elisabeth Rijberg die Von Uffenbach ook al in 1705 had bezocht. Bij haar gaat het gezelschap “curiöse von Papier geschnittene Sachen” bekijken. Opmerkelijk is volgens Von Uffenbach het bord op/boven de deur van het huis van de knipster. De tekst op dat bord is in het Nederlands en Frans gesteld.

De Duitse reiziger gaat er in zijn verslag niet verder op in, maar de (Nederlandse) tekst staat vermeld in Gerard van Spaan’s “Beschryvinge der Stad Rotterdam” uit 1698. Die zou hebben geluid:
“Ik snijde van papier al wat het oogestreeld,
Of wat een geestig brein ons na de kunst afbeeld:
Al brult de bitze nijd met opgesparde kaken,
Mijn kunst en zal niet ligt daar door in ’t voetzand raken”.

Wie er verantwoordelijk zou zijn voor die bitse nijd wordt uit het verhaal niet duidelijk, het voetzand heeft echter wel degelijk toegeslagen. Op dit moment is er geen bewaard gebleven werk van Elisabeth Rijberg bekend, maar dat kan, net als bij Gilles van Vliet, natuurlijk nog veranderen. Het bezoek aan Rijberg moet Von Uffenbach dit keer wat zijn tegengevallen. Zij kan hem in het geheel slechts elf knipsels laten zien, waarvan hij er negen reeds in 1705 heeft kunnen bekijken.

De twee nieuwe zijn in 1709 gemaakt en stellen voor een gezicht op stad en strand van Scheveningen en een haringvangst. Het zijn, zo schrijft de kunstkenner, mooi gemaakte stukken met vele kleine menselijke figuren en fraaie schepen. Hij acht de zee- en bloemstukken van Rijberg het best van kwaliteit, vooral het kantknipwerk in de randen van de bloemenknipsels kan hij erg waarderen. Maar, Rijberg is duur, ze durft voor het minst goede stuk uit de serie nog zeshonderd gulden te vragen. En dat is, ook voor Von Uffenbach, “…vor Papier, ob es gleich noch so künstlich ausgeschnitten, gewiss gar viel Geld…”. Van de Rotterdarnse papierknipster Elisabeth Rijberg is weinig bekend. Zij woont in 1698, volgens Van Spaan, “op ’t Nieuw Oost-Indisch Huis”, dus in de buurt van het van 1695-1698 gebouwde nieuwe onderkomen van de Kamer der Oost-Indische Compagnie aan de Boompjes. In 1721 zou zij zijn overleden. Wat we weten van haar werk is afkomstig van de beschrijvingen van Von Uffenbach en Van Spaan en uit enige archiefstukken. Rijberg heeft papieren schepen, landschappen (met gebouwen), portretten en bloemstuk ken vervaardigd, onderwerpen die ook bij andere knipkunstenaars geliefd waren.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1995-2 van Stichting W. Tj. Lever.

Schimmen van Acket, Nieuwsbrief 1995-1

“Haarlem”, zo schrijft Hetty Paërl in haar boek “Schimmenspel’, ‘was wel een gezegende stad voor liefhebbers van het schimmentheater”. Ko Doncker was er werkzaam (tot 1917) en omstreeks 1920 dook daar opnieuw een speler op, Pieter van Gelder. Maar al eerder moet in de Spaarnestad een andere maker hebben rondgelopen: ene Acket. Hij maakte de schimafbeeldingen die zijn op genomen in het 31 pagina’s tellende boekje “Met de Eerste Compagnie op Mobilisatie” dat van tekst werd voorzien door J.B.S.

Dit boekje werd door ons in 1988 aangekocht op de veiling van de collectie van Levers Nederlands Museum van Knipkunst. De inhoud van het boekje moet de herinnering weergeven aan het St. Nicolaasfeest dat in 1915 op het Galgenveld bij Huisduinen is gevierd.

Het is verleidelijk om te denken dat het schimmenspel bij die gelegenheid is opgevoerd en, na gebleken succes, later is uitgegeven. Hetzelfde is gebeurd met enige spelen van Frans ter Gast. Zeker is dit niet want de tekst begint met de mededeling van J.B.S. : “Ik heb de eer u voor te stellen, niet een pas benoemd officier,/maar een serie van platen,/Die in den vorm van schimmen voor u zullen passeeren”.

Het verhaal begint met het afscheid van schimmenmaker Acket van zijn vrouw, oudste zoon en vader en moeder. De eerste compagnie van het 21e bataljon van de Landweer arriveert vervolgens te Hilversum. De staart van de groep wordt gevormd door oudere mannen van de lichting negentienzeven.

   

Het schimmenverhaal geeft daarna allerlei (komische) gebeurtenissen weer en haalt bij voorkeur opvallende compagniestypen naar voren. Na een week in Hilversum vertrekt de groep naar Brabant en komt te recht in de niet geheel frisse schuur van boer Klomp en zijn vrouw.


‘Zes dagen bij de boer, dat was zes dagen te veel,
Rrrrrt- toen was het weer: verandering van toneel!
Nu bij pastoor BEER in de Hasselt te gast.”

 

 

 

Het onderkomen met een rood dak was daar ‘-‘Erica” en er brak een tijd aan van “tirailleeren en marcheeren”. Er viel niet aan te ontkomen, de overste te paard zorgde daar wel voor.

“Ja”, verzucht de schrijver, “in Tilburg heeft de Compie wat ’n kilometers gevreten./’t Leek wel, of de menschen van loopkoorts waren bezeten.”

Ook sanitaire problemen blijven in het verhaal niet onvermeld en de verplaatsingen van de compagnie blijven doorgaan. Van Tilburg gaat men naar Hilvarenbeek, maar blijft daar slechts een week.

 

 

Er wordt alarm geblazen en het legeronderdeel rukt op naar Reusel waar men Belgen moet interneren en oog in oog komt te staan met een Duitse patrouille.

Reusel was ver van een station afgelegen, zo’n 25 kilometer. Die afstand moest worden gelopen of er kon een jan plezier worden gehuurd. In het plaatsje Vessem had men uitstekende kontakten met dikke Marie (“…Nergens in Brabant dronk men meer bier/Dan in dit Vessemsche kwartier…“). Over Oisterwijk:”…den naam slechts te noemen/Beteekent zoveel als het plaatsje te roemen…“. In het “zaaltje van MEIJS” kon prima worden gemusiceerd. Daar kwamen ook Sint en Piet opdraven die buitengewoon veel weg hadden van de compagniefiguren DE KANTER en SCHALEKAMP. Vele andere voorvallen passeren de revue, het verhaal wordt besloten met een voorzichtige vooruitblik naar de terugkeer van de Landweer naar huis en gezin.

“… Menschen, vrinden, ik wou niet veel,/Maar bij ‘t zien van dit taf’reel/Denk ik: liever nog vandaag dan morgen/was ACKET zóó zonder zorgen!/Och! ware eind’lijk toch de natie/Weer bevrijd van de mobilisatie…”. Tenslotte wordt overste WAGTENDONK bedankt (“Hij is bij eiken Landweerman/Zoo populair, als het maar kan”) voor de bewezen diensten.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1995-1 van Stichting W. Tj. Lever.

Een schimmenspel van Ko Doncker, Nieuwsbrief 1995-1

We vonden tussen een grote voorraad silhouetkaarten acht kaarten waarop figuren in silhouet staan afgebeeld met een korte begeleidende tekst.

De achterzijde van de kaarten maak te duidelijk waarom het precies ging.  Deze kaarten maakten deel uit van het door Ko Doncker vervaardigde “paedagogisch schimmenspel” met de titel ‘Rookt nooit te vroeg”.

De firma Salm uit Haarlem gaf de kaarten uit bij (schimmenspel) sigaren. In ieder kistje van 100 stuks zaten twee kaarten, in een kistje van 50 stuks één exemplaar. Het hele spel bestond uit 27 silhouetfiguren (nrs. 1-27), en er was verder een scherm (nr. 28) en een vers met handleiding (nr. 29). De maker van dit spel, Ko Doncker, was een van Nederlands bekendste schimmenschuivers. Een aardige passage over hem is te lezen in het door Otto van Tussenbroek geschreven deel “Speelgoed, marionetten, maskers en schimmenspelen” in de reeks “Toegepaste Kunsten in Nederland” (oorspr. uitgave 1925, 2e ge wijzigde druk 1979):

“KO DONCKER (1875-1917) is het geweest, die op dit gebied ten onzent als het ware school heeft gemaakt. Zijn werk sloot zich onmiddellijk bij dat der fransche meesters aan. Hij was, zooals hij zich zelf noemde volbloed schimmenschuiver. Er was eene groote opgewektheid in hem, welke echter altijd een ondergrond had van diepe melancholie:
Ik zie de schinimen van den dood
in het mistig avondrood
gloedrood
zijn de schimmen van den dood…

Zoo schreef hij eens in een brief aan een zijner vrienden en men wist eigenlijk nooit recht of hij gekheid maakte of dat het hem ernst was. Grotesk, clownesk, dat kon hij zijn in hooge mate; zijn kop en gansche uiterlijk had iets van den clown ,,in politiek” en zijn heen gaan, zoo plotseling, neervallend van zijn rijwiel door hartverlamming op den smallen Zuid-Schalkwijkerweg aan het Spaarne bij Haarlem, was eigenlijk, hoe verdrietig ook, volkomen in zijn lijn.

Daar, in Zuid-Schaikwijk had hij zijn aardige huis en zijn tuin, waarin hij zoo naar hartelust kon scharrelen, tomaten kweekte en eens een zeer makken reiger hield en waar het ten allen tijde goed was te toeven. Maar ook het verhaal van Doncker’s hoed, gevonden door een aan de jaaglijn van zijn schuitgaande schipper, die zijn versleten pet in het Spaarne wierp en met den hoed van den schiminenspeler op den kop moeizaam voortschreed, zooals dat later door een ooggetuige is gedaan, hoezeer past het volkomen in het kader van diens diepste wezen, waarin altijd weer plaats was voor den lach en den traan en waarin ook altijd het lachen en het schreien nauwer aan elkaar verwant waren dan menig een wel kon vermoeden. Hij was… een groot kind.

Aldus was het alsof hij met zijn  kartonnen poppen ,,speelde” en daarin zijn grootste geluk en ontspanning vond. De meest bekende stukken die hij gemaakt heeft en in Haarlem  en later ook in andere steden van ons land vertoonde zijn wel ,,De liefde door alle tijden”; ,,De geschiedenis der schilderkunst” en ,,De geschiedenis der kritiek.” Hij haalde alles erbij, gansch de wereidhistorie van af den eersten tot den laatsten mensch op aarde, Samson en Dalila, Jozef en Potifar; de Koningin van Saba en Koning Salomo; het beleg van Troje en den Sabijnschen maagdenroof, ja wat al niet en het was altijd weer in woord en beeld en passende muziek, een volkomen, vlot loopend en vloeiend geheel. Dat was de groote deugd! Het was alles zoo ongeposeerd en zoo echt en terwijl Doncker dan met zijn geestigen zeggingstrant de door hem gemaakte gedichten voordroeg en tegelijkertijd de voor stelling leidde, waren twee van zijn helpers bezig met de schimmen, welke zij langs het fel verlichte witte doek voortbewogen, terwijl de anderen musiceerden. Het orkest bestond in Doncker’s ,,b!oeitijd” uit piano, guitaar, viool, fluit, trom en bekkens. Alles paste als een bus. En als dan tegen hoog entrée de Haarlemsche beau-monde het smalle trapje opstommelde van het atelier, daar in het oude poortje aan de Heulstraat en de laatst binnenkomende bezoeker het kaarsje op den trap had uitgeblazen en anderen ,,in de zaal” hetzelfde ver donkerend ritueel hadden verricht, dan kon het spel beginnen en was Doncker, in het donker, in zijn element. Na hem zijn vele anderen gekomen, geen heeft hem overtroffen! Dat ligt in hoofdzaak hierin dat Doncker zelf den tekst verzorgde en aldus ontstond er een onverbrekelijk verband tusschen het te vertoonen stuk en het gedicht en de te snijden schimmen.”

In haar boek ‘ Schimmenspel en het spel met schaduwen” (1979) besteedt Hetty Paërl ruime aandacht aan het schimmenspel van Doncker. Ze schrijft: “Erg leuk is het schimmenspel op rijm dat hij voor een sigarenfabrikant maakte: Rook nooit te vroeg. Jantje van der Plas kaapt stiekem sigaren uit het kistje van zijn vader. De jongen rookt zoveel, dat hij helemaal versuft is van de nicotine en op school als domoor voor de klas staat. Eindelijk neemt de dokter hem onder handen, maar Jan kan het roken niet meer laten. En dan volgt de moraal:
Door zijn vreeselijke trek;
Leest, wat akelig gebrek
Uit het rooken voort moet vloeien,
Kleine Jan wil niet meer groeien.

Deze antireclame was nu echt een grap voor Ko Doncker. De fabrikant bezat kennelijk voldoende gevoel voor humor en verpakte het schimmenspelletje met de figuren bij zijn sigaren…“. In het boek van Paërl is ook een gereconstrueerde weergave van het volledige schimmenspel afgebeeld.

Onlangs is in het Historisch Museum Zuid-Kennemerland te Haarlem een tentoonstelling gehouden over leven en werk van Ko Doncker. Ter gelegenheid daarvan verscheen een informatief boekje waarin auteur Kees de Raadt schrijft over de schimmenactiviteiteit van Doncker maar ook over de (reclame)tekeningen en geschriften van de Haarlemse schimmenschuiver. Over “ons” schimmenspel is in deze uitgave (“Haarlemse Verkenningen nr.12) te vinden dat het ook kon worden uitgeknipt en in een album geplakt. Het spel was zo succesvol dat de fabrikant het liet vergroten tot poppen van ca. 60 cm hoog. Die poppen werden voorzien van slangetjes zodat ze konden roken. Er zijn plannen gemaakt om het spel met die poppen (contactschimmen) op te voeren, maar dit schijnt maar een keer te zijn gebeurd (maart 1917 in Groningen). De plotselinge dood van Ko Doncker heeft verdere uitvoeringen verhinderd.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1995-1 van Stichting W. Tj. Lever.

Silhouettist Ds. Johannes Hoek, Nieuwsbrief 1995-1

In het jaarboek 1992 van het Centraal Bureau voor Genealogie en het Iconografisch Bureau vonden we enige tijd geleden de vermelding van twee albums met silhouetten.

Deze profielportretten (maar liefst 93 stuks) zijn gemaakt door ds. Johannes Hoek (1813-1893). Hoek, geboren in Engelen in 1813, ontving een op leiding aan het gymnasium in Kampen. In 1830 trad hij in dienst bij de vrijwillige schutte rij en als 2e luitenant nam hij deel aan de Tiendaagse Veldtocht in 1831.

De silhouetten dateren uit de periode 1830-1839, het zijn portretten van medestrijders van de schutterij en van familieleden en kennisssen.

In een van de albums is een zelfportret van de silhouettist opgenomen. Een gegraveerd silhouet van ds. Hoek werd in 1853 door de weduwe Brabiers in Zwolle uitgegeven.

Hoek studeerde theologie in utrecht en werd na zijn studie predikant in achtereenvolgens Giethoorn, Oudeschoot en Kampen. In de laatste plaats werkte hij tot zijn emeritaat in 1890; Hoek overleed er in 1893. In het jaarboek CBG/IB werd geschreven dat de verzameling portretten als collectie Hoek was ondergebracht in het Gemeentearchief Rotterdam, maar dit is niet juist. Wel is het de bedoeling dat de albums uiteindelijk in het Rotterdamse archief terecht komen. De heer C. Hoek beheert deze en andere stukken en was zo vriendelijk ons de twee albums te laten zien. Het gaat om silhouetten die uit wit papier zijn geknipt en vervolgens met diverse kleuren verf zijn gehoogd. We konden een goede indruk van de manier van werken van Johannes Hoek krijgen omdat ook verschillende niet ingekleurde portretten en zijn schaartje bewaard zijn gebleven. We lazen verder een deel van de geschreven autobiografie van Hoek, een werkstuk dat in ongeveer 1890 is opgesteld. Hieruit bleek dat ds. Hoek aanvankelijk (omstreeks 1827) werkte met een camera obscura, maar door het zien van werk van Casparus Haanen (1778-1849) over is gegaan op het knippen van silhouetten uit wit papier. Zo leidde de eenvoudige vermelding van enige silhouetten in een jaarboek tot de ontdekking van stukken (de albums, de witte silhouetten en de schaar en de autobiografie) die erg interessant zijn in verband met de geschiedenis van de Nederlandse silhouetkunst en die bijzonder goed zouden passen in een expositie over dit onderwerp.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1995-1 van Stichting W. Tj. Lever.

Onderwijs in het silhouetteren, Nieuwsbrief 1995-1

In het museum in Schoonhoven was in een van de vitrines het boekje “Beknopt en duidelijk onderwijs in het silhouëtteeren” te bekijken. Het is een uitgave verschenen bij De Leeuw en Krap in Dordrecht, de schrijver wordt in het boekje niet genoemd. Die is echter wel bekend, deze handleiding in het silhouetteren is geschreven door Gerrit Paape (1752-1803)

Paape vermeldt zijn werk in het autobiografische geschrift “Mijne vrolijke wijsbegeerte in mijne ballingschap” dat in 1792 is verschenen bij dezelfde Dordtse uitgeverij.

Hij schrijft hierin: “…Om u, mijn waarde Vriend!, door dit boekgewurm, eens vooral, heen te helpen, zal ik hier die Werken van smaak, (en niet mijne patriottische, welken thans, (in ‘t begin van 1792) op de pers zijn, ten minsten, in de handen der Heeren Boekverkoopers zijn, laaten volgen. Onderwijs in het Silhouëtteeren…“. Over de inhoud merkt Paape op: “… In dit kleine stukje heb ik eenige weinige gevallen van een goed Vriend voor de mijnen aangenomen, om het te veraangenamen…”. De schrijver laat dus weten voor een deel uit te zijn gegaan van ervaringen van een vriend, maar kon ook terugvallen op eigen werkzaam heden op silhouetteergebied. De in beide genoemde boekjes opgenomen silhouetten zijn ongetwijfeld het werk van Paape zelf, bovendien is bekend dat hij zich al sinds 1779 met het beschilderen van waaiers en het vervaardigen van silhouetten heeft beziggehouden, nadat hij ontslagen was bij de plateelbakkerij in Delft waar hij vanaf zijn dertiende jaar had gewerkt. Dat werk, voor eigen rekening, leverde echter te weinig op om van te kunnen leven zodat hij in 1781 al weer een betaalde baan (bij de Kamer van Charitaaten in Delft) moest aanvaarden. In die functie werd hij nadrukkelijk geconfronteerd met de armoede in die tijd. Paape werd nu echt actief op patriottistisch ge bied en nam in 1785 ontslag om zich volledig te gaan wijden aan de politiek, waarbij hij aansluiting zocht bij de linkervleugel van de radicale burgerpatriotten, die invloed van de burgerij op het stads- en landsbestuur nastreefde. Het gaat te ver hier een uitvoerige levensbeschrijving van Paape te laten volgen, een zeer leesbare biografische schets is te vinden in P.J. Buijnsters’ uitgave van “Het leven en sterven van een hedendaags aristocraat” van Paape uit 1798. (Amsterdam 1985). Verder schreef C. Postma over het silhouettenboekje van Paape in het artikel ‘Silhouetteren, een vergeten kunst” (Oud Nederland IV (1950), pp.21-24), hij gaat daarin echter niet in op een, zoals in het navolgende duidelijk zal worden, zeer interessant gedeelte van dit boekje. Hoewel Paape zelf geen knipper, maar tekenaar van silhouetten was is zijn uit gave “Beknopt en duidelijk onderwijs” toch van betekenis voor de geschiedenis van de geknipte portretten en het schimmenspel. Van daar de aandacht voor dit boekje in dit speciale nieuwsbriefnummer. “Onderwijs in het silhouetteeren” telt 52 pagina’s en heeft een inleiding gevolgd door de hoofdstukken “Noodige aanmerkingen’, “Kunstbehandeling”, “Gemaklijke wijze, om de silhouëtten in een zo klein formaat te brengen als men begeert”, “Om de silhouëtten, in het klein, tot volkomenheid te brengen” en “Beweegbare silhouëtten te maaken”.

In de inleiding behandelt de auteur het ontstaan van het silhouetmaken (“Een schaduwomtrek, het zij dan van een Minnaar of een Schaap (want de geschiedenis noemt beiden)”). Hij roemt de “nuttigheid, die de Phisiönomiekunde, uit Silhouëtten of schaduwbeelden, ontleend, is, uit den bekenden arbeid van den beroemden Lavater ten overvloede waereldkundig”. Eigen ervaringen bij het aanschouwen van levensgrote siihouetten van vrienden en bekenden en de kennismaking met “een soort Optica” waarin een vriend beweegbare schaduwbeelden vertoonde van vader, moeder en vriendin worden beschreven. Van die vriend kreeg de schrijver dat merkwaardige schimmen/schaduwspel ten geschenke. Het stimuleert hem “de samenstelling deezer liefhebberij” de lezer verderop in het boekje precies uit de doeken te doen. Een silhouet kan, zo schrijft Paape, levensgroot worden uitgevoerd en daarna worden ingekleurd met zwart of gekleurde verf of inkt, maar het kan natuurlijk ook worden verkleind zodat het past in kleine lijsten, een horlogekast of een ring.

In het hoofdstukje “Noodige aanmerkingen” volgen de zeer herkenbare belevenissen van de oprechte silhouetteur die veelal de herkenbaarheid van het silhouet door de geportretteerde zelf en familie en kennissen betreffen. Ook al is een profiel, objectief gezien, zeer goed getroffen, toch zullen er altijd twijfels over de juiste weergave van het profiel worden opgeroepen. Paape noemt als oorzaak hiervoor dat niet iedere beschouwer een “tekenkundig oog” bezit en dus eigenlijk niet goed over het resultaat kan oordelen. Sterker nog, hij schrijft: “…Dikwijls heb ik lieden van jaaren aangetroffen, die zo stom en onvatbaar voor de edele tekenkunde waren, dat zij geen menschenhoofd van een Saterskop konden onderscheiden. Wanneer dezulken gelijkenis in een Silhouët vinden, is het louter toevallig, en hun oordeel doet niets af, wanneer zij, integendeel, het als niet gelijkende verwerpen…“. Ook moet de beschouwer de geportretteerde vanuit hetzelfde standpunt als de maker bekijken, alleen zo kan een profiel goed worden beoordeeld. Hoe men anders de fout in kan gaan toont Paape,aan met het volgende voorbeeld: “…Eens iemand gesilhouëtteerd hebbende, die verbaazende dikke, uitpuilende wangen had, velde een Stadspredikant er dit vonnis over: Het gelijkt er niets na; want men ziet niets van de dikke koonen…“. Mensen zien graag een goed gelijkend, maar tevens wat geflatteerd portret. Te opvallende gezichtsdelen (bv. een “wanstaltige neus in al zijn lelijkheid”) moeten bij voorkeur worden gecamoufleerd. Paape beschrijft treffend hoe een mevrouw die zo “voordelig” was geportretteerd een negatief commentaar op haar silhouet wist te voorkomen door tegen iedere bekijker van het stuk te roepen: “…Dat ben ik! Ik ben immers uitsteekend wel getroffen?…“. Maar ook de silhouettist kan foutief te werk gaan door er onvoldoende op te letten of het model te geforceerd poseert waardoor een onnatuurlijk eindresultaat ontstaat. In het hoofdstuk “Kunstbehandeling” beschrijft Gerrit Paape het aftekenen van een silhouet op de wand. Het hoofd van de geportretteerde kan daarbij worden gesteund door middel van kokers, een nogal ingewikkelde methode om stabiliteit te verkrijgen. Om te voorkomen dat men in de lach schiet bij het af tekenen van het portret kent de silhouettist een effectief trucje: “…een lelijk Silhouët te maaken, en hen zulks te vertoonen, als hun eigen beeltenis wanneer zij niet ongedwongen en stil zitten…”. Is de omtrek van het gelaat afgetekend dan knipt men het profiel uit het papier los. Vervolgens wordt dit op een ander vel papier gelegd en nagetekend. Daarna kan het worden zwart gemaakt of ingekleurd. In het hoofdstuk “Gemaklijke wijze.. .(. . .)“ spreekt de schrijver zijn voorkeur uit voor het gebruik van een camera obscura bij het verkleinen van een silhouet. “…Een werktuig, bij de kunstenaars onder den naam van Aap…“ bekend (tekenaap of pantograaf) acht hij vaak onbetrouwbaar. Paape beschrijft uitvoerig hoe de camera door de liefhebber zelf kan worden omgebouwd tot een, in zijn ogen, ideaal verkleiningsapparaat. Het verder afwerken (“tot volkomenheid brengen”) van de silhouetten wordt in het hoofdstuk erna belicht. Voor een eenvoudig zwart silhouet kan men gebruiken: “…gemeene schrijfinkt, oost-indische inkt en zwartsel…“.“.. .Zulk eene wijze om Silhouëtten te maken heeft zekerlijk een menigte genoegens, welken wij allen niet kunnen opnoemen: geen der minsten daarvan is deeze, dat men Zijne Ouders, Kinderen of andere dierbaare Naastbestaanden, Vrienden en Vriendinnen, met weinig moeite, in hunne waare gedaanten verkrijgen en bewaaren kan, -dat men ze aan anderen, bij wien zij insgelijks op hoogen prijs staan, ten geschenke kan geeven…“. Er is echter ook een maar: “…het eenvoudige behaagt niet aan allen en altoos…“. Dus het silhouet kan verder worden uitgewerkt door middel van detaillering in het kapsel en het aanbrengen van hoofddeksels. Bij het gebruik van zwartsel kan men een profiel met wit hogen om meer details aan te geven. Met oost-indische inkt ligt het anders: “…Wanneer men het Silhouët flaauw met oost-indische inkt wascht, kan men het vervolgens met kleuren opmaaken; mits zorgdraagende, om alles in het donkere te doen vallen, en vooral het gelaat niet enkel zwart te laaten…”. In het laatste hoofdstuk van Paape’s boekje wordt het maken van beweegbare silhouetten beschreven.

Voor de vertoning ervan kan een illuminatiekast worden aangeschaft of men maakt zelf “…een soort toneel van bordpapier, dat men met wit papier beplakt, en naar welgevallen beschilderd…“. In dat geheel wordt een glas voorzien van enigszins doorzichtig vloeipapier geplaatst en “…hier agter moeten nu de beweegbaare Silhouëtten ten toneele treden…“. De portretten worden gemaakt op de in het voorgaande beschreven manier, daarna worden ze van de nodige lichaamsdelen (tot het middenlijf) voorzien. “…Om dit Silhouët beweegbaar te maaken heeft men niet anders te doen, dan zelfde kunstgreep te volgen, die men bezigt in de papiere, geschilderde man netjes, welken, wanneer men aan een draadje trekt, armen en voeten, enz. beweegen. In steede echter, dat men, zo als bij deeze mannetjes geschied, een draadje gebruikt om de beweeging door te trekken te veroorzaaken, gebruikt men een breinaald, aan de eene punt haaksgewijze omgeboogen: met welk haakje men de begeerde beweeging maakt, door aan de lusjes of oogjes te trekken, die bij elk lid geplaatst moeten worden. Men begrijpt ligtelijk, dat men hals, armen, enz. bij stukken aan het Silhouët moet zetten, met een enkel draadje, en indiervoegen, dat zij zig naar onzen wil beweegen kunnen, als mede, dat al deeze draadjes en oogjes niet bedekt hoeven te zijn, zo als bij de gemelde mannetjes geschieden moet…”. Het is zo mogelijk een zeer persoonlijk getint schimmenspel te vertonen, de kijker ziet zo Tot zijn uiterste verbaazing (…) hem bekende persoonen die of reeds lang gestorven, of verre afweezig zijn. Hij ziet, wanneer de kunstenaar zijn zaaken wel verrigt, deeze perzoonen in hunne gewoone hou dingen, bedrijven, enz…“. En met deze beschrijving en een slotwoord wordt “Beknopt en duidelijk onderwijs” waardig afgesloten.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1995-1 van Stichting W. Tj. Lever.

Silhoutteer”machines”, Nieuwsbrief 1995-1

In onze verzameling bevindt zich sinds de aankoopaktie van 1988 het boekje “Der Silhuetteur”, uitgegeven in Kassel in 1853. De schrijver van het werkje is E.W. Rübling die lithograaf, silhouetteur, daguerreotypist, schilder en tekenaar moet zijn geweest. Het is een typisch midden 19de eeuwse uitgave. Met de opkomst van de fotografie rond 1840 nam de belangstelling voor het maken van onder andere profielportretten geleidelijk aan af. Toch zullen er nog lange tijd vaklieden zijn geweest die op allerlei manieren (profiel)portretten zijn blijven maken, Rübling was daar een van. Zijn boekje beschrijft een apparaat dat geschikt was als hulpmiddel bij het vervaardigen van silhouetten: de camera obscura.

Met behulp van deze camera en speciaal bewerkt papier konden portretten gemakkelijk in het klein worden afgetekend, een verkleiningsapparaat hoefde niet te worden gebruikt. Dat niet iedere silhouettist met het apparaat goed uit de voeten kon blijkt wel uit het verhaal van Johannes Hoek, elders in dit nummer. Hij werkte eerst met een camera maar besloot later over te gaan op het vrij uit de hand knippen van silhouetten uit wit papier. “Der Silhuetteur” van Rübling staat aan het einde van een lange rij apparaten die vanaf het einde van de 18de eeuw zijn ontwikkeld om het (machinaal) vervaardigen van silhouetten mogelijk te maken. Aan het begin staat de silhouetteerstoel, toegeschreven aan Lavater maar al eerder in een publicatie vermeld, waarmee een profiel op ware grootte kon worden afgetekend.

Zo’n profiel kon met een pantograaf of tekenaap worden verkleind en verder worden ingetekend, ingekleurd of uitgeknipt. Vooral in Engeland is veel geëxperimenteerd met deze en nog veel ingewikkelder apparaten, zoals de ‘Limomachia” van Raphaël Pinion

of de profielmachine van C. Schmalcalder.

Beschrijvingen van vele van die apparaten zijn te vinden in “Silhouettes, A History and Dictionary of Artists” van E. Neville-Jackson (1938,1981) en “British Silhouette Artists and their work 1760-1860” van S. McKechnie (1978). Ook Nederland werd door kunstenaars voor zien van profielapparaten bezocht. Zo meldt de Rotterdamsche Courant van 7 juni 1814: “. . . De Kunstteekenaar Stubbs heeft de Eer het Rotterdamsch Publyk kennis te geven, dat hij uit Engeland gearriveerd is met een nieuwe geïnventeerde Silhouetteermachine, allergeschikts om de Gelykenis in Profiel op de naauwkeurigste wijze te treffen, zelfs in het kleinst Formaat, om in Ringen geplaatst te worden. Een groot aantal Proeven en Voorbeelden zijn daarvan voorhanden, en ter bezichtiging in deszelfs apartementen ten huize van den heer Michel, bij de Beurs, alwaar hij daaglijks van 10 uren ‘s morgens tot 5 uren ‘s avonds te spreken is. De wijze, waarop deze Machine is samengesteld en werkt, stelt den voormelden Teekenaar in staat, om de Profiels op eene zoo naauwkeurige en elegante wijze te vervaardigen, als te voren hier te Lande nooit bekend geweest, en daarbij tevens voor zoo matige prijzen, dat hij niet twijfelt of een en ander zal zijnen kunstarbeid recommanderen. Yder Profiel kost van drie tot vijf Guldens en tien stuivers. De tijd die men behoeft te zitten, is niet meer dan eene minuut…”.

Deze advertentie geeft erg goed weer hoe het silhouetteren werd gepropageerd. De profielmachine was immer nieuw geïnventeerd en wat hij kon was nog nooit vertoond. Men behoefde slechts korte tijd te poseren en het uiteindelijke resultaat, het profielportret, was altijd schappelijk in prijs.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1995-1 van Stichting W. Tj. Lever.

Vier achttiende-eeuwse knipkunstkabinetten IV, Nieuwsbrief 1994-4

Portretgravure J. Koerten door J.Houbraken en het titelblad catalogus Testas/de Leth, ca.1744

Joanna Koerten (1650-1715)

In 1735 brengt Pieter de la Rue (1695-1770) een bezoek aan het kabinet van papieren snijkunst van Joanna Koerten in Amsterdam. Hij schrijft daarover: “Ruim zozeer bezienswaardig is de alomvermaarde Papiere Snykunst, en daaruit ontsprooten heerlyk Stamboek der beroemde juffrouwe Johanna Koerten, eerste huisvrouwe van Adriaan Blok, by wiens laatste huisvrouw, en (1735) woonagtig in d’ utrechtse straat, dat beide nog te zien is.

          

De snykonst hangt in eene Kamer byeen, en bestaat in plat en opwerk Het opwerk hebbe ik veel fraaier te Rotterdam gezien, dog het platwerk is zeer fraai niet alleen, maar zoo het waarlyk met eene schaare gesneeden is, verwonderlyk kunstig. Het vertoont zig als net geschaduwd printwerk en bestaat de schaduw alleen in zeer fyne sneedjes of knipjes, zooals men mids die stukken tusschen twee spiegelglazen hangen, tegen het doorspeelend ligt, zien kan. De voornaamste dier nog overig zynde kunststukken zyn (hangende als schilderytjes van verscheidene grootte in zwarte lystten) Twee zeer uitvoerige landgezichten Het Ygezigt naar eene Schildery van Stork [en] Een keurlyk bloemstuk met een’ afhangenden spinnekop. Voorts de Portraiten van Czaar Peter, Koning Willem III, prof Plancius Balth.Bekker, in zyne studeerkamer, zeer uitvoerig. Galenus Abrahamsen met een Grieksch testament en de Raadspens. J. de Witt dog dit is wat geschonden. Haar zoogenaamd Stamboek zal, als ‘t met alle zyne fraaijigheden saamgebonden is (zooals ‘t voorneemen van A. Blok was, en nu nog van zyne weduwe schynt te weezen) naar gissing uitmaaken drie groote folianten. Het bestaat uit origineele handschriften van hooge persoonalien [ keizeren, koningen, prinsen, graaven [,] edelen [,] enz. 2. uit gedigten van meer en min beroemde digteren met eigene hand geschreeven. 3 uit zeer heerlyke zinnebeelden, gezigten, portraiten en bloemstuk ken zoo getekend als in water- en olyvervye geschilderd, door de voornaamste kunstenaars en kunstenaaressen. 4 en eindelyk uit d’ allerkeurlykste staaltjes van schryfkunste door Gadelle, Krama, enz. s’ anderdaags zond ik aan de Bezitster ook eene geschreeven Rym, slaande op al dat fraai. ‘t staat onder myne gedigten.”

De la Rue geeft in zijn beschrijving dus aan dat er bij zijn bezoek sprake was van een verzameling papierknipkunst gemaakt door Joanna Koerten en afzonderlijk daarvan het Stamboek dat heeft bestaan uit handschriften, lofdichten, tekeningen, aquarellen en kalligrafische bladen.

catalogus Testas/de Leth

Een onderscheid dat ook is te vinden in de catalogus die omstreeks 1750 is opgemaakt door makelaar Hendrik de Leth voor Pieter Testas de Jonge die het kabinet van papieren snijkunst en het stamboek van Koerten bezat en dat wilde verkopen. Van diverse tekeningen die hebben behoord tot het Stamboek is de verblijfplaats in middels bekend. Vele lofdichten en gekalligrafeerde bladen bevinden zich in de bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam en een particuliere collectie in de hoofdstad. In diezelfde particuliere verzameling zijn ook enige kleine knipsels aanwezig die door Koerten kunnen zijn gemaakt.

graftombe J. Koerten met allegorische figuren; tekening L.F. Dubourg, 1723

Apotheose van J. Koerten; tekening door M. Terwesten, 1723

de Amstel en het IJ bij de graftombe van Koerten; tekening door L.F.Dubourg, 1722

Joanna Koerten, in 1691 gehuwd met de doopsgezinde lakenhandelaar Adriaan Blok, was in haar tijd en nog lang erna een papierknipster die een grote bekendheid genoot. Bezoekers aan de stad Amsterdam, aanzienlijke figuren en kunstliefhebbers bezochten haar atelier om het knipwerk te bewonderen en vereerden haar met handtekeningen, geschriften en lofdichten. Al van jongsaf zou zij slim en ijverig zijn geweest en haar ouders moeten haar hebben gestimuleerd om zich met creatieve bezigheden als borduren, musiceren, graveren en papierknippen bezig te houden. Na haar dood in 1715 heeft Adriaan Blok haar Stamboek verder uitgebreid met getekende of geschilderde allegorieën op haar persoon en kunst, vervaardigd door verschillen de kunstenaars. Zo groeide het Stamboek van Koerten uit tot een verzameling bladen die, blijkens de aantekeningen van De la Rue, uiteindelijk samengebonden zouden moeten worden tot drie grote folianten. Daar is het nooit van gekomen. Blok overleed in 1726, zijn tweede vrouw Maria van Arckel, die Stamboek en verzameling papierknipkunst bijeen hield, in 1737. Waarschijnlijk kwam het geheel hierna in handen van Pieter Testas die de volledige collectie enige jaren later te koop aanbood. Er zijn veilingen van de verzameling (of delen ervan) bekend uit 1762 (Amsterdam) en 1765 (Haarlem).

veilingcatalogus Bosch, Burgvliet, Arrenberg, 1766

 

Drie knipsels van Joanna Koerten: Portret Willem III, boemstuk en de Liereman

 

 

 

 

In 1766 werden tien papieren kunstwerken en zes konstboeken uit de verzameling van koopman Michiel Oudaan verkocht. Zo is het knipkunstkabinet van Koerten en haar Stamboek geleidelijk aan gesplitst en verspreid geraakt.
Is de verblijfplaats van verschillende bladen (tekeningen, handschriften en kalligrafie) bekend, van het knipwerk van Joanna Koerten weten we veel minder. We kennen tot nu toe mogelijk twaalf knipsels uit vooral particuliere collecties, om een verdere indruk van haar werk te krijgen moeten we ons baseren op de vermeldingen in de verschillende catalogi. Ervan uitgaand dat Testas inderdaad het volledige kabinet van papieren snijkunst heeft bezeten en ook heeft verkocht moet dit hebben bestaan uit 36 knipsels en enig on gespecificeerd werk, opgenomen in een omslag. Dat knipwerk is te verdelen in portretten, religieuze voorstellingen, landschappen, maritieme voorstellingen, diorama’s, teksten, allegorische voorstellingen, een bloemstuk en een wapenknipsel. Van de knipsels die in de catalogus Testas/de Leth (waarvan meerdere versies bestaan) worden beschreven zijn tot nu toe bekend de portretten van Czaar Peter de Grote, stadhouderkoning Willem III, Frederik III, de keurvorst van Brandenburg en de predikant Galenus Abrahamsz. Het bloem stuk daarin genoemd is wellicht het knipsel uit de voormalige collectie Van Ommeren en de liereman en andere kleine knipsels zouden dan deel uit hebben gemaakt van het wel genoemde, maar ongespecificeerde werk. Hebben we hierdoor een idee van de inhoud van Joanna’s kabinet van papierknipkunst, hoe dat er precies heeft uitgezien weten we niet. Mogelijk een impressie ervan kunnen we krijgen door een tekening die Jan Goeree maakte voor een van de Stamboekbladen. Onder dit vignet is de tekst “Uit kleine arbeit grote roem” te lezen.
Afgebeeld zijn drie voorname heren in klassieke gewaden die knipwerk bestuderen. Een van hen houdt voor het raam een knipsel tegen het licht om met een soort loupe het fijne werk (misschien het door De la Rue vermelde “opwerk” met sneedjes) goed te bekijken. De andere twee. bekijken knipsels die zijn ondergebracht in ronde dozen op en voor de tafel. Rechts is een deel van een fraai ladenkabinet te zien. Deze afbeelding is soms genoemd het kabinet van een knipprentenverzamelaar. Waarschijnlijk is het echter een zeer geïdealiseerde weergave van het kabinet van papieren snijkunst van Joanna Koerten en de droom van haar man Adriaan Blok.

“uit kleine arbeit grote roem”; tekening Jan Goeree

1 Joanna Koerten en Anna Maria van Schurman; tekening rood krijt door J. Houbraken
2 Portret J. Koerten; mezzotint door P. Schenk naar D. v.d. Plas

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1994-4 van Stichting W. Tj. Lever.

De papierknipster van Juweel, Nieuwsbrief 1994-3

Enige jaren geleden kocht het Historisch Museum in Rotterdam een klein schilderij van een onbekende meester voorstellend een papierknipster. De papierkunstenares houdt in haar hand een opvallend knipwerk, een soort hanger van twee uit wit papier opengeknipte bollen. In de ronde vormen zijn kleine geknipte details te zien en er zijn twee namen in opgenomen. In de bovenste bol “Joanna van Verwinde”, in de onderste las men bij het museum aanvankelijk “Nicolaas Sywe”. Wij zagen er meer “Nicolaas v Weel” in. Plaats en datum zijn ook in deze bol aangegeven: “Rotterdam 1696”. Onlangs vernamen we van de heer Thiels, conservator van het Rotterdamse museum dat men bij het R.K.D. nog een afbeelding van mogelijk dezelfde papierknipster had gevonden.

Die kunstenares, hier wat jonger weergegeven zonder bijfiguur, houdt een vergelijkbaar knipsel in haar hand waarin erg duidelijk de naam “Nicolaas Juweel” te lezen is. En die Nicolaas Juweel was een vrij onbekende Rotterdamse schilder die mogelijk in 1639 werd geboren en in 1704 is overleden. Dit schilderij werd in 1946 in Rotterdam geveild, de huidige verblijfplaats is onbekend. Juweel was dus de schilder van deze intrigerende werken, blijft de vraag: wie was knipster Joanna van Verwinde? Uit omstreeks 1696 zijn ons in Rotterdam maar twee knipkunstenaars bekend, namelijk Gilles van Vliet en Elisabeth Rijberg. Misschien kwam zij niet uit Rotterdam, maar hoe is het mogelijk dat de maakster van dit opmerkelijke knipwerk tot nu toe onbekend is gebleven? Wellicht kunnen deze en andere vragen in de toekomst met succes worden beantwoord. Met deze twee schilderijen hebben we in ieder geval een prachtig uitgangspunt voor verder onderzoek.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1994-3 van Stichting W. Tj. Lever.

In 2022 is geconcludeerd dat de afgebeelde knipster Aleijda Juweel is.

Vier achttiende eeuwse knipkunstkabinetten III, Nieuwsbrief 1993-4

Jan Kopper (1714-1788)

De vrij recente ontdekking van de “Beschryving van het Vorstelyk Konstcabinet van Papiere Snykonst, gewrocht en nagelaaten, door den heere Jan Kopper” heeft duidelijk gemaakt waaruit de verzameling zelfvervaardigde kunststukken van deze Rotterdamse bakker heeft bestaan. Waren al eerder interessante biografische gegevens en vermeldingen over de papierkunst van Kopper bekend geworden, de gevonden gedrukte beschrijving van Koppers kunstkabinet betekende een antwoord op vele vragen over de activiteiten van deze knipkunstenaar. De beschrijving bevat ook een vlot te lezen levensschets en twee lofdichten. In die levensschets zijn enige nieuwe gegevens aan te treffen.

Er blijkt uit dat Kopper reeds op jeugdige leeftijd met  papierknippen is begonnen: “In zyn eerste jeugd sneed hy reeds Scheepjes, Gezigtjes en andere voorwerpen, doch zeer onvolmaakt, ten opzicht van zyn volgend werk, hoewel met meer zwier als men van kinderen zulks gewoon is.. .“. Koppers eerste vrouw, Maria Lievingston, was ziekelijk van aard, zodat hij nogal aan huis gebonden was. Zij raadde hem “. . .de oeffening der Zang- en Speelkonst af (…) en dit was het tydstip waar in hy de schaar opvatte, om in zyn reeds begonne knipwerk meer vordering te kunnen maaken..”. Maria overleed in 1760, Kopper hertrouwde in 1762 met Sara van Vlugt, die echter al een jaar later in het kraambed stierf. De onbekende auteur van de levensschets schrijft over deze treurige gang van zaken: ‘.. .Dit trof KOPPER zoodanig dat hy in ‘t vervolg van den gehuwden staat afzag, zig van zyn affaires ontdeed, en het eenzaam leven verkoos, houdende met een dienstmaagd huis, die hem tot zyn dood bij bleef. . .“Jan Kopper richtte zich nu volledig op de papierknipkunst: “Nu leidde hy zig met de borst op zyn geliefde konstwerk toe, en spande alle zyne vermogens in om zig daar in te volmaaken. Hy slaagden in zyn oogmerk, want over de schoonheid en menigvuldigheid van ‘s mans Konststukken moet men zig verwonderen. .“. Het knipwerk van Kopper wordt in de levensschets uitbundig geprezen en vermeld wordt dat dit niet alleen aanwezig was in “nagelaate Cabinet° maar ook in “nog grooter aantal in Frankryk, Engeland, Duitschlan en voornamelyk in deze Republiek in Konstkamers en Vorstelyke vertrekken (…)“

De schrijver van de schets laat verder weten: “…‘s Mans uitmuntend Konstcabinet van Papiere Snykonst berust thans by de Heer D. VAN STIPRIAAN, Koopman op de Hoogstraat, op de hoek van de Lamsteeg, te Rotterdam, derde Zoon van des overledenen eenigste Zuster.. “.
Die zuster, Agatha Kopper, wonend te Oudewater, was door Jan benoemd tot erfgenaam en dus eigenaar van zijn knipkunstverzameling. Agatha stierf in 1798, in 1799 zijn de “liefhebberijen” van Kopper getaxeerd en gelijkelijk verdeeld onder vier familieleden. Zo is het knipwerk van de Rotterdarme bakker verspreid geraakt.

Het boekje (levensschets, lofdichten en beschrijving van de verzameling) is waarschijnlijk door Koppers familie kort na zijn dood uitgegeven, wellicht samen met het door Hendrik Roosing gegraveerde portret van 1789 naar een schilderij van Nicolaas Muys uit 1773. Het zal niet bedoeld zijn geweest om zo voor het geheel een koper te vinden, maar moet meer gezien worden als een eerbetoon aan de papierknipkunstenaar. Uit de boedelinventaris van Jan Kopper blijkt niet dat hij zijn knipwerken al in een kabinetkast had ondergebracht, in tegendeel zijn knipsels konden op diverse plaatsen in zijn huis worden aangetroffen, van het afgeschoten kamertje op zolder tot in de keuken. De boedelrekening van 1799 (opgemaakt na het overlijden van Agatha) toont echter de kosten voor het maken van een “rariteitenkas” door timmerman Sandoz. Het heeft er daarom alle schijn van dat de familie voor Kopper een monument heeft willen oprichten in de vorm van een kunstkabinet. Ook na de dood van Koppers erfgename veilde men de kunstwerken niet, maar zorgde ervoor dat ze in de familie bleven. Hoe Koppers kunstkabinet er precies heeft uitgezien blijkt uitvoerig uit de achttien pagina’s tellende beschrijving: “…Dit konstryk Cabinet, bestaat uit eene verzameling, van circa 100 Stukken alle in lysten met glazen; meestal van de schoonste en uitvoerigste, die de Heer KOFFER (…) heeft gewrocht. . .“ en voorts uit acht “geheele SCHEEPEN”, “Eenige TABAK en SNUIFDOZEN, met uitmuntende stukjes in de deksels”, “Eenige RINGEN, waar in de schoonheid van ‘s mans konst uitblinkt” en een portefeuille met papieren snijsels “die geen gering gedeelte van zyn Ed: konstwerk uit- maakten”. Tenslotte twee pronkstukken:”.. .Den TEMPEL van SALOMON en de ZAAL met het PARADEBED van Zyne Doorluchtige Hoogheid, W.C.H.FRISO, Gr. Ged. . . »‘Die papieren stukken stonden op een afzonderlijke tafel onder een glazen stolp. Na dit overzicht volgt een beschrijving van de vorm en indoud van het kunstkabinet: “. . .Het Cabinet zelfs, bestaat uit zes kasten, of vakken, drie aan drie, neevens den anderen…”. In het middelste vak van het eerste drietal bevond zich het door Muys geschilderde portret van Jan Kopper. Daarboven het portret uit wit papier van de Rotterdamse predikant Petrus Hofstede en ter weerszijde ervan twee ingelijste “door elkander gesneede boek- en kaartenbladen”. In dit vak zijn tevens opgenomen twee maritieme voorstellingen in lijst en vijf maritieme knipsels in kastjes. Twee ervan zijn niet gemaakt uit wit, maar van “gecouleurt papier”.

In het vak rechts hangen tien stukken, alle maritieme voorstellingen, zoals “eene Groenlandsche WALVISCHVANGST” en het “hardnekkige GEVECHT, tusschen het Fransche Fregat, la Belle Poule, en het Engelsch Fregat d’Aretbuse, den 17 Juny 1778”. In het linkervak eveneens tien stukken, waaronder “een gezicht van, voor de WILMSTAD; op den voorgrond zeilt een Fregat en eenige gints en weder zeilende Scheepen, Poonen en Veerschuiten; in ‘t verschiet eene Vuurbaak en een Zeedorp”. Dan volgt een beschrijving van het tweede drietal kasten of vakken. In het middelste vak hangen 18 stukken ingelijst in vergulde of zwarte lijsten. Ook hier weer voorstellingen met schepen met soms op de ach tergrond een kustgedeelte, een haven of een dorp. In het vak rechts hiervan 22 stukken met maritieme voorstellingen, Rotterdamse onderwerpen (“een gezicht van de LEUVEHAVEN”, “een uitmuntend gezicht van het WESTERSCHE OUDE HOOFT”), gezichten op de havens van Amsterdam en Harlingen en het portret van Maarten Luther. In het vak links ook 22 stukken, waaronder diverse Maasgezichten en het portret van Johannes Calvijn. De inhoud van de (open) vakken is nu duidelijk, maar het kunstkabinet bestaat uit meer. Er worden nog vijf ingelijste stukken vermeld, zoals “Een extra fraaije BUITENPLAATS’ en “Eene zeer uitvoerige bolle ZEE”. In een lade bevonden zich zestien snuif- en tabaksdozen met knipsels in de deksels gemonteerd. Diezelfde lade bevatte ook acht zilveren en gouden ringen “waar in Zeetjes, met Scheepjes, zeer klein, echter schoon en uitvoerig”. Verder een portefeuille met 22 snijwerkjes. Het overzicht ( 3 ) eindigt met de vermelding van de Tempel van Salomo (die gemaakt is uit wit papier, maar waarvan onderdelen verguld of verzilverd zijn), het Paradebed van W. C . H . Friso (naar een afbeelding van J . Punt uit 1752) uitgevoerd in zwart en wit papier en een    “extra ordinair schoon FREGAT” uit gekleurd papier. Deze drie stukken stonden onder glazen stolpen opgesteld. Tenslotte nog: twee maritieme voorstellingen, twee Oranjebomen in kuipjes en drie, gekleurde onvoltooide schepen, “zynde deeze, de laatste Konstwerken van den Heere JAN KOPPER”.
Inmiddels zijn enige knipsels van Jan Kopper opgespoord, zoals een doosje met een knipsel in het deksel en een serie van 10 maritieme voorstellingen (bezit van de familiestichting Blussé van Oud-Alblas,nu in bruikleen bij het Maritiem Museum in Rotterdam).          De ontdekking van de beschrijving van Koppers kabinet van papierknipkunst maakt het mogelijk nu gerichter naar het werk van de Rotterdamse bakker in particuliere en museale verzamelingen te speuren.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1994-3 van Stichting W. Tj. Lever.

Piet van Stuivenberg, Nieuwsbrief 1993-4

Pieter Antonie van Stuivenberg is beeldhouwer, maar heeft zich ook als schilder en lithograaf bewezen. Hij werd in 1901 geboren te Schiedam, waar hij is blijven wonen en zijn atelier heeft. Zijn opleiding ontving hij tussen 1921 en 1927 aan de Academie van Beeldende Kunsten te Rotterdam. Hij wilde schilder worden, maar zijn leraren, onder wie de schilder H. Mees en de beeldhouwer L.F. van der Tuuk, gaven hem het advies zich op de beeldhouwkunst te richten.

 

Als zoon van een onbemiddelde Schiedamse molenaar moest Van Stuivenberg al op zijn 14de gaan werken bij een steenhouwerij. Zijn gevoel voor plastische vormen en materialen dankt hij misschien aan die omstandigheid. Daarna was hij enige tijd leerling bij een Delftse pottenbakkerij, voordat hij de academie bezocht. Tot in de jaren ‘50 heeft hij onder moeilijke omstandigheden geleefd. Om in zijn levensonderhoud te voorzien heeft hij gedurende 28 jaar moeten werken in een distilleerderij en heeft hij ook nog andere baantjes aangepakt, In zijn achtergrond en zijn artistieke opvattingen had hij veel gemeen met de groep ‘R33’, waarvan hij van 1933 tot 1940 lid was. Erkenning voor zijn gaven als beeldhouwer kwam pas na de oorlog toen hij van de Rotterdamse Kunststichting de opdracht kreeg voor een monument, een abstracte zuil, die in 1950 op Opbouwdag bij het Bouwcentrum werd onthuld. Van belang voor latere opdrachten en voor zijn verdere ontwikkeling als non-figuratief beeldhouwer, waren de betonplastieken die hij tussen 1953 en 1955 vervaardigde voor het Provinciehuis te Arnhem. Toch heeft Van Stuivenberg zich niet beperkt tot het bewerken van steen. Hij heeft er ook mee gewerkt, en wel als lithograaf bij de Grafische Werkgemeen schap en de Aragroep. Als beeldhouwer werd hij lid van de Nederlandse Kring van Beeldhouwers en in 1957 van de Liga ‘Nieuw Beelden’. Hij maakte studiereizen naar Londen en Parijs.

Bovenstaande levensbeschrijving van Piet van Stuivenberg (1901-1988) ontleenden we aan de catalogus van de expositie “Mooi van Kleur” die enige jaren geleden in het Historisch Museum van Rotterdam is gehouden.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1994-3 van Stichting W. Tj. Lever.