Categoriearchief: publicatie

Bronckhorst en Henstenburgh, KoertenKoerier 19

Het portret van Johannes Bronckhorst (1648-1727) is in Konst-Boek, Letter A te vinden onder nummer 42: “Een dito (=portrait), Bronkhorst met veel bywerk door denzelven (=Verkolje), met een geschreeve portret daaronder”.
Van deze kunstenaar wordt in de Testascatalogus een kunstwerk vermeld, onder nummer 7 van Konst-Boek, Letter B”:
“Een Tuyn-gezicht, met Pauwen, Calkoenen en diverse andere Gevogelte, en verder bywerk, door Bronckhorst”. Afb.2 is een vogeltekening van Bronckhorst.

Johannes Bronckhorst was een Hoornse pasteibakker en amateurtekenaar van vooral vogels. Zijn portret is kunsthistorisch gezien niet zozeer belangrijk, schrijft Robert-Jan te Rijdt in zijn tekeningen bijdrage aan de Verkolje tentoonstelling van 2011 , maar wel interessant omdat het de enige bewaarde schets van Verkolje is. Het blad moet bij het selecteren van de nalatenschap zijn gewaardeerd als kunstenaarsportret en daarom niet zijn weggegooid met het andere werkmateriaal van de kunstenaar. Die schets werd uiteindelijk uitgewerkt tot een verzamelaarstekening. Die portretten (geschilderd en getekend) waren populair in de eerste decennia van de 18de eeuw, vooral in Haarlem en Amsterdam. Het was niet ongebruikelijk geschilderde portretten weer te geven temidden van diverse attributen. Het vervangen van die attributen door putti – in de 18de eeuw wel “zinrijke kindertjes” genoemd- was een vernieuwing die te danken was aan Arnold Houbraken en Nicolaas Verkolje.
Hoe belangrijk de opdracht voor het maken van portretten van Koertens Stamboek was blijkt uit het gegeven dat hij van de portretten van de meeste kunstenaarsportrretten en van enkele dichters hij tweede en soms ook derde exemplaren gemaakt. Die konden dan uiteraard naar familie van de afgebeelde kunstenaar of lokale bewonderaars van hem gaan, of naar verzamelaars die veel werk van hem bezaten.
De putti in schets en tekening tonen drie putti die de Schilderkunst, de Inspiratie en de Faam verbeelden. De datering die Te Rijdt voor de tekening gebruikt is “Zonder jaartal (circa 1720- 1725)”, maar opvallend is dat geboorte en sterfdatum in de tekening worden vermeld als 1748 en 1727.

Een leerling van Bronckhorst was Herman Henstenburgh (1667-1726).Hij kwam in de leer bij Bronckhorst in 1683 en werd ook pasteibakker. Zijn portret is in de Testascatalogus te vinden in het Konst-Boek, Letter A onder nummer 44:
“Een dito (=portrait), Herman Henstenburg, door denzelven (=Verkolje), met dito (=een geschreeven Vaars)”. De verblijfplaats van dit portret is onbekend. Van Gool vermeldt in zijn lexicon uit 1750 een portret van Henstenburgh door Verkolje met een gedicht van S. Feitama uit 1720. Dezelfde Feitama maakte ook een gedicht bij een zelfportret van Verkolje uit 1725.
In Konst-Boek, Letter B komen tekeningen van Henstenburg voor:
Nr.3: “Een Tafel met diverse Vrugten, uitmuntend in Miniatuur geschildert, door Henstenburg
Nr.4: “Een Fles met diverse Bloemen, door denzelven“.
Nr.5: “Een vogeltje en enige Vlindertjes en Bloemen door denzelven“.
Nr.6: “Twee Vogeltjes mede uitvoerig door denzelven“.
Van Verkolje zijn drie tekeningen van Henstenburgh bekend, maar de verbljfplaats van het portret uit het Stamboek is nog niet achterhaald. Wel nam Van Gooi in zijn lexicon van 1750 een vermelding van dit portret op dat van een vers van Feitama was voorzien.
Tijdens zijn bezoek aan Henstenburgh heeft Verkolje obk twee kleine olieverf van de schilder en zijn echtgenote Weijntje de Kneu gemaakt. Ook hiervan is de huidige verblijf onbekend. [afb. 3,4]

Literatuur
– Jim van der Meer Mohr, De Schilders van Westfriesland, Zwolle/Hoorn 2022.

Afbeeldingen
[2] Vogeltekening van Bronckhorst (p. 116).
[8.9.10] Tekeningen van Henstenburgh (p. 17-119).
[3,4] Portretten van Henstenburgh en zijn vrouw. In: J.R.Brozius, Nicolaas Verkolje en de “beminders der konst”, Hoorn 2001, p.8-10

– Vermelding van het portret van Henstenburgh door Verkolje in Van Gool (1750) met een gedicht van S.Feitama.

Door Henk van Ark.
Dit artikel is eerder gepubliceerd in de KoertenKoerier 19, najaar 2022.
Afbeeldingen Wikicommons en RIjksmuseum.

Johann Wilhelm, keurvorst van de Palts, KoertenKoerier 19

Het portret van deze Duitse vorst is onder nr.18 te vinden in Konst-Boek, Letter A van de Testascatalogus: “Het Portrait van Johan Wilhelm, Keurvorst van den Palts, door denzelven (=Verkolje) met een geschreeven Vaars daaronder”. Dit getekende portret bevindt zich in de collectie van het Teylers Museum in Haarlem. En er zijn vermeldingen van twee portretten van zijn echtgenote Anna Maria de’ Medici, nrs. 19 en 16.[1,2]
Nr. 16 “Het Portrait van Anna Maria, Keurvorstin van den Palts, zittende aan een Tafel in haar Kamer, en verder Bywerk, door denzelven (= Verkolje) en
Nr.19: “Een dito (=een Portrait), Anna Maria, Keurvorstin, en dito Vaars”.
Van beide portretten vond Plomp geen verblijfplaats, bovendien twijfelde hij (?) of nr.19 wel door Verkolje gemaakt kan zijn.

Johann Wilhelm bezocht niet alleen Koerten maar ook Elisabet Rijberg in Rotterdam. Gerard van Spaan vermeldt in zijn stadsbeschrijving van 1698 dat hij haar vereerde met een schenking zilverwerk. Johann Wilhelm bezocht Rotterdam in verband met het werk van Adriaen van der Werff (1659-1722), die schilderijen voor hem maakte en in 1697 door hem tot hofschilder voor negen maanden per jaar werd benoemd. Van der Werff bleef overigens wel in de Maasstad wonen.
Johann Wilhelm bezocht enige jaren er voor de kabinetten van De Wilde (1693) en Chevalier (1695), in die periode zal hij ook een bezoek hebben gebracht aan Joanna om haar werk te bekijken. Hij was in gezelschap van zijn vrouw Anna Maria [3] en zijn moeder Elisabeth Amalie van Hessen Darmstad.
Johann Wilhelm was gul geweest voor Elisabeth Rijberg, in het werk van Joanna was hij ook geïnteresseerd. Hij heeft, volgens Houbraken, “haar zelf voor drie stukjes van ’t snywerk duizend guldens gebooden“. Maar “zy was niet genegen dezelve te missen, omdat zy daar zoo veel werk aan had gedaan“.

Door Henk van Ark.
Dit artikel is eerder gepubliceerd in KoertenKoerier 19, najaar 2022
Afbeeldingen Wikicommons.

De portretten van Nicolaas Verkolje (2), KoertenKoerier 19

Nicolaas Verkolje maakte in opdracht van Adriaan Blok een grote serie portretten die worden vermeld in de Testas catalogus en dus hebben behoord tot het Stamboek van Joanna Koerten. Het zijn portretten van personen die een bezoek aan het kabinet van Koerten hebben gebracht en/of een lofdicht op de kunstenares en haar werk hebben gewijd.
Deze grote opdracht sluit uitstekend aan bij de uitbreiding van Koertens boekenbezit na 1715 met boekwerken van dichters, schrijvers en embleemboeken. Opvallend in de reeks portretten is de afkomst van vele, vorstelijke en adelijke personen uit Duitse gebieden.
Deze portretten zijn in de Testascatalogus te vinden in Konst-Boek, Letter A.

Het begint bij nummer 11 met Jan Six, gevolgd door Keizer Leopold (nr.12) Cosimo III (nr.13), Lodewijk XIV (nr. 14) en Willem III (Koning William) (nr.15).
Daarna volgen Johan Willem Keurvorst van de Palts (nr. 18) en zijn vrouw Anna Maria de’ Medici (nr.16). Zij bezochten niet alleen Koerten en de penningkabinetten van Jacob de Wilde (1693) en Nicolaes Chevalier (1695), maar ook Elisabet Rijberg waarvan in 1698 wordt vermeld dat zijn door hem werd vereerd met een schenking van zilverwerk. Of hier tegenover de verwerving van een knipsel van Rijberg heeft gestaan is aannemelijk.
Anna Maria was de dochter van Cosimo III, wellicht is haar bezoek aanleiding voor het knippen van een portret van haar vader Cosimo door Joanna. Dat zal zeker niet gebeurd zijn in de jaren zestig toen deze groothertog van Toscane Amsterdam tweemaal bezocht.
Na de reeks Duitse bezoekers volgen portretten van bekenden uit Koertens kring van vrienden en bekenden. Beginnend met Petrus Francius (nr.34) en eindigend met het bijzondere zelfportret van Verkolje (nr.47). Het gaat om Francius (2x), Bogaert, L.Bidlo, Lescailje, Ludolf Smit, Bronkhorst, de Haas, Henstenburg, Gadelle en Poot. Diverse van deze figuren zijn in de voorgaande KoertenKoeriers aan de orde geweest, maar dat geldt niet voor Bronkhorst, de Haas en Henstenburg.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in de KoertenKoerier 19, najaar 2022

De twaalf keizers, KoertenKoerier 18

In het septembernummer van de Nieuwsbrief van ons Nederlands Museum van Knipkunst/De Stichting W.Tj.Lever van 1999 konden we de aankoop van het knipsels De Twaalf Keizers van Joanna Koerten vermelden. Deze aanwinst zagen we als de bekroning van 10 jaar verzamelbeleid.

In de Nieuwsbrief schreven we:
“Koerten in Schoonhoven, het is eindelijk zover! Op 3juni j.l. kon op een veiling in Haarlem Het knipsel “De Romeinse Vrijheid” van de befaamde Amsterdamse knipster Joanna Koerten (1650-1715) worden aangekocht en in de collectie worden opgenomen. Vorig jaar werd het tienjarig bestaan van de stichting W Tj.Lever gevierd met de tentoonstelling “Gekocht & Gekregen”, een presentatie van tien jaargangen van de nieuwsbrief en de jubileumaankoop van knipsels van Selma Berkelaar. Deze nieuwe aanwinst zien wij als een echte bekroning van tien jaar aankoop- en museumbeleid, waar direct van de verwerving van de omvangrijke Levercollectie in 1988 een begin is gemaakt. Na dat antieke stukken (gemaakt voor 1900) voor de verzameling, om zo binnen enige jaren weer te komen tot een volwaardige museale knipkunstverzameling, die in een eigen onderkomen zou kunnen worden geëxposeerd. Diverse Prachtige 18de en 19de eeuwse stukken konden in tien jaar tijd aan de collectie worden toegevoegd, en behalve aankopen was er gelukkig ook sprake van vele schenkingen. Later kwam ook het verzamelen van 20ste eeuws werk en hedendaagse knipkunst meer in beeld, wat leidde tot goede verwervingsresultaten. Er ontbrak in onze verzameling echter nog steeds 17de eeuws knipwerk en dat is voor een museum als het onze wil zijn, in feite onmisbaar. In die situatie is nu dus gelukkig verandering gekomen. We hebben in de collectie een 17de eeuws werk kunnen opnemen en nog wel een knipsel van Koerten, beter kan het eigenlijk niet”

De aankoop van dit knipwerk betekende feitelijk de start van ons Koerten onderzoek, in het jaar daarna verscheen een speciaal Koerten nummer van de stichtings/museum nieuwsbrief (2000, nr.4)

Daarin werd de aandacht met name gericht op de tekening die Jan Goeree in 1708 maakte voor het Handtekeningenboek van Joanna Koerten. Op de voorgrond is het bijna opgerolde knipsel van de Romeinse keizers te zien.
Deze publicatie werd in 2003 gevolgd door het septembernummer van de nieuwbrief waarin de aankoop van het boek “De Roomsche Monarchy” van Abraham Bogaert werd aangekondigd.

Met het knipsel, een foto van het titelblad van Goeree en het boek van Bogaert kon, samen met de portretten van Koerten (Schenk en Houbraken) en de Lofdichten uit 1735 en 1736, die al in 1988 op de Leverveiling konden worden aangekocht, kon in het museum in Schoonhoven tijdens rondleidingen voor groepen en individuele bezoekers een prachtig verhaal worden verteld over Koerten, haar werk en andere voorbeelden van vroege knipkunst worden verteld. Het voordeel van een bezoek aan een klein museum waar een persoonlijke benadering prioriteit had.

Binnen het werk van Koerten neemt “De Twaalf Keizers” een bijzondere plaats in al zijn er ook andere voorbeelden van onderwerpen uit de Oudheid bekend. In de Testascatalogus staan in de rubriek SNEY-KONST onder nummer 24:
“Een kabinetstukje, in een lyst, verbeeldende Apollo en Dafné, met een Cupido en een Rivier God” en onder nummer 25:
“Een dito, verbeeldende Europa met de Stier, en een Cupido en meerdere Beeltjes“. Dit soort kabinetstukjes zouden we nog een graag terug zien.

Antieke elementen komen veel voor met betrekking tot het werk van Joanna. Zo zijn op het titelblad van Jan Goeree uit 1697 links en rechtsboven portretmedaillons van de keizers Augustus en Nero afgebeeld en komen de figuren van Minerva (Kunsten), Apollo (Dichtkunst) en Pictura (Teken- en Schilderkunst) In Goeree’s werk voor Koerten zijn veel op de Oudheid geïnspireerde figuren in zijn vignetten werk afgebeeld. Verder zijn bij diverse getekende portretten in het Stamboek vele antieke bij figuren gebruikt door verschillende kunstenaars.
Ook bij de Lofdichten zien we dit. In de uitgave van 1735 een scheiding aangebracht tussen de Carmina Latina (gedichten in Latijn met vertalingen) en Nederduitsche gedichten.

Daarmee stond deze uitgave nog steeds in de zogenaamde poëtenstrjd, vertegenwoordigers daarvan (Hoogstraten en Poot) behoorden tot de vrienden/kennissenkring van Koerten en Adriaan.

                              

Vrome Lieden, KoertenKoerier 18

“Ook laat hy van de beste konstschilders teekeningen maken, zinsprekende op gemelde zinspreuken; ‘t geen hem in zyn lede ge uuren tot verlustiging strekt, om haar kennisse van Godsdienst en het pleegen van deugden, daar zy bovenal haar konsten in uitstaken”
Zo besluit Arnold Houbraken zijn verhaal over Joanna Koerten in het derde deel van zijn “Groote Schouburgh”(1721).

Joanna Koerten en haar man Adriaan Blok waren mennonieten of doopsgezinden. Ze behoorden tot de gemeente “Het Lam” in Amsterdam. Het eerste geknipte portret dat we van Joanna kennen is dat van Galenus Abrahamsz uit 1692. Hij werd in 1722 in Zierikzee geboren en overleed in 1706 in Amsterdam. Vanaf 1680 was hij in Amsterdam als medicus werkzaam, in 1646 werd hij benoemd tot kerkleraar bij “Het Lam” en hij kon vanaf 1680 predikanten gaan opleiden, een van zijn bekendste leerlingen was Adriaan Spinniker die wij vooral kennen van diverse aan Koerten opgedragen lofdichten. Ook Abrahamsz maakte een lofdicht over Koerten dat in de uitgave van 1736 te vinden is in een reeks mennonistische leraren.

Die reeks maakt deel uit van een opsomming die bestaat uit gedichten van predikanten (4x), kerkleraren en een prediker (7+1), mennonieten (5x), remonstranten (5x) en lutheranen (3x). De vrome heren worden in het boek vooraf gegaan door een groep hoogleraren en gevolgd door medische doctoren. En niet te vergeten de lofdichten beginnen met gedichten van of voor vrouwen (van Lescailje tot Van Halmael).
Deze volgorde zal, in grote lijnen, al zijn bepaald door Adriaan Blok (dus voor 1726) die steeds een reeks gedichten heeft laten drukken, wat de wat afwijkende formaten van de bladen heeft bepaald, zoals wordt aangegeven in de inleiding van het boek.

Predikanten
– Hero Sibersma (Amsterdam)
– Petrus de Bois (Amsterdam)
– Johannes Hasselman (Munnekendam)
– Mattheus Noppen (Zwolle)

Kerkleraren
–
Johannes Vollenhove (‘s Gravenhage)
– Guatherus de Bois Nieu Nederlant)
– Fredericus van Leenhof (Zwolle)
– Joannes Ubelman (Gornichem)
– Amold ‘Moonen (Deventer)
– Jacobus Boschman (-)
– Gerardus Outhoff (Embden)
– Michiel de Hartocht (Loenen)

Mennonieten
– Galenus Abrahamsz (Amsterdam)
– Petrus Noordtdyk (Amsterdam)
– Adriaan Spinniker (Amsterdam)
– Abraham van Beuzekom (Goes)
– Hermannes Schyn (Amsterdam)

Remonstranten
– Adrianus van Kattenburg (-)
– Kaspar Brandt (Amsterdam)
– Georgius van Zonhoven (Leiden)
– Joannes de Goede (Amsterdam)
– Johannes Brandt (Amsterdam)

Lutheranen (Belydenis van Augsburg)
– Henricus van Bom (-)
– Benedictus de Haan (-)
– Hermanus Vast (-)

Het boekenbezit van Johanna Koerten, KoertenKoerier 18

De afgelopen jaren hebben diverse publicaties een belangrijke bijdrage geleverd aan het Koerten onderzoek, dat sinds 1999 min of meer gericht wordt uitgevoerd.
Er verschenen themanummers over Koerten uit de serie “Welkom in Papyria” (2010 en 2015), het artikel “Paper as Power” in het Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek van Martha Moffit Peacock (2014), het artikel “Joanna Koerten en haar Schaar van bewonderaars” van Joke en Jan Peter Verhave in Doopsgezinde Bijdragen (2015) en er is begonnen met de uitgave “KoertenKoerier” (vanaf 2017).
Daarbij kan nu worden toegevoegd “The Book Collection of Papercutting-Artist Joanna Koerten (1650-1715)” in Quarendo, vol.50, issue 1-2 (2020) van de hand van Rindert Jagersma en Joanna Rozendaal, die betrokken zijn bij het onderzoek “Female Book Ownership in the Eightteenth Century Dutch Republic”.

De opsomming van Koertens boekenbezit werd gevonden in de inventaris van Maria van Arckel, de tweede echtgenote van Adriaan Blok, opgemaakt na haar dood in 1737 door notaris Matthijs Maten de Jonge. De boekerij van Koerten maakte onderdeel uit van een boekenveiling met uitgaven uit het bezit van Jan Hulsman, Willem Hiddink en dus Joanna Koerten. Het geheel werd aangekondigd onder de naam Juffrouw Blok-Courten voor veilinghouder Salomon Schouten in de Sint Luciensteeg in Amsterdam op 29 en 30 October 1737. Uit het gegeven dat hiervoor de naam van Koerten werd gebruikt kan worden verklaard door de nog steeds bestaande bekendheid van Koerten, onder andere door de Lofdichtenuitgaven van 1735 en 1736, hoewel de kunstenares al in 1715 was overleden.

De auteurs van het Quarendo artikel stellen dat het boekenbezit van Koerten vergeleken met dat van andere vrouwen zeer bijzonder was,. onder andere om de volgende redenen:
– Er is sprake van een voornamelijk mennonistische (doopsgezinde) collectie, maar er is ook ruimte voor boeken van andere religieuze denominaties zoals remonstranten, lutheranen en zelfs katholieken.
– De collectie bestaat niet allen uit religieuze en devotionele uitgaven, maar er zijn ook vele geïllustreerde uitgaven die kunnen worden beschouwd als inspiratie voor haar historische en historische kunstwerken.
– Een belangrijk deel van de boeken is pas aangeschaft na het overlijden van Joanna in 1715. Het is een gerichte activiteit, waarschijnlijk bedoeld als het bevestigen van de reputatie van Koerten als bijzonder kunstenaar en het bevestigen van de roem van Koerten in de toekomst.

Deze en andere conclusies kunnen goed worden gebruikt voor verder onderzoek. Resultaten daarvan zullen zeker te zien zijn in onze Koerten naspeuringen, te beginnen met dit nummer van de KoertenKoerier.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerden in KoertenKoereier 18, voorjaar 2022

Over het geknipte portret van Johan de Witt, KoertenKoerier 17

Stelling:
Kort voor 1735 is het knipsel van Johan en Cornelis de Witt, op een of andere wijze, beschadigd geraakt. Het portret van Cornelis verdween, dat van Johan bleef enigszins beschadigd, bewaard.

Deze stelling heeft te maken met het artikel dat we voor het tiende nummer van de KoertenKoerier schreven naar aanleiding van de ontdekking van het knipsel van Johan de Witt in een Nederlandse museumcollectie. Het knipsel dat in 1923 voor het laatst te zien is geweest op een tentoonstelling in het Dordrechts Museum, bleek zich, dankzij een schenking, sinds kort te bevinden in het museum in Dordrecht.

Toen we, dankzij medewerking van conservator Paarlberg, foto’s van het knipsel (voor en achterkant) ontvingen waren we verrast want we hadden een dubbelportret van Johan en Cornelis verwacht en het bleek te gaan om het lichtbeschadigde portret van alleen Johan. In vele lofdichten over Koerten en haar werk is er sprake van een dubbelportret waarbij de voorstelling suggereerde dat Johan op de voorgrond en Cornelis op de achtergrond (in ‘t verschiet) zou zijn afgebeeld.
Andere beschrijvingen maakten alleen gewag van een portret van Johan, zoals bij Von Uffenbach. Ook Houbraken noemt alleen de Witt, maar neemt in zijn verhaal over Koerten in zijn lexicon wel de “Koridon” van Gesine Brit op waarin zij uitdrukkelijk de “witten” vermeld.


Tenslotte lezen we in de inleiding van de lofdichtenuitgave van 1735 over de “Twee Broeders en Martelaars van Staat Jan en Cornelis de Witt” dat het “een stuk is dat verwonderinge baard”.


In hetzelfde jaar bracht Pieter de la Rue Maria van Arckel, de weduwe van Adriaan Blok, een bezoek, waar hij knipsels en het Stamboek van Koerten mocht bekijken. In zijn verslag lezen we dat bij het knipwerk zich een portret van Johan de Witte bevindt, dat enigszins beschadigd is. De veronderstelling is nu dat de beschadiging plaatsvond nadat de lofdichtenuitgave van 1735 voor uitgave gereed werd gemaakt en voor het bezoek van Pieter de la Rue.
Deze gang van zaken zou ook het bezoek van familieleden van Cornelis de Witt aan Joanna’s knipkunstkabinet kunnen verklaren, ook om zijn portret te kunnen bekijken.

Literatuur
– Henk van Ark, “Wat de la Rue in Amsterdam zag”, Welkom in Papyria, nr.10 (2015), p.49-52.
– Michiel Plomp, “De Portretten uit het Stamboek voor Joanna Koerten (1650-1715), Leids Kunsthistorisch Jaarboek, 8 (1989), p. 323-344.
– Conny Bogaard, De Schaar-Minerva Johanna Koerten (1650-1715) en de waardering voor de “papiere snykonst”, Utrecht 1989.
– Henk van Ark, “Koertens Portret van Johan de Witt (en dat van Cornelis?)”, KoertenKoerier, nr.10 (2019).
– Catalogus Tentoonstelling Johan de Witt, Dordrechts Museum, 1925, nr.39a (toevoegingen).

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in de KoertenKoerier, voorjaar 2022.

Kunstvenster op Koerten, KoertenKoerier 17

In het jaar 2021 is een opmerkelijke belangstelling voor Joanna Koerten en haar werk te noteren. Soms ging dat gepaard met ronkende koppen en kwalificaties. Het Westfries Museum benoemde Koerten tot “Rembrandt van haar tijd” en maakte een vergelijking met “Lady Gaga”. Ook verzon de samenstelster, met steun van het museum, een verzonnen verhaal over Koertens echtgenoot Adriaan Blok. Koerten werd ook “Gouden Vrouw” in de 17de eeuw en tenslotte was er de aanduiding “Johanna Koerten; Knipkunstenaar van Koningen”.
Die laatste was de kop van Venster 16 van het online kunstmagazine “Kunstvensters”, een initiatief van Jeroen de Baaij, die zich afficheert als kunstliefhebber, recensent en hoofdredacteur van dit kunstmagazine.

Hij geeft zelf al aan dat dit Koertenvenster wel het meest verrassende venster uit zijn Canon van de Nederlandse Kunst is. Die keuze lijkt ook niet zozeer te danken aan de opmerkelijke kwaliteit van haar werk of haar toch wel bijzondere levensloop en/of plaats binnen het Amsterdamse kunst-, religieuze- en intellectuele milieu, maar omdat zij werkte voor koningen, prinsen en tsaren. Ja, kom daar maar eens bovenuit. Ook altijd interessant: Koerten vroeg forse prijzen voor haar werk en daarvoor wordt weer eens een vergelijking gemaakt met prijzen voor het werk van Rembrandt, alsof dat vergelijkbare zaken zouden zijn.

Zo’n kort venster kent natuurlijk zo zijn beperkingen en het leidt al gauw tot merkwaardigheden en slordige opmerkingen. We zien dat ook in de bijdrage over Koerten in het boek “Gouden Vrouwen, maar dat verhaal is 1000x beter dan dit venster. Een voorbeeld: De Baaij schrijft “Beroemde bezoekers schreven bij een bezoek aan het kabinet van Koerten vaak een vers in het stamboek (gastenboek). Hierdoor weten we dat Tsaar Peter de Grote en Keurvorst Frederik van Brandenburg haar met een bezoek hebben vereerd”. Volstrekte onzin, maar het leest wel lekker weg. Een regelrechte fout is de toeschrijving van het knipsel De heilige Antonius met Maria en kind -een knipwerk van Johannes van Achelom- aan Koerten en ga zo maar door.

Het venster over Koerten kan gezien worden als een bijdrage aan de bekendheid van Koerten als bijzondere kunstenaar en de papierknipkunst in het algemeen. Daar is niets op tegen, mits dat maar een beetje zorgvuldig gebeurt, want gemaakte fouten en overdrijvingen blijven lang hangen, zeker in deze tijd waarin gemakkelijke en smakelijke pr verhalen scoren. Het zou daarom goed zijn als De Baaij de ingediende opmerkingen bij zijn venster alsnog een plaats zou kunnen geven.

Waarom Koerten nu precies nu zo in de belangstelling staat is niet duidelijk. Misschien is het gewoon een samenloop van omstandigheden. Maar waarschijnlijker is dat voor de toegenomen belangstelling voor vrouwelijke kunstenaars hierbij een zekere rol heeft gespeeld.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in de KoertenKoerier, voorjaar 2022.

De portretten van Nicolaas Verkolje, KoertenKoerier 17

In “Welkom in Papyria”, nr.5 (2013) kwam het werk van schilder en tekenaar Nicolaas Verkolje (1673-1746) al eens aan de orde. Aanleiding was een overzichtstentoonstelling van deze kunstenaar die in 2011 in Rijksmuseum Twente is gehouden. Een prachtig, getekend zelfportret van Verkolje was op deze expositie te zien. De kunstenaar heeft zich op papier afgebeeld met in de hand een map waarop geschreven staat: ”AFBEELDINGEN voor het STAMBOEK van juff. J.KOERTEN”. Verkolje heeft zichzelf een porte crayon (krijthouder) in de gebarende rechterhand gegeven. Zijn beroep is daardoor beter weergegeven dan op andere getekende zelfportretten. Rechts op de achtergrond zien we op een schildersezel het geschilderde portret van Koerten, een afbeelding die overeenkomt met het gegraveerde portret van Koerten, vastgehouden door de Faam, in het derde deel van “De groote Schouburgh” van Arnold Houbraken. Jakob Houbraken maakte deze gravure. Deze tekening was opgenomen in de Testas catalogus van 1750 onder nummer 47 (“Het Portrait van den Konst-Schilder, Nicolaas Verkolje, door hem zelfs geteekend, extra fraay”).


In deze catalogus worden 44 kunstwerken van Verkolje vermeld. Het zijn 43 tekeningen en 1 portret in olieverf.

In Konst-Boek, letter A:

  1. Een capitale Tekening, niet minder dan de voorige (een tekening van Picart, HvA) door N. Verkolje.
    11. Het Portrait van de Heer Burgemeester Six, extra uit voerig, door dito.
    12. Het Portrait van Keyzer Leopoldus, door denzelven, met een geschreeven Vaars daar onder.
    13. Pallas, houdende het Portrait van Cosmus de derde, door denzelven, met een geschreeven Vaars daar onder.
    14. Een dito, met het Portrait van Lodewyk de veertiende, door den zelven, en dito geschreeven Vaars.
    15. De Faam, houdende het Portrait van Koning William, door dito.
    16. Het Portrait van Anna Maria, Keurvorstin van den Palts, zittende aan een Tafel in haar Kamer, en verder Bywerk, door den zelven.
    17. Het Portrait van Sofia, Keurvorstin van Hanover, mert veel Bywerk, door den zelven.
    18. Het Portrait van Johan Wilhelm, Keurvorst van den Palts, door den zelven, met een geschreeven Vaars daar onder.
    19. Een dito, Anna Maria, Keurvorstin, en dito Vaars.
    20. De Tyt, houdende het Portrait van Fredrik, Hertog van Saxen, door den zelven.
    21. Het Portrait van Prins Fredrik van Hessenkassel, daar agter de Tyd, opende een Gordyn, tot vertoning van zyn Gemalin, door N Verkolje.
    22. Het Portrait van Louisa, Princesse van Hessen, door den zelven.
    23. De Waarheid, houdende het Portrait van den Hertog van Wolfenbuttel, met veel bywerk, door den zelven.
    24. Het Portrait van Elisabetha, Juliana, Hertoginne van Bronswyk en Lunenburg. door den zelven.
    25. Een dito, Augustus Wilhelmus, Hertog van Brunswyk en Lunenburg, door den zelven.
    26. Een dito, Sophia Emelia, Hertoginne van Brunswyk, door den zelven.
    27. Een dito, de Graaf Munnich, met veel Omamenten en bywerk, door den zelven.
    28. Een dito, de Princesse van Oranje, Vrouwe van Yselstyn, door den zelven.
    29. Een dito, Dominicus Andreas, S:R.J: Grave van Kaunits, door den zelven.
    30. Het Portrait van de Professor Cattenburg, staande met een Boek in de hand in zyn studeerKaamer, met meerder bywerk, door den zelven.
    31. Een dito, Galenus Abrahams, met een Vrouwtje en meerder bywerk, door den zelven.
    32. Een dito, Dom.Becker in zyn studeer Kaamer en meerder bywerk, door den zelven.
    33. Een dito, Caser Brand, staande aan een Tafel in zyn studeer Kaamer, met veel bywerk, door den zelven.
    34. Het Portrait van Petrus Francius, en verder bywerk, door den zelven, en een Duyts en Latyns geschreeven Vaars.
    35. Een dito, Jan Vollenhove, zittende in zyn studeer Kamer, en meerder bywerk, door den zelven.
    36. Een dito Abraham Boogaert, met veel bywerk, door den zelven, met een geschreeven Vaars daaronder.
    37. Een dito, Do.Hoogstraten, staande in zyn studeer Kamer, en verder bywerk, door den zelven.
    38. Het Portrait van L.Bidlo, Borststuk, door den zelven.
    39. Een dito, Catharina Lescalje, met veel bywerk, door den zelve.
    40. Een dito Borststuk, zynde het Portrait van Francius, door den zelven, met een geschreeven Vaars daar onder.
    41. Een dito, Ludolf Smit, door den zelven, met dito.
    42. Een dito, Bronkhorst, met veel Bywerk, door den zelven met een geschreeve Vaars daar onder.
    43. Een dito, de Haas, met bywerk, door den zelven, en dito geschrift.
    44. Een dito, Herman Henstenburg, door den zelven, met dito.
    45. Een dito, Jacob Gadelle, met bywerk, door den zelven, en dito.
    46. Een dito, Hubert Comeliszoon Poot, en meer bywerk, door Thomas van der Wilt en N. Verkolje.
    47. Het Portrait van den Konst-Schilder Nicolaas Verkolje, door hem zelfs geteekend, extra fraay.

In Konst-Boek, Letter B.

  1. Het Portrait van Juffrouw Johanna Koerten Blok, met Olyverf, door N. Verkolje geschildert.
    62. Een dito ( Portrait met de Pen), Moonen, door Verkolje.
    68. Een dito (=Portrait) Bidlo, met Oost-Indische Inkt, door N. Verkolje.
    69. Een dito, A.Bogaart, door den zelven.
    70. Een dito, Adolf Cristiaan Aveman, door den zelven.

In het vervolg van de catalogus:

  1. Het Portrait van Gerard Outhoff, geteekend door N. Verkolje.

Het zelfportret van Verkolje is door hem op verschillende manieren uitgevoerd en is gebaseerd op een type dat hij in 1723 heeft ontwikkeld. Dit jaartal is gebaseerd op een gravure die Jakob Houbraken in 1753 maakte en waarop dit jaartal wordt vermeld. In tegenstelling tot bijvoorbeeld het geschilderde zelfportret zien we ook hier op de achtergrond een schildersezel met een doek dat niet is ingevuld. Het “extra fraaye” zelfportret met krijthouder maakte dus deel uit van de reeks portretten die de kunstenaar voor het Stamboek heeft gemaakt. Het was een belangrijke bijdrage aan deze verzameling, de Testas catalogus vermeld bijna 200 tekeningen (niet meegerekend het ongespecificeerde aantal in Omslag Letter D. waarin ook geknipte geschriften, andere tekeningen en portretten, handtekeningen en gedichten werden bewaard), waarvan er 44 zijn gemaakt door Verkolje.

Na de tekening van Jan Six (nr. 11) volgt een lange reeks portretten van aanzienlijke, vaak adellijke personen. Het zijn figuren die de interesse van Joanna en Adriaan hadden, die belangstelling moeten hebben gehad voor het werk van de Schaarminerve en wellicht ook haar knipwerk in haar atelier hebben bekeken.

Het handtekeningenboek, waarvoor Goeree een prachtige tekening maakte zou daarover uitsluitsel kunnen geven, maar waarschijnlijk heeft de collectie handtekeningen nooit echt als boek bestaan. In de Testascatalogus worden de handtekeningen slechts vermeld als ondergebracht in een omslag samen met vele andere papieren. Daarna een rij van personen die gedichten aan Koerten en/of haar werk hebben geschreven, daaronder zijn er velen uit Koerten’s directe vrienden- en kennissenkring.

Noten
– Henk van Ark, “Nicolaas Verkolje en Koertens Stamboek”, Welkom in Papyria, nr.5, Rasquert 2013, p.39-47.
– Paul Knolle/Everhard Korthals Altes (red.), Nicolaas Verkolje (1673-1 746), De Fluwelen Hand, Zwolle 2011.
– Henk van Ark, De onmisbare catalogus, Welkom in Papyria, nr.5, Rasquert 2013, p.49-62.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in de KoertenKoerier, voorjaar 2022.
Afbeeldingen RIjksmuseum, WikiCommons.

Rijberg en Koerten, KoertenKoerier 17

In 1915 publiceert J.D.C. van Dokkum een “studie over Oud-Hollandsche schaarkunst” met de titel “Hanna de Knipster en haar Concurrenten”. De titel is wat merkwaardig want in zijn artikel beschrijft Van Dokkum verschillende papierknipkunstenaars die echt niet kunnen worden beschouwd als concurrenten van de Amsterdamse papierknipster. De enige die eventueel als “concurrent” van Koerten kan worden gezien is de Rotterdamse Elisabet(h) Rijberg, maar daar zijn eigenlijk geen aanwijzingen voor, tenzij de tekst op het bordje van de woning van Rijberg aan de Boompjes daarop zou kunnen wijzen. Die tekst luidde:

“ik snij de van papier al wat het ooge streeld
Of wat een geestig brein ons na de konst afbeeld,
Al brult de bitze nijd met opgesparde kaken
Mijn konst en zal niet ligt daardoor in ‘t voetzand raken”

Van Dokkum plaatst daarover een schampere opmerking:

“Deze reclame-poezie is, gelijk men ziet, van een beminneljke eenvoud en de vier regels wegen in holle overschatting volkomen op tegen de duizend en zooveel verzen van Koertens Stamboek”.

            

Een concurrent van Koerten was Rijberg zeker niet, wel was zij, zoals Van Dokkum aangeeft, een plaatselijke beroemdheid. Al in 1696 vermeldt stadsbeschrijver Gerard van Spaan dat Rijberg en haar stadgenoot Gillis van Vliet “zeer uitstekende kurieuze stukken van papier” maakten.
Uit die tijd dateren enige portretten waarop een papierknipster uit Rotterdam is afgebeeld door de schilder Nicolaas Juweel met geknipte/gesneden papieren bollen en haar knipgereedschap.

    
Dat moest dus wel Rijberg wezen. Meer weten we over de Rotterdamse knipster door een bezoek in 1710 van de Duitse reiziger en kunstliefhebber Zacharias von Uffenbach die haar ook al eens in 1705 had bezocht. Hij schrijft in zijn “Merkvvürdige Reisen”:

“Den 19 Nov. Gingen wir zu de Jungfer Elisabeth Rijberg, curiöse von Papier geschnittene Sachen zu sehen. Wirfanden an der Thüre des Hauses, darinnen sie wohnet, aufeiner Tafel Eine Holländische und Französischen Inskription von Ihrer Arbeit. Sie hatte aber nicht mehr als in allem elf Schildereijen, so sie verfertiget, die in schwarzen Rahmen eingefasst, und mit Glas überzogen waren.
Ich hatte alle diese Stucken bereits Anno 1705 gesehen, ausser zweyen neuen, so sie eerst 1709 gemacht, davon das eine der Strand und Prospect von Schevelingen, das andere aber den Heringfang vorstelle. Diese waren gar schön und Künstlich gemacht, und an jenem, die viele kleine Figuren von Menschen, die alle auch von purem Papier eingekleidet, an diesen aber die viele Sch mit allem zugehör derselben, billig zu bewundern. Sonst macht sie die See-und Blumenstücke am besten. Die andere aber, so die Gebäude von Loo etc. vorstellen sind nicht so gut. An denen Blumstücken sind die Bordirungen, so sie drum herum machet, so theils wie genehete, theils wie gekloppelte Spitzen aussehen, gar schon gemacht. Sie forderte vor das geringste dieser Stücke sechs hundert Holändische Gulden, welches vor Papier, ob gleich es gleich noch so kunstlich ausgeschnitten, gewiss gar viel Geld ist
”.

Bij het verslag van Von Uffenbach zijn verschillende opmerkingen te plaatsen:
1.Rijberg had 11 knipwerken die de Duitse reiziger alle in 1705 al kunnen bekijken. Twee nieuwe stukken, gemaakt in 1709, hadden als onderwerp het strand van Scheveningen en een haringvangst.
2. Deze nieuwe stukken, die heel mooi waren gemaakt met vele kleine menselijke figuren, waren “billig zu bewundern”. Daaruit zou kunnen worden gekonkludeerd dat Rijberg voor het bekijken van haar werk geld zou hebben gevraagd. Volgens ons gaat dat niet op en zou “billig” moeten worden gezien als aanduiding dat het mogelijk was het voorgaande nieuwe werk eenvoudig/gemakkelijk te bewonderen was en niet slaat op een eventuele toegangsprijs.
3. Von Uffenbach vond de zee- en bloemenknipsels van Rijberg het meest geslaagd, voor de geknipte gebouwen zoals het Loo etc. had hij minder waardering. Ook in het verslag van zijn bezoek bij Koerten later (in 1711) schrijft hij dat dit soort werk van Joanna beter van kwaliteit was dan dat van de “Roterodamische”.

De mening van Von Uffenbach komt niet overeen met de opvatting van de geestelijke Charles Ellis die in 1698 in Den Haag (?) heeft kunnen bekijken. Hij verhaspelde in zijn brief aan Edward Tyson de naam van de knipster en noemt haar Pyberg.

Het Loo

Honselaarsdijk

Hij zag knipwerken die zijn weerga niet kenden: de paleizen Het Loo en Honselaarsdijk stukken die ook Gerard van Spaan in zijn stadsbeschrijving van 1696 noemde. Hij zag ook de portretten van William en Mary, beter dan hij van enig kunstenaar zag. Vooral het kantwerk in het knipsel van de koningin bewonderde hij.
Rijberg is zeker niet de enige die William en Mary in papier heeft geportretteerd, ook haar stadsgenoot Gillis van Vliet heeft dat gedaan. En, Joanna Koerten portretteerde Willem III zittend achter een tafel naar voorbeeld van een prent van Jan Verkolje.

Tot voor kort was maar weinig bekend over het leven van Rijberg. Haar geboortejaar werd geschat op 1680, haar sterfjaar 1721 was wel bekend. Recent onderzoek heeft duidelijk gemaakt dat Lisbet (Elisabet) in 1672 gedoopt is als dochter van Jan P. Rietberch en Aefije Joris. Ze had twee broers Pieter (1665) en Joris.

Von Uffenbach bezocht Rijberg in 1705 en 1710. Ook in 1718 stond een bezoek aan de Rotterdamse knipster weer op zijn programma maar door slechte weeromstandigheden in die stad kwam het er niet van. Het was interessant geweest te vernemen of Rijberg toen nog nieuwe knipwerken had gemaakt. Want het ziet er naar uit dat zij na 1711 maar weinig productief is geweest.

Hoe het verder is gegaan met de knipsels van Rijberg wordt duidelijk uit de testamentaire overeenkomst tussen Elisabet(h) en haar broer Pieter, opgemaakt op 21 september 1721. Ze benoemden daarin Adrianus van Nimwegen tot executeur met de bevoegdheid de boedel van de kortslevende te verkopen. Kort daarna is Elisabet(h) al overleden. Haar naam werd toen gespeld als Elisabeth Drieberg. Zij woonde toen aan de Bierhaven, dus niet meer op de Boompjes.
In het testament is geen sprake van een verzameling knipwerk van papier. Op 17 oktober 1721 is in de Haagsche Courant een advertentie te vinden:
“Het Snijwerk van Papier van Wijlen Elisabet Rijberg zal worden verkocht in Rotterdam door A.van Nimwegen”. De verzameling bestond uit 15 stukken. Deze verkoop is niet doorgegaan en Pieter heeft 11 kunstwerken toevertrouwd aan Willem van Saffeghem (contract 9 augustus 1722). Dat was een rondreizende (kermis)exploitant, afkomstig uit de Zuidelijke Nederlanden, die de “vorstelijke” snijwerken wilde laten bezichtigen tegen betaling. Van Saffeghem reisde af naar Amsterdam waar hij, met toestemming, “verscheidene stukken papierkunst aan liefhebbers” tentoon stelde. Op 14 oktober eiste Pieter Rijberg echter de stukken terug, er ontstond een conflict over het papieren kabinet. Er werd een nieuw contract opgesteld (4 november 1722) waardoor Van Saffeghem kon beschikken over de knipsels, mits hij twintig gulden per maand betaalde en ervoor zorgde dat de snijwerken goed werden onderhouden. Wat er verder met de verzameling is gebeurd is niet bekend, mogelijk heeft Van Saffeghem ze meegenomen naar de Zuidelijke Nederlanden. Het zou kunnen verklaren waarom we nog steeds niet kunnen beschikken in Nederland over een kunstwerk van Rijberg.

Mogelijk zijn kunstwerken van de Rotterdamse knipster enige tijd in 1722 in Amsterdam te zien geweest. Amsterdam, de woonplaats van haar vermeende concurrente Joanna Koerten die al enige jaren ervoor (1715) was overleden. De plaats waar toen kunstenaar Nicolaas Verkolje hard werkte, in opdracht van Adriaan Blok, aan een grote reeks getekende portretten die een bijdrage zouden gaan vormen aan het Stamboek dat de roem van Koerten zou moeten bevorderen.

Koerten werd ook enige malen bezocht door Von Uffenbach. In 1705 en 1711 en in 1718 kwam hij nogmaals naar het werk van Joanna kijken bij haar echtgenoot Adriaan Blok op de Herengracht. In zijn verslag van 24 februari 1711 schrijft Von Uffenbach:

“Nachdem giengen wir zu der Mennonistin Johanna Coerten Block, in de nieuwen Dyck gegen unserm Wirthaus über in de Block, um die schöne, geschnittene papierne Sachen zu sehen. Sie hatte anjetzo zwey und dreyssig Stückfertig, darunter viel neue, so ich das vorigemal nicht gesehen, als das Porträt vom Czaar, vom Witt, Prof Francio etc. wie dann ihre meiste Arbeit Porträte sind, welche sie erstlich seher künstlich und gleichend schneidet, und alsdenn mit der Scheere die Umzüge und Schraffierungen ausschneidert, und zwischen zwey Glaser vest machet. Die schwarze Bretter der Thüren, so hinten davor sind, geben den Schatten durch die ausgeschnittene Lücken, das es scheinet, als ware alles mit der Feder gerissen. Sie hatte nur em paar Stück von Erhabener Arbeit, so wir in Rotterdam gesehen. Es waren Seestücke und Schiffe. Sie sind sonst besser nach der Zeichnung, als die Roterodamische gemacht. Eines von den schonsten Stücken war ein Blumenkrug, met allerhand Blumen, seher zart nach dem Leben gemacht; unten daarunter stunden die artige und wohl ausgesonnen Worte aus den Psalmen: Vita nostra ut flos“.

Bij dat verslag zijn de volgende opmerkingen te plaatsen:

  1. Koerten kon 32 knipsels tonen, waaronder vele die hij in 1705 nog niet had gezien. Joanna had dus behoorlijk doorgewerkt, de nieuwe waren (o.a.) portretten van Peter de Grote, Johan de Witt en Petrus Francius.
    2. Von Uffenbach benadrukt dat de meeste van de knipsels van Koerten portretten waren die mooi waren uitgevoerd en geplaatst waren tussen twee glazen platen in een zwarte lijst.
    3. Van de portretknipsels in de zwarte lijsten kennen we een voorbeeld met openslaande deurtjes aan de achterkant, waardoor het licht door het fijne, lineair geknipte papier kon spelen. Het is het portret van Willem III in museum De Lakenhal.
    4. Hij zag een aantal stukken “von erhabener Arbeit”, knipsels uitgevoerd in reliëf of als een soort bavelaar/kijkkastje: maritieme voorstellingen en schepen. Zulk werk had hij ook bij Rijberg gezien, maar het werk van Koerten vond hij “naar de tekening” beter.
    Een reliëfknipsel dat hij erg mooi vond was een bloemenvaas met daaronder de tekst “Vita nostra uit flos”. We kennen dit knipsel gelukkig nog van een foto uit de collectie van Ommeren.
    5. In tegenstelling tot het nu bekende werk van Rijberg stond het grote aantal portretten dat Koerten heeft gemaakt. Portretten van belangrijke figuren uit haar directe omgeving en aanzienlijke vorsteljke personages waren (op een na) voorzien van een gedicht in Latijn door Petrus Francius. Het ziet eruit als een gericht ondernomen activiteit die Koerten (en Adriaan) plaatste in een intellectueel, elitair gezelschap. Over bezoekers aan haar kabinet schrijft Von Uffenbach niet maar het aantal “aanzienlijke personages” wordt duidelijk uit de inleiding bij de Lofdichtenuitgave van 1736 en de inhoud van de catalogus van het kabinet van papieren snijkunst.

Van Dokkum schrijft, zoals eerder vermeld, dat Rijberg een plaatselijke beroemdheid is geweest. En dat wijzen de gegevens waarover we nu beschikken ook uit. Het belangrijkste werk dat zij maakte dateert uit de jaren negentig van de 17de eeuw en de eerste jaren van de 18de eeuw. Het is gesignaleerd door Gerard van Spaan in zijn stadsbeschrijving en een van de geknipte papieren bollen schilderijen van Juweel is 1696 gedateerd.

Concurrent Rijberg komt in de lofdichten voor Koerten niet voor, wel is er een eenzame vermelding van het werk van Gillis van Vliet.
Door Brand is slechts één interessante bezoeker van Rijberg bekend, de hertog van de Pals die haar, waarschijnlijk in ruil voor knipwerk, bedankte met een mooie schenking zilverwerk. De tekst “bitze nijd” op het bordje van haar woning duidt mogelijk meer op algemene kwaadsprekerij in plaats van jaloersheid van eventuele medekunstenaars.
Het “voetzand” waarover het bordje wordt gesproken was voor het werk van Rijberg al snel aanwezig, mede veroorzaakt door de verdere onbekendheid van haar werk en nauwelijkse vermelding in kunstenaarslexica.
Bij Koerten lag dat volledig anders, de door hun uitgestippelde strategie naar een hoge positie in de beeldende kunst en de daarbij passende roem. De ruime vermelding in de “Groote Schouburgh” van Houbraken heeft daaraan een belangrijke bijdrage geleverd.
Maar zelfs haar roem heeft niet lang mogen duren, die was na 1750 wel verdampt, al komt haar naam in latere kunstenaarslexica en zelfs almanakken en zelfs kinderboeken voor.

Lange tijd is er nauwelijks belangstelling geweest voor de oudste geschiedenis van de Nederlandse knipkunst. Daarin is gelukkig sinds jaren geleden verandering in gekomen. Het onderzoek naar Rijberg en Koerten speelt daarbij, maar zeker niet de enige, een wezenlijke rol.

Literatuur
– Jan Peter Verhave, “Nieuws over Elisabet Rijberg”, Knip-pers, sept.2021, p.5-8.
– Henk van Ark, Geportretteerd als papierknipper (2): Elisabeth Rijberg, Welkom in Papyria (6), p.5-11.
– Els Kloek, 1001 Vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis, Nijmegen (2013), nr 331, p.490-491 (Maja Volbeda); Digitaal Vrouwen Lexicon, lemma Elisabeth R(h)ijberg.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in de KoertenKoerier, voorjaar 2022.
Afbeeldingen RIjksmuseum, WikiCommons.