Auteursarchief: admin

Schaarse gegevens over J.E., Knip-Pers 2011-1

Tijdens de Papier Tentoonstelling afgelopen zomer in Veenendaal, werd er gedemonstreerd door knipsters, o.a. door onze voorzitter Marjan Draaisma.
Aan haar tafeltje meldde zich een mevrouw met twee boekjes met geknipte illustraties en ze vertelde dat haar moeder gediend had bij de maakster, mejuffrouw J. Enderlein.
Dat deed bij ons een belletje rinkelen, want wij hebben een boekje van J.E. in onze kast met afbeeldingen van knipsels. Even kijken wat we ook weer over die knipster geschreven hadden in ons boek Geknipt! Helemaal niets, vergeten. Maar er was geen twijfel: ons boekje en de twee van mevrouw De Beus waren van dezelfde hand. Wie was die J.E.?

Reden genoeg om speurwerk te doen, waardoor we nu dieper op deze knipster in kunnen gaan. Wij hebben Ria de Beus bezocht en we mochten de boekjes behouden. Zij had van haar moeder Bep de Jong behalve de boekjes nog een paar herinneringen en foto’s van de twee oude, ongetrouwde gezusters Enderlein, die woonden in de villa Huize ter Beek te Heelsum. Bep heeft voor ze gezorgd van 1928 tot 1944. Dochter Ria heeft haar best gedaan om nog andere verhalen op te diepen bij oudere familieleden. We kregen plezier in al het gezoek! En we hopen dat u zich dat kunt voorstellen, als u het resultaat leest.

afb 1. De woonwagen, 8 x 20 cm

Juffrouw Fien of Phine (Josephine, geboren 1853) en juffrouw Wies (Louise, geboren 1858) waren in goeden doen, als dochters van de hoge officier Hendrik Jan Enderlein en jonkvrouwe Maria Albertine Clifford Cocq van Breugel. Vader was kolonel van de genie en cartograaf, commandant van de Hollandse Waterlinie bezuiden de Lek. In 1875 werd hij opeens benoemd tot minister van oorlog in het tweede kabinet Heemskerk. Maar hij bleek ongeschikt voor het politieke leven en toen zijn voorstel over verbetering van vestingen het in de Kamer net niet haalde, trad hij af. Hij werd gepensioneerd als generaal-majoor en stierf in 1898, waardoor zijn dochters hun leven lang konden rentenieren. In het ouderlijk huis te Den Haag kwam zo nu en dan hun neef, de dichter Jacques Perk logeren.
afb 1.

Volgens de gedienstige Bep had Juffrouw Fien de knipseltjes en rijmpjes gemaakt. De J. staat dus voor Josephine of voluit: Jeanne Josephine Louise. Het verhaal van Maar uit ’n Woonwagen
(afbeelding 1) gaat over een arm, braaf jongetje dat overal goed doet en uiteindelijk door een automobiel wordt doodgereden. ’t Is een typisch voorbeeld van een in die tijd geliefd genre: een
rijke dame die schrijft over een arm milieu, uit liefdadige overweging. De uitgave door L.A. Dickhoff in Den Haag was ‘ten voordeele van het Nationaal Steuncomité’. Het waren de Belgische vluchtelingen in ons land die tijdens de (eerste) wereldoorlog steun nodig hadden; daardoor is het omstreeks 1915 te dateren.
Voorin staat een rijmpje, waarin de volgende regels:
…/ Al de prentjes erbij, zij zijn dan ook maar/
Eenvoudige knipseltjes van een schaar/ …

In diezelfde periode schreef J. Enderlein haar herinneringen op over een zwerftocht door Midden-Italië, ongetwijfeld samen met haar zus Wies, voordat de oorlog was uitgebroken.
Het artikel staat in het tijdschrift Eigen Haard uit 1915 en is geïllustreerd met knipsels van Italiaanse landschappen en figuren. ’t Is een mooie sfeertekening van een bezoek aan Orvieto en de Goede Vrijdag processie (afbeelding 2), die ze als protestantse toeschouwer met veel eerbied omschreef.

afb 2. ’Mater Dolorosa’ uit de processie, 6 x 6 cm

In de twee eerdere boekjes gebruikte de maakster alleen haar initialen, geschreven als J.E.
Het ene heeft als titel Buiten bij Kaatje! een Vertelseltje met Versjes en Knipsels (afbeelding 3).

afb 3. Boerin met juk (Buiten bij Kaatje), 7 x 6 cm

Het verhaaltje gaat over een gezin uit de stad met zeven kinderen, die bij hun kindermeid op bezoek gaan, die buiten woonde. De eenvoudig geknipte illustraties zijn afgedrukt in wit, tegen gekleurde achtergrond. Zij droeg het boekje op aan haar nichtje Mia (Maria Adriana de Monchy). Het is bijzonder vormgegeven, en uitgegeven door Scheltema & Holkema’s Boekhandel in Amsterdam, in oblong formaat (dus breder dan hoog).
Het beginversje gaat zo:
Van fijne velletjes, wit papier,
Eerst netjes gevouwen, in twee of in vier,
Knipte een kleine, scherpe schaar
Dit vertelseltje bij elkaar.
Krijgt gij nu ook in ’t knippen zin,
maak dan maar spoedig een begin
En let goed op, dan knipt gij niet mis,
Dat alles precies symmetrisch is.
Vouw altijd maar dubbel, dan zijt ge gauw klaar,
Het is heel gemak’lijk! –Probeer het maar!

Dit was waarschijnlijk het eerste boekje van J.E., verschenen in of voor 1912. Het andere boekje werd ook uitgegeven door Scheltema’s & Holkema’s Boekhandel, ook zonder jaartal maar vermoedelijk in 1913: Van twee Visschertjes, een vertelling voor Klein en Groot met rijmpjes en knipsels. Het is opgedragen aan een ander nichtje (Louise Henriette Sloth Blaauboer). “Aan de kleine Louise ver over de groote zee”.
Ook dat is een bijzonder vormgegeven, oblong prentenboek, met illustraties gemaakt ‘volgens de aloude knipkunst’. Ze staan als ‘witjes’ afgebeeld tegen een achtergrond met één of twee vlakken kleur in verschillende tinten. Net als in het vorige boekje spoorde J.E. haar lezertjes aan om zelf te gaan knippen:

En krijg je soms in ’t knippen zin,
Maak dan maar spoedig een begin;
Neem een dun wit papiertje in de linkerhand,
in de rechter een schaartje en een beetje verstand.
…
Vouw dikwijls maar dubbel, dan ben je gauw klaar; Het is heel gemak’lijk! –probeer het maar!

Zowel wat betreft inhoud als de kunstzinnigheid van de knipsels spant dit boekje de kroon. J.E. moet goed op de hoogte geweest zijn van de Scheveningse gebruiken, streekdracht en dialect. Zij schreef haar Italiëverhaal in verhaal in Scheveningen, mei 1915. De J. Enderlein moet dus Josephine zijn geweest. In de familie gaat een verhaal over een ongelukkige liefde van Fien voor de Haagse Mr. A. Farncombe Sanders. Inderdaad vonden we dat zus Louise Enderlein in 1915 in Scheveningen woonde en waarschijnlijk woonde Josefien bij haar in.
In ieder geval zijn de zussen kort daarna samen naar Renkum/Oosterbeek verhuisd, en in 1919 naar Doorwerth. Voor zover we kunnen nagaan is het bij de drie boekjes en het reisverhaal gebleven.

Josephine heeft heel goed laten zien hoe je, zonder een groot knipkunstenaar te zijn, op een heel sprekende manier een verhaal kunt verlevendigen met eenvoudige knipseltjes. Er is nog wel een lastig punt in de puzzel. J.E. staat namelijk in de bibliotheekwereld omschreven als Jacqueline Enderlein. En dan zou de overlevering dat Josephine de auteur en knipster, is niet kloppen. Gelukkig kwamen we op het spoor van een achter-achterkleinzoon van een derde zuster (Miep, Maria Adriana Enderlein); hij hielp ons uit de droom. Hij had veel familiegegevens verzameld en daaruit bleek o.a. dat de doopnamen van Wies waren: Louise Jacqueline. Dat brengt ons bij de veronderstelling: zouden Wies en Fien hebben samengewerkt, bv. Wies de rijmpjes en Fien de knipsels?

Toch niet, want de ‘Herinnering aan Italiëverhaal in met knipseltjes’ begint met “Van Mei en zonneschijn, van kinderjaren vol stralend geluk, had ik willen schrijven en knipsels had ik willen maken van bloesems en gouden regen!” En in de familie herinnert men zich niet dat Wies aan de boekjes heeft meegewerkt. Het blijft dus bij Josephine Enderlein, knipster èn schrijfster van de drie kinderboekjes. Over Phine en Wies als oude dames is nog een tweede getuige: de dochter van een hotel-restauranthouder in Heelsum die onlangs haar jeugdherinneringen vertelde in een paar artikelen over Heelsumse hotels in een Veluws streekblaadje. Paulien Reijmers kan zich de dames nog goed voor de geest halen, wonend in de grote villa Huis ter Beek, naast het hotel Schoonoord van haar ouders.
De zussen waren geliefd in Heelsum. Ze hielpen vaak mensen die het arm hadden. Ook stelden ze de zaal van hun huis ter beschikking voor allerlei culturele activiteiten (‘het befaamde zaaltje’). Phine zou nog een verhaal over Oud-Arnhem hebben geschreven, maar zonder knipsels. Toen Wies in 1939 overleed werd Huis ter Beek bij het hotel getrokken en juffrouw Phine bleef als vaste gast bij de familie Reijmers wonen. Het verhaal op rijm gaat over twee Scheveningse visserskinderen vanaf hun geboorte tot ze volwassen zijn. Het bevat veel informatie over Scheveningen, het vissersleven (afbeelding 4); een zeemanslied; afbeeldingen van schelpen, zeedieren en – planten; badgasten en een loflied op de koningin met haar dochtertje.

afb 4. Drie Scheveningse vissersvrouwen 7 x 10 cm

Tijdens de slag om Arnhem kon juffrouw Phine niet de kelder in. Ze was doof en hulpbehoevend. Ze bleef zitten in een leunstoel in de hoek van de kamer. Als dan het huis schudde op zijn grondvesten door het granaatvuur, vroeg ze heel verbaasd: “Schieten ze?” Ze werd geëvacueerd naar De Klomp bij Veenendaal en na de bevrijding werd ze opgehaald door haar nichtje Mia in Rotterdam en in een rusthuis geplaatst. Ze overleed daar op 13 augustus 1949, 96 jaar oud en werd in Doorwerth begraven. Bep, de gedienstige, was daarbij. Een sieraad, een paar mooie schalen, de kleedkist van vader, de officier en haar herinneringen aan de twee deftige dames was wat haar restte. Die herinneringen en de familieverhalen hebben we met onze eigen zoektocht samengevoegd tot een klein monumentje voor een knipster die rond haar zestigste haar werk openbaar durfde te maken. Honderd jaar geleden!

afb 5. Josephine Enderlein

Joke en Jan Peter Verhave

Met dank aan Ria de Beus en Bert Blaisse

De huwelijksreis van Evert Root met zijn vrouw Carolien, Knip-Pers 2009-4

Zoals veel ‘niet meer werkende mensen’ doe ik ook vrijwilligerswerk. Voor mij bestaat dit uit het
ontsluiten van de collectie papierknipwerk van het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem.
Ontsluiten wil zeggen beschrijven en invoeren in de digitale catalogus van het museum. Op dit
moment gaan de knipsels van Evert Root door mijn handen. Evert Root is in 1978 overleden en
zijn dochter heeft een deel van de knipnalatenschap verdeeld tussen het Museum in Westerbork (toen nog in eigendom van Lever) en het Openluchtmuseum. Al eerder is in de Knip-pers over Evert Root geschreven. Hij was een rasechte Amsterdammer, die geen blad voor de mond nam als hij onrecht constateerde. Zijn ‘houtsnedeachtige’ knipsels voorzag hij vaak van tekst of een gedicht. In dit verhaal beschrijft hij de huwelijksreis in 1952 met zijn derde vrouw Carolien. Evert Root was toen 56 jaar. Hij heeft het in een geruit schoolschriftje opgeschreven en geïllustreerd met knipsels. Ik heb de taal precies overgeschreven zoals Evert Root het opgeschreven heeft, met al zijn taalfouten. Deze geven naar mijn smaak kleur aan het verhaal.
Joke Verhave

Een bezoek aan de stad Groningen, één (raren) waren? Geschiedenis

Of het werkelijk waar is, kan ik niet zeggen, maar toch vond ik het geval vreemd genoeg, om het eens op te schrijven. En dat ik lang getwijfeld heb, blijkt wel uit het fijt, dat ik het vorig jaar hebt gehoord, en in de geest ook beleefd heb. (afb 1)

afb 1.

Dat zat zoo,vorig jaar Juni … was ik met mijn dien dag getrouwde vrouw Caroliena op z.n. huwelijksreis. Welke wij hadden geplend, als een tochtje om de Zuiderzee. Van het sation amsterdam naar Enkhuizen en toen per boot naar stavoren (afb 2)

afb 2.

en dat ik voor mij, de geschiedenis graag, mag controleren en alle beziendwaardigheden waarte nemen, Hebben wij wat rondgewandeld in veel kleine friese plaatsjes. Al mijn vragen naar het bewuste vrouke van die plaats, werd toen leuk weggelachen in Cafeé en zoo voor kort hebben zij toch een mooi klein stambeeldtje voor haar gemaakt zoo ik hoorde, ook het steeds opkomende koren uit de zee kust hebt ik niet gezien, ondangs de verhalen die mij op de school als waar werden verteld, Van de ring in de vissen en de straffe Gods, voor deze zoo hebberig en wreed vrouwtje is mij lang bijgebleven uit mijn zoo Cristelijke school opvoeding. Maar toen was er niets te horen of te zien, die deze verhalen konden bevestigen, zoo dat wij maar gauw de trein naar Leeuwarden hebben genomen.

Leeuwarden, daar was ik in en naar de oorlog 40-45 geweest. Het ondergronds werk heeft mij wat beziggehouden in die jaren, maar daar schrijf ik nu niet over, roomrijk waren zij voor mij persoonlijk niet. Wel heb ik in 45 nog één nachtje op eigen verzoek in een van de sellen der gevangenis geslapen- toen ik één dag de kampen aldaar had bezocht, om de onderkomens van de N.S.B’s en colbratuurs te zien. Afin, in Leeuwarden hebben wij ook een nachtje overgebleven, maar toen in het Bondshotel aldaar.

Maar de bedoeling was niet één wat verre familie van mijn nieuwe vrouw te bezoeken en kennis te maken met deze mensen uit het hogen noorden. En wel, in de stad Groningen. Wij moeste bij de familie Visser zijn, en daar het adres van die Oom en tanten van de Carolien, die zij zins haar jeugd niet had gegezien of gesproken, moeilijk was te vinden. Maar met veel vragen, kwamen wij eidelijk aan en het werd een uitbundig ontvangst Met veel praten over alle familiebetrekkingen, waar ik van zelfs sprekend geheel buiten stond. Afin na veel gepraat, met een lekkeren bak koffie en rijk belegde boterhammen, wilde wij ook wel iets van de stad zien. En Oom Dirk en oude geselligen baas was graag bereid ons te vergezellen. Gewapend met mijn fototoestel togen wij gedrietjes de stad in, Na een langen poos loopen door de winkelstraten en bezien van belangrijken gebouwen, vonden wij het welletjes, en wilde in één van de velen goede Cafées, die oom Dirk wel wist, iets gaan gebruiken, (afb 3)

afb 3.

En het gronings bier smaakte mij best. Maar toen wij zo gezellig zaten, bemerkte Oom Dirk die het borretje zich goed deed smaken dat hij ook geen achtien meer was. en maar graag met de tram op huis aan wilde gaan – Wij daar aantegen zoude nog wat rondlopen en tegen 6, warm eten bij de gezelligen oudjes – Mijn vrouwtje, welken op de boot een geladderde kous had opgelopen, wilde naar een paar anderen omzien.
En ik voor mij wilde wel even naar de kapper, want het warme weer had, de stoppels aardig uit de kin gejaagd, Maar ja waar was één kapper, nu dat wist oom Dirk wel, op de grote markt was een hele ouderwetse zaak, met prima bediening. De grote hoofdstraat uit lings af, en dan drie huizen van de kerk er hing een groten scheerkwast buiten. (afb 4)

afb 4.

De naam van de kapper ben ik vergeten. Op dit marktplein aangekomen, waar zôon grote kerk staat met hogen toren (de martieni) was juist marktdag en een drukte van jawelletjes, En de torenklok speelde, het paard van oome loek is dood –Ik nam afschijt van Carla, die op zoek ging naar een een kouzewinkel.

De kappers bediende, kwam mij reeds bij de deur tegemoet, Gelijkstraats was een mooie parfumerie zaak, de kapperssalon was een paar treedje op — Een grote zaal met vele scheerstoelen, en 5 of 6 bediendes. De jongen man die mij voorging nam mijn regenjas en hoed aan en de patroon spraak mij zeer vriendelijk toe, en node mij op de eerste stoel plaats te neme, in voor mij tammelijk verstaanbaar gronings zijde hij, U is geen… Neen mijnheer ik ben Amsterdammer zijde ik zonder hem te laten uitspreken zeer verlangend. dat hij zoo spoedig mogelijk een aanvang zou maken – Daar ik elk ogenblik mijn vrouw verwachten die mij zou afhalen – Ja dat meende ik al, hernam de patroon terwijl hij kwast en scheerzeep pakten – Mooi weertje vind U niet, ja het blijft maar droog. was mijn weerende antwoord – Toen hij na tweemaal scheeren meende klaar te zijn, verzocht Ik hem mijn haar wat op temaken en de hals wat uit te scheeren daar ik meende dat het haar mij aardig over de boord hing. (afb. 5)

afb. 5

Toen hij hiervoor aanstalte maakte zag ik zijn gezicht lichtelijk betrekken, meende Ik, Toen begon hij voor mij zoo twijfelachtig verhaal, wat mij zoo lang heeft bezich gehouden en wat ik niet kan nalaten aan anderen te vertellen.

Deze zaak zoo begon, de ook reeds oude baas, terwijl hij de scheerkwast over de hals haalde en nadien het mes over de riem, nog een aan wedden – Bestaat reeds jaren mijn grootvader en over grootvader hebben hier gewoond en als barbiers zoals dat toen heten gewerkt. en heel vee! beleefd en meegemaakt Vooral de Napolitaanse tijd welken mijn overgrootvader heeft meegemaakt en deze overlevering laat mij niet los en dat zal ik U In het kort even vertellen. Terwijl hij het, zoo juist geslepen mes In mijn hals plaasten en zeer langzaam naar beneden haalden zijn…

In deze veel bewogen tijd, stond hier vlak voor de deur van de waag. het schafot, hij wees mij naar een oud gebouw met het scheermes dat ik opziende door het grote winkelraam kon zien.

Toen ik mij weer bukte ging hij verder daar werkte vele misdadegers terecht gesteld mensen die verzet gepleegd hadden. En werden dan van het hoofd ontdaan – de Fransosen waren daar zeer rap mee, de rechtspraak was niet omslagtig en spoedig uitgesproken, Wat toen door de beul met het slagzwaard gebeurde. Hij de patroon wenden mijn hoofd een wijnig om.- aan de want zag ik een groot verroest zwaard, zonder punt hangen Dit heeft mijn overgrootvader gekocht nadat de Fransosen waren vertrokken. tegelijkertijd met het schafot Mijn overgrootvader had veel te danken aan dit zwaard, Want eIken veroordeelde moest eerst de hals uitgekimt en geschoren worden, en de scherprechter rekende na de terechtstellingen zelf met mijn overgrootvader af.

Toen rees ik vermoeid uit de scheerstoel, en terwijl de jongeman, mijn jas en hoed van de kapstok nam, ging de patroon verder met zijn verhaal – Het waren vaak wel 10 of meerderen personen op één dag – En het volk (gepeupel) had gratis toekijken, en werden gedwongen te juigen.

Maar mijn overgrootvader, wel die streek voor iederen kop. zoo als de scherprechter het noemden 10 centen in de laden en één goed glas bier kon er ook wel af voor de beul maar U zult begrijpen wat hij zich best liet smaken. Mijn overgrootvader sloot hij zijn verhaal af, heeft na de Fransen bezetting dit huis als eigendom kunnen kopen – natuurlijk niet van het nek uitscheren, de fransen en ook de hollanders die met hem meeheulden, waren trotse mannen en droegen, vaak valse pruiken welken veel geld kosten, en overgrootvaders beurs terdegen spekten.

afb. 6

Met hoog kleur, had ik dit verhaal beluisterd, en vroeg verward zonder mijn jas aan te trekken (afb 6) Wat krijgt U van mij; – Hij zijde daarop vijtig scheeren, haar opmaken veertjg en het uitscheren vijf en twintig.

Ja .sprak hij wat glimlachend wat duurder als in overgrootvaderstijd, maar ja dien mensen hebben mijn overgrootvader nooit weer gezien.

Komt U, nog eens terug? O, ja U bent .Amsterdammer. Maar U verteld het maar aan anderen koop ik – Wij wensen U nog veel plezier in onsen stad Groningen. Die damen welke benede in de zaak staat is zeker Uw vrouw?

 

 

 

afb. 7

Een beetje onzeker, ging ik zwetend het trapje af, En was blijde weer op het marktplein te staan De Martinietoren speelde weder het paard van ome lok Is dood, (afb. 7) En het lekkere flesje odeklonje wat ik mijn vrouw, stillentjes daar te kopen

– Wel dat hebben wjj te zamen ergens anders uitgezocht, Ik koop dit verhaal met enkelen kunstknipsels te ilustreren –

Evert. Root. sr

 

Knipwerk voor een medicus, Knip-Pers 2016-4

In 2010 schreven wij in de Knip-Pers over een knipwerk, gemaakt voor de Groningse koopman en beambte van de VOC, Jan Albert Sichterman,  voor zijn zilveren huwelijk met Sibilla Sadelijn
(afb. 1). Het was gemaakt in 1746 door C. Koster.

afb. 1

Het Groninger Museum heeft een grote verzameling spullen van dat rijke echtpaar en kocht het stuk voor een enorm bedrag. Over de papierkunstenaar hebben we nog geen zekerheid: we vonden maar één persoon van die naam in die tijd. Een Cornelis Koster liet te Delft in 1742 een kind dopen. In 1751 graveerde hij de koperplaat van de heruitgave van de kaart van Delfland. Hij was als graveur dus wel een ambachtsman die heel precies kon werken, maar of hij ook de papierkunstenaar was?

Daarna kwam ons een ander knipwerk van deze C. Koster onder ogen, gemaakt in 1745 (afb. 2).
Het is nogal gehavend, maar toch kunnen we er, na veel gezoek, wel wat over vertellen. Bovenin
staat de naam SCHORER met het familiewapen; daarin staan drie droogscheerdersscharen, die
verwijzen naar de lakenhandel waarin deze uit Duitsland afkomstige Zeeuwse familie zich had
beziggehouden. Midden onder een wapen met twee gekruiste ankers van de ‘Heren Bestuurderen van ’t zee- en vlootwezen van Holland, Zeeland en West-Friesland’ (de Admiraliteit van de Republiek).

afb 2.

Met die twee wapens hebben we geprobeerd om uit te zoeken welk lid van de familie Schorer dit knipwerk besteld heeft. Er komen twee personen in aanmerking die lid waren van de Admiraliteit in 1745: Mr. Johan Guilielmus Schorer (1688-1747) was in 1724 bewindhebber WIC en in 1732 idem VOC; burgemeester van Middelburg, en – meer waarschijnlijk – zijn neef, Johan Assuerus Schorer (1690-1752) procureur (ontvanger) van Zeeland en de Admiraliteit. Het lijkt erop dat een van deze twee het stuk voor een dokter heeft laten maken.
In het knipwerk is namelijk het volgende te zien: links en rechts op pilaren de profielen van Hippocrates en Galenus (twee bekende geneesheren uit de Griekse en Romeinse geschiedenis). Daaronder de spreuk ARS LONGA en VITA BREVIS (de kunst duurt, het leven is kort). Midden onder de afbeelding de spreuk NEC NISI APOLLINEAE VALIDO MEDICAMINE PROLIS REDDITA VITA FORET Ovid Met Lib 15. Vrij vertaald: Ik (= Hippolytus) heb mijn leven te danken aan de krachtige remedie van Apollo’s zoon (= Aesculapius).
De afbeelding toont een man met een lauwerkrans om het hoofd en een knoestige stok in de hand. Dat is de Griekse god van de geneeskunst Aesculapius want hij staat bij een water, waar op de oever een kale tak met slang (de aesculaap, het teken van de artsen). Het reliëf in het papier komt op de foto niet goed naar voren in de afbeelding (C. Koster 1745 staat rechts beneden). Verder naar onderen staan de namen B.S. ALBINUS en L. HEISTER op boeken. Links, onder Albinus, staat haast terloops, de naam BOERHAVE, de beroemde medicus en professor in Leiden. Boerhaave was in 1738 overleden.

De twee andere personen waren:
Bernard Siegfried Albinus (1697-1770) studeerde onder Boerhave, werd in 1721 hoogleraar anatomie in Leiden en in 1745 hoogleraar geneeskunde. Hij werd beroemd om zijn boek over de botten en de spieren van het menselijk lichaam: Tabulae sceleti et musculorum corporis humani (1747). Hij trouwde in 1765 (als vrijgezel (!) en was dus niet eerder getrouwd geweest).

Lorenz Heister (1683-1758) volgde lessen van Boerhave en van Albinus en kreeg zijn doctoraat aan de Universiteit van Harderwijk in 1708. Vanaf 1711 werkte hij weer in Duitsland, werd geneesheer en hoogleraar in de botanie en professor in de geneeskunde in Helmstedt en Nürnberg.

Rechts onder staat een spiegel met een slang afgebeeld en de spreuk INSPICE CAUTUS ERIS (‘Sieter in, en ghy sult wijs werden’, of ‘Aanschouw uzelf en u zult op uw hoede zijn’).

Was het knipwerk bedoeld als een eerbetoon aan Albinus bij diens benoeming als hoogleraar geneeskunde in 1745? Of was een van de Schorers ziek geweest en genezen na behandeling
door de medicus, en was het een geschenk uit erkentelijkheid?
Wij kwamen er niet uit, maar het zoeken was leuk.

Wel vonden we één episode waarin Albinus een lid van de familie Schorer behandelde. Het is een pikant verhaal: De Zeeuwse jurist Willem Schorer (zoon van Johan Guilielmus) was in 1740 getrouwd met de achttienjarige Anna Elisabeth Eversdijk. Na diverse strubbelingen onderzocht professor Albinus de echtgenote in 1746 (of misschien al eerder), vanwege een vermeende
weigering om het bed te delen met haar echtgenoot.

Hij ondervroeg haar opnieuw in 1748. Het conflict leidde vervolgens tot een geruchtmakend  proces en het huwelijk werd in 1749 ontbonden als ‘niet geconsumeerd’ ¹). Het is gezien het jaartal 1745 niet zeker dat Willem Schorer de opdrachtgever en professor Albinus de ontvanger was van dit staaltje papierknipkunst.

Joke en Jan Peter Verhave

¹). Rietje van Vliet, ‘Impotentie en frigiditeit. Hoe het huwelijk tussen Willem Schorer en Anna Elisabeth Eversdijk op de klippen liep’, in: Zeeland 13 (2004), 3, p. 94-102; Dank aan dr. M. van Vliet voor haar commentaar.

Vraagbaak, Knip-Pers 2016-3

Door alle geschrijf over oud knipwerk weet men ons goed te vinden met vragen. En wij vinden het dan weer een uitdaging om er gegevens over te zoeken. Dit keer geven we een bloemlezing van zulke vragen. En het wordt duidelijk hoe weinig we nog maar weten over knippers van vroeger.

Eerst maar een makkelijke: een cursiste van Janna van Zuijlen kwam met twee kleine, met vrolijke kleuren opgesierde werkjes, die uit de bijbel van een Zeeuws-Vlaamse grootmoeder kwamen (afb. 1 en 2). Het zijn zogenaamde Bijbel-leggertjes, gemaakt door Jan de Prentenknipper in Zeeland, omstreeks 1850. Het ene heeft als tekst God Zy Met Ons, en het andere toont een viertal Bijbelse taferelen (wie kent ze alle vier?) en de initialen JdW (niet die van de grootmoeder, maar dat kan ook niet: daarvoor moeten we nog een paar geslachten terug).

afb 1., 9,5 x 6 cm

afb 2., 9,5 x 6 cm

 

 

 

 

 

 

 

 

Jan moet er in zijn leven vele honderden gemaakt hebben, allemaal verschillend. Prentenknipper was zijn bijnaam en zoals we schreven in zijn biografie (1993), werd zijn echte naam bij toeval ontdekt. Een paar weken terug kregen we de bijgaande advertentie uit 1868 (afb. 3) toegestuurd door de Zeeuwse musicus Dieleman. Het is een leuke bevestiging dat de prentenknipper Jan Huisson heette, en zich Plaatsnijder noemde.

afb 3.

afb 4

Sietse Brugge van het Knipmuseum Westerbork stuurde ons een afbeelding van een heel oud knipwerk met allerlei pluimvee (afb. 4).

Dat motief doet denken aan de 17e eeuwse schilder Michiel de Hondecoeter, die zich specialiseerde in dit onderwerp. Michiel heeft wel een paar gedichtjes geschreven voor het Stamboek van Joanna Koerten, maar daaraan had hij geen knipsel toegevoegd. Een kunstkenner uit begin 20e eeuw meende dat Joanna zelf het geknipt zou kunnen hebben, want in de catalogus van haar knipwerk komt de volgende beschrijving van één van haar knipwerken voor ‘Een Landschap, waarin verbeeld werden Schapen, Pauwen, Hoenders, en allerley Gevogelte en Boomen, waaronder leyt een Spiegelglas, in het welk alles dubbelt gezien werd.’ Joanna heeft zich dus met haar schaartje aan dit onderwerp gewaagd, maar in het afgebeelde knipwerk komen geen schapen voor. Een grappige ontdekking was dat een kunstkenner uit 1915, J.D.C. van Dokkum. een overgrootvader was van de dame die het knipwerk aan Westerbork schonk. Het is nu het oudste knipwerk uit de collectie van het museum.

afb. 5

Sietse Brugge vroeg ook nog informatie over een ander anoniem knipwerk. Het stelt keizer Napoleon voor, te paard (afb. 5), heel herkenbaar. Maar we konden er niets over zeggen, niet eens of het Nederlands is. En toch blijven we de vaste vraagbaak voor het museum.

 

 

 

Via Atelma van Strien kwam uit België de vraag of wij iets konden zeggen over dit Italiaanse(?) knipwerk (afb. 6))

afb 6.

Het verhaal van Pia de Tolomei hebben we opgezocht. Het komt uit het beroemde boek van de Italiaan Dante, de Divina Commedia. De componist Donizetti heeft er een opera op gemaakt. Het verhaal gaat als volgt: Ghino is verliefd op Pia, de vrouw van zijn neef Nello. Als zij hem afwijst, vertelt Ghino Nello dat hij een bewijs heeft dat Pia haar echtgenoot ontrouw is. Ghino ziet Pia inderdaad met een man, maar weet niet dat het haar broer Rodrigo is. Zij helpt haar broer te ontsnappen uit de gevangenis van haar man. Nu wordt Pia gevangen genomen. Ghino biedt haar opnieuw zijn liefde aan en belooft haar te bevrijden.

Maar Pia weigert weer. Ghino wordt dodelijk gewond in een veldslag en onder de indruk van Pia’s houding en zijn ontdekking dat de zogenaamde aanbidder haar broer was, vertelt hij de waarheid aan Nello. Maar intussen had Nello opdracht gegeven om zijn vrouw te vergiftigen.Hij kwam te laat: op haar doodsbed vergeeft Pia haar echtgenoot en zorgt dat Nello en Rodrigo zich verzoenen. Het knipwerk door E. Celli stelt de vlucht van Rodrigo voor. Over deze Celli hebben we niets kunnen vinden. Toch was de eigenaresse blij met de uitleg.

afb 7., 6,8 x 8,7 cm

Tenslotte, onze voorzitter Henk Kapitein kocht een piepklein, maar zeer fijn knipwerkje en vroeg of wij er iets over konden zeggen (afb. 7).
Dat viel niet mee. Aan de hand van de figuurtjes konden we het plaatsen in de tweede helft van de 18e eeuw, maar zulke fraai geknipte bomen kennen we nauwelijks in de Nederlandse knipgeschiedenis. Tja, daar moest Henk het mee doen. Toen we later bij hem op bezoek waren, vroeg hij zich af, “Wat moet ik er mee doen? Hier, het is voor jullie.” Een aanwinst voor onze verzameling, Henk, dank je wel!

Joke en Jan Peter Verhave

Tola Steinhage, veelzijdig kunstenares 2, Knip-Pers 2016-2

Als vervolg en aanvulling op het interview van Line Huizenga-Onnekes in 1955 met de knipster Tola Steinhage (1919-2015) geven we hier haar eigen levensbeschrijving uit 1969, die ze aan haar knipvriendin Marja Bruining stuurde. Marja gaf ons toestemming om de brief te publiceren.

Tola was, net als Gertrud Januszewski, een knipkunstenares die haar talent in dienst stelde van haar geloof en de gebruiken van de Rooms-Katholieke Kerk in ons land, in de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw. Zij ging haar eigen weg en volgde haar gevoel en talenten. Met andere knippers uit die tijd, zoals Hil Bottema, Irma Kerp-Schlesinger en Wiecher Lever heeft ze vrijwel geen contact gehad.

afb 1. Tola Steinhage

“Ik ben in de eerste helft van september op een zondagavond, tijdens een zwaar onweer, om 9½ uur, in het teken van het sterrenbeeld ‘de maagd’ geboren. Gedoopt werd ik op de namen Antonia Sofia Gertrud. Antonia werd ik geroepen. Met 2½ jaar heb ik volgens mijn moeder daar een eind aan gemaakt. Ze nam me mee op visite. Toen daar gevraagd werd hoe of ik heet, moet ik gezegd hebben ‘Tola’ en niet anders, altijd ‘Tola’. Mijn ouders hebben die zelf gekozen naam blijkbaar mooi gevonden, want ik ben nooit meer anders genoemd.
Mijn vader was journalist-schrijver, dus zijn we veel gereisd en verhuisd. Met zes jaar kwam ik op een kloosterschool en dat was het begin van mijn artistieke ambities. Daar was nl. een zuster (kunstschilderes) die ons teken- en schilderles gaf. Ik ben vandaag nog blij dat ik op die school vijf jaar kon blijven, want zonder die zuster was ik nooit zover gekomen. Zij leerde me ‘zien’ zoals de dingen zijn. Ze leerde me ‘kleurkijken’ zoals zij dat toen noemde en nog veel meer.

afb 2.

Met negen jaar kon ik dan ook al mijn eerste knipsels publiceren, tot grootste ergernis van mijn vader. Hoewel we later veel samen gewerkt hebben, heeft hij zich nooit met mijn beroep kunnen verenigen, wat ik nog steeds jammer vind. Daarom heb ik ook van al mijn kinderwerk niets kunnen redden. Ik kwam eens met een bijzonder slecht rapport thuis; vader werd zo kwaad dat hij al m’n tekeningen en schilderijtjes verscheurde, ondanks mijn gejammer.

afb 3.

Ik geloof niet dat men een talent op wat voor manier ook kan onderdrukken. Ik heb altijd ‘gewerkt’, als kinderen uitgingen of wat ook, zat ik te werken aan het een of ander. Soms vond ik het zelfs verschrikkelijk doch ik kon niet anders.

Toen ik mijn examen op het lyceum achter de rug had, wilde ik natuurlijk op een academie, wat niet mocht. Ik moest dus wachten tot ik meerderjarig was. Daarna heeft het nog jaren geduurd voor ik eindelijk aan een studie kon beginnen. Maar geen academie. Ik had toen al genoeg
opdrachten en kon dus niet aan een regelmatig bezoek denken. Maar ging ’s avonds ‘modeltekenen’, dat heeft me bijzonder goed gedaan.
Wat had ik voor opdrachten: boekillustraties, kerstkaarten, geboorte-kaartjes, geknipt, gekleurd, houtsneden. Naaldwerk, applicaties of gecombineerd voor wandtapijten en vlaggen, eigen ontwerp en uitvoering.

Verder veel beelden, gesneden, gebakken, aangekleed en eindeloos veel poppen, wat men maar wilde. Dan heb ik op alle mogelijke scholen lessen gegeven en toch, dat doe ik niet meer, gezien ik geen tijd voor mezelf overhoud. Mijn grootste liefde is nog steeds het knippen, met een schaartje, nooit met een mes.

afb 4.

Jammer genoeg wordt het niet meer gevraagd. En vanzelfsprekend heb ik dan ook nog maar weinig gelegenheid het nog te doen. Toch heb ik laatst er weer eens een boek met knipsels geïllustreerd (45 stuks). Het is al heel lang weg, tot heden heb ik er nog niets op gehoord. Het zou kunnen dat men het te ouderwets vindt, en ik het dus terug krijg. Wat ik niet hoop.

Misschien weet je dat het knippen afkomstig is uit Turkije. Doch daar is het als volkskunst verloren gegaan, en herboren in China. Daar is het nog volkskunst. Ik heb nl. een boek uit China met onopgeplakte knipsels, tegenwoordig komt jammer genoeg dat land niets meer uit. Ja zelfs mag (men) er ook niet meer aan doen.

Je hebt het in je vingers. Dat is heel wat waard.
Tola Steinhage”.

De illustraties zijn uit het communieboekje De Dag van een Kind, met gedichtjes van Albertine Steenhoff-Smulders († 1933), over ‘Hoe een Rooms kind braaf kan leven’. De 28 ‘schaarsneden’ zijn door Tola gesigneerd met haar initialen en een schaartje, en gedateerd 1947. Een vijfde druk van Uitgeverij De Fontein, Utrecht, verscheen in 1956.

Joke en Jan Peter Verhave

Tola Steinhage, veelzijdig kunstenares, Knip-Pers 2016-1

afb 1

We kregen bericht dat Tola afgelopen oktober is overleden in Frankrijk, 98 jaar oud.

Zij was in de vijftiger jaren een bekende knipster (psaligrafe) van rooms-katholieke afbeeldingen
en sprookjes; ook illustreerde ze kinderboeken met haar knipsels. Zij is nooit lid
geworden van onze Vereniging en ook had ze geen contact met andere knippers.

Toch willen we nog eens bij haar persoon en werk stilstaan (we schreven al eens over
haar in de Knip-Pers van maart 1989). We doen dat nu aan de hand van Line Huizenga-
Onnekes, die Tola in 1949 bezocht en over haar schreef in haar onuitgegeven boek over
de knipkunst en in het Hengelo’sch Dagblad van 11 februari 1956. Hoe het leven en werk
van Tola zich nadien ontwikkeld heeft, weten we niet.

Tola Steinhage is geboren in 1919 in het stadje Lügden bij Pyrmont. Haar liefhebberij was van klein kind af knippen. Haar ouders zagen met lede ogen dat bijna niets anders haar belangstelling had. Met de schaar toverde zij uit een stukje zwart papier allerlei
sprookjesfiguren.

Toen het gezin naar Essen verhuisde, stonden hare ouders haar toe de Kunstacademie te Düsseldorf te bezoeken. Daar ging een nieuwe wereld voor haar open. Ze zag daar beeldhouw-, schilder-, teken-, en naaldwerk en dikwijls zal ze in stilte gedacht hebben: “maar zó kan ik het  ook”, want Tola is ongelofelijk handig en kunstzinnig. Ze is een begenadigde kunstenares. Haar verblijf te Düsseldorf duurde niet lang. Tola’s vader was redacteur-uitgever van het nti-nazi-orgaan, “Der Deutsche Weg”. Het gezin moest naar Nederland vluchten.

Op het nippertje kregen zij nog hun eigendommen over de grens. Ze vestigden zich in Oldenzaal. Een nieuwe periode begon en Tola ging door met haar werk en richtte een eigen atelier in. Ze knipte nu niet alleen, maar schilderde, boetseerde, maakte vloerkleden en wandkleden, naar eigen ontwerp.

Ze vond zelfs een nieuwe werkwijze uit waardoor ze ook hare overgebleven eindjes wol in
prachtige kleurencombinaties verwerkte. Maar de oorlog brak uit. Haar ouders moesten onderduiken. Een zoon en een dochter konden helaas niet tijdig wegkomen. Ze werden opgepakt en naar een concentratiekamp vervoerd. Ik behoef niemand te vertellen wat men dan doormaakt. Tola zelf kreeg oproep na oproep om voor de Duitsers te werken, maar ze negeerde de dreigementen. Toen ze er tenslotte niet meer onderuit kon, wierp ze zich een pan kokend water over de voeten waardoor zij niet zou kunnen werken. Na de oorlog werd het gezin Steinhage herenigd, maar Tola kon het in Oldenzaal niet meer uithouden. Ze vertrok naar
Utrecht in 1947. Daar heb ik haar opgezocht. Ik zag van haar knipsels, tekeningen, poppen,
kleedjes, ja wat niet, het een al mooier dan het ander. Ik kwam ogen te kort. Ze kreeg opdrachten voor kleden in de basiliek te Oldenzaal en voor het illustreren van kinderboeken. Alle illustraties zijn zwart-wit knipwerk, want “daarmee kun je veel meer doen, dan met tekenwerk”, zegt ze.

afb 2

Dit knipwerk is van een verfijning en zo vol uitdrukking zo karakteristiek. Dit bereikt men met tekenen nooit. Ze knipte o.m. een Rozenkranskruistocht voor de jeugd. Het is specifiek Roomse
kunst in eigen compositie, en heeft dus met volkskunst niets te maken. Tola was een overgevoelig kind dat droomde, dat leefde uit een wereld in zich, maar dat vaak door de harde werkelijkheid werd wakker geschud. Ze gaf het niet op, maar zette hare dromen om in SCHADUWEN. Dit was het wat haar steeds weer trof, maar waar geen LICHT is, daar is ook
geen schaduw en daarom was dit de reflex van haar eigen ziel. Uit het een kwam het ander voort.

afb 3

Het is wonderlijk gegaan met haar werk. Zou men hier van Leiding kunnen spreken ? De dromen uit haren kinderjaren zijn werkelijkheid geworden. Ze heeft zich reeds een uitstekende naam op kunstgebied verworven. Zonder leed en tegenslag heeft ze dit echter niet bereikt. In Utrecht kon ze leven van haar kunst, maar toen haar ouders hulpbehoevend werden vertrok
Tola weer naar Oldenzaal. Daar heb ik haar nog eens opgezocht en het blijkt dat ze in Twente niet de erkenning kan vinden waar ze recht op heeft. Toch gaat ze door, met nieuwe ideeën en technieken. Zo blijft haar kunstenaarsziel groeien.

Joke en Jan Peter Verhave

Een Knip Ster van 300 jaar, Knip-Pers 2015-2

afb 1. Portrettekening door Jacob Arnolds Houbraken (naar een schilderij dat verloren is gegaan)

Janneke Koerten was een Amsterdams meisje dat met haar handige handjes van alles kon maken. Ze tekende, schilderde, borduurde en maakte de mooiste dingen. Zo was dat in de zeventiende eeuw: meisjes die opgroeiden in gezinnen die wat te makken hadden hoefden niet te werken, maar ze mochten ook niet stilzitten. Want, zoals het spreekwoord luidt: ‘ledigheid is des duivels oorkussen’.

Nu kwam er in 1686 een boekje te koop over papierknippen. Het had als titel: Konstig en vermaakelijk tyd-verdryf, der Hollandsche jufferen, of onderricht der papiere sny-konst. Het was een leerboekje waaruit meisjes (!) aanwijzingen konden halen hoe ze met een scherp mesje of een schaartje allerlei mooie figuren uit papier kon toveren. Dat ging natuurlijk niet zo maar, je moest wel je best doen en veel oefenen, en als je een beetje talent had kwamen er de kunstigste dingen uit je handen. Maar ook als je niet zo’n kunstzinnige aanleg had, was het
snijden of knippen van figuren of letters een leuk tijdverdrijf.

Janneke bleef lang ongetrouwd en pas toen haar moeder en stiefvader gestorven waren kreeg ze een aanzoek, van Adriaan Blok. Hij zat net als haar stiefvader in de textielhandel en ze waren van dezelfde kerk (de Doopsgezinde gemeente op het Singel, waar zij zich had laten dopen toen ze negentien jaar was). Het stel kreeg geen kinderen en Janneke, die nu Joanna werd genoemd,
waagde zich aan het papierknippen. Zij had mooie resultaten, hoewel van haar vroege werk niet veel bewaard is. Het werd steeds meer en mooier: ze knipte gravures en schilderijen na en zo ontstond er een hele verzameling. Adriaan vond het prachtig en ze richtten een kamer in voor haar knipwerken: Bijbelse voorstellingen, zeegezichten met zeilschepen, landschappen, meest uit een plat vel, maar ook bewerkte ze het papier zodat er reliëf in kwam (‘opwerk’).

afb 2. Boeket in vaas; ‘Ut flos vita nostra’, zoals een bloem in ons leven, Psalm 103 (sinds 1948 onvindbaar)

Het knipkunstkabinet werd het bezichtigen waard. En al gauw kregen ze bezoek, mensen van hun kerk, deftige Amsterdammers onder wie burgemeester Six en geleerden en dichters uit het hele land.

Adriaan legde een boek klaar, waarin de bezoekers hun handtekening konden zetten. Niet alleen handtekeningen, maar er kwamen ook rijmpjes bij, zelfs hele gedichten.
Joanna ging zich nu toeleggen op het maken van portretten. Eerst maakte ze een tekening met streepjes voor de schaduwen en de plooien. Al die honderden arceringen haalde ze met haar schaar uit het papier, een monnikenwerk! Maar het resultaat was ernaar, zeker als ze de knipsels inlijstte en er een kaars achter zette. De bezoekers keken hun ogen uit, naar raadspensionaris Johan de Wit, naar stadhouder-koning Willem III, naar de dominee ‘leraar’
van hun gemeente, Galenus Abrahams de Haan, die ook dokter was. Rond 1700 was er veel aandacht voor de antieke wereld en de mythologie, en zo werd Joanna de ‘Schaar-Minerve’ genoemd, naar een Romeinse godin, Minerva, de beschermster van de kunsten en vrouwelijke handwerken. Joanna speelde op die mode in en maakte een bijzonder knipwerk dat ‘De Romeinse Vrijheid’ werd genoemd. Het stelt een gebeeldhouwde godin voor op een troon, omgeven door portretjes van twaalf keizers, zoals die waren afgebeeld op Romeinse munten. Die keizers in Rome waren een voorbeeld voor de regenten van de Republiek.

afb 3. De Romeinse vrijheid, met aan haar voeten de wolvin die volgens de Romeinse legende de broertjes Romulus en Remus opvoedde

Adriaans vriend, de kunstschilder Arnold Houbraken, maakte een tekening met Joanna op
een kunsttroon, met schaar en palet. Ook ruimde hij zestien bladzijden in voor Joanna in
zijn boek ‘De groote Schouburgh der Nederlandsche kunstschilders en schilderessen’, met haar portret. Heel bijzonder was dat zij in haar tijd, als vrouw in een door mannen beheerste maatschappij, zeer hoog werd geacht.

afb 4. Joanna op de kunsttroon, met schaar en palet; tekening en gedicht door Arnold Houbraken

Joanna ontving haar bezoekers altijd hartelijk en liet alles in haar kabinet zien, haar gereedschap incluis, en: ‘trof zy zomwylen iemand aan, waarin zy eenigen zucht tot de Konst
bespeurde, die bood zy de behulpzame hand en zoo hy (!) reeds eenige ondernemingen
had gemaakt, zy spoorde hem verder aan’. Maar de meeste leerlingen konden het geduld niet
opbrengen en haakten af.

Behalve deftige Amsterdammers kreeg ze ook bezoek van buitenlandse kunstkenners en
vorsten; geregeld stonden er deftige koetsen voor huize Blok op de Nieuwe Dijk. Keurvorst
Johan Willem van de Palts wilde wel een paar stukjes van haar kopen. Hij bood duizend
gulden, maar Joanna had er zoveel werk aan gehad, dat ze er geen afstand van wilde nemen.
Tsaar Peter kwam kijken in 1698 maar kocht niets. Later knipte Joanna zijn portret.

Joanna overleed drie eeuwen geleden in 1715. De weduwnaar wilde haar in herinnering
houden en gaf opdracht aan enkele tekenaars om portretten te maken van de mensen die
haar bezocht hadden. Bij het handtekeningenboek groeide nu een hele verzameling van tekeningen en gedichten, staaltjes van schoonschrift en andere kunstuitingen. Ieder die zichzelf belangrijk vond, probeerde in dat vriendenboek een plaatsje te veroveren.

Adriaan hertrouwde met Maria van Arkel en ook Maria spande zich in om het zogenaamde
Stamboek en het knipkabinet van Joanna toonbaar te houden, ook toen Adriaan was overleden. Ongeveer 20 jaar na het overlijden van Joanna erfde een achternichtje van Adriaan alles. Zij was getrouwd met Pieter Testas de Jonge, een kunsthandelaar. Die maakte een catalogus en probeerde alles te verkopen. Helaas viel de verzameling uiteen en nu is er maar heel weinig van Joanna’s knipkunst bewaard. Gelukkig weten we door de catalogus uit 1736 wat ze gemaakt  heeft. Wie weet duikt er nog eens iets van haar op.

We kunnen wel zeggen dat het Stamboek heeft bijgedragen aan de beroemdheid van Joanna, tot lang na haar dood. Zij was een van de eerste papierknippers in onze geschiedenis; in de achttiende eeuw kwamen er steeds meer beoefenaars van dit ambacht (meest mannen!)
en in de negentiende eeuw werd het ook een kunst voor mensen op het platteland. Van september tot november wordt er aandacht aan Joanna en haar knipkunst besteed in
een tentoonstelling in het Museum Willet Holthuysen, op de Keizersgracht in Amsterdam.
Er is ook veel ander knipwerk te zien uit de tijden na Joanna, waaruit blijkt dat de knipkunst heel gevarieerd is en dat de traditie van dit ambacht niet bij het oude blijft, maar steeds nieuwe wegen zoekt.

Wij, als knippers van nu, maken deel uit van die traditie, ook al worden we geen schaargodinnen of knip-sterren genoemd. Maar we zijn wel benieuwd wie van ons een knipkabinetje heeft ingericht, waar anderen naar mogen komen kijken.

Joke en Jan Peter Verhave

Papieren dieren, Knip-Pers 2015-1

Dieren zijn in de geschiedenis niet zo vaak gekozen als onderwerp voor knipsels. Maar als knippers dieren hebben uitgebeeld, is dat altijd in een ondergeschikte rol aan de mens. Dieren waren dienstbaar, niet dierbaar, zoals wij bv. onze katten uitbeelden in ‘Kattenfonie’.

afb 1, De Morgen der Schepping, door P.W. 1847

afb 2. Adam en Eva met de slang; onbekende maker, plm. 1700

Alles begint natuurlijk in het Paradijs. De dieren in de ‘Morgen der Schepping’ leven harmonieus samen. Dan komt daar nog een soort bij, die de andere beesten bij hun namen noemt.
Maar het vermogen om te denken en te praten brengt risico’s mee. Ze kunnen de verleiding niet weerstaan en gaan over de gestelde schreef. De dieren staan er omheen en hebben geen idee dat zij door de ongehoorzaamheid van hun medebewoners tot onderhorigen worden gemaakt.

afb 3. De slagerij; onbekende maker, 1778,14 x 22,5 cm.

De mens moet werken ‘in het zweet zijns aanschijn’. En voor dat werk schakelt hij dieren in,
hij temt ze en maakt er rijdieren, trekdieren en huisdieren van. Hij leert de huid te gebruiken als
kleding, en de melk, de wol, het vlees als voedsel, dus moet er geslacht worden.

afb 4. De jacht; onbekende maker, plm. 1850, 10 x 14,5 cm

afb 5, De vos steekt een arendsnest in brand; onbekende maker, plm. 1750, 8 x 10,5 cm

En dan zijn er nog de ontembare dieren, waar hij jacht op kan maken. Dieren zijn net als mensen: leer om leer, de arend had de welpen van de vos gestolen en nu steekt de vos het nest in brand, zodat de kuikens er uit vallen; een fabel van Aesopus, Grieks dichter).
Hoge heren en politieke partijen hebben zich een dier als symbool aangemeten. De Keizer met een arend, de Patriotten met een keeshond.  Koningen maken indruk met gevaarlijke dieren, zoals een leeuw in het familiewapen of zelfs in een leeuwenkuil.

afb 6, Pieter Reynders, Daniel in de leeuwenkuil, plm. 1800

In de 17e eeuw maakt men goede sier met kleurrijk en exotisch pluimvee: het bekijken waard.
Melchior d’ Hondecoeter schilderde veel van zulke menagerieën.

afb 7, Pluimvee; onbekende maker, naar d’Hondecoeter, plm. 1680 Dit knipwerk is recent geschonken aan Museum Westerbork.

In de 19e eeuw paradeert men met een prachtig span paarden in een sjees; en om een paard te kopen, moet men in zijn bek kijken.

afb 8, Pieter Reynders, Een span, nog een span en een hondje, plm. 1810, 18 x 25 cm.

afb 9. Willem Roemelé, De inspectie, plm. 1830, 16 x 20 cm

Tenslotte worden tortelende duiven tot een teken van liefde voor bruidsparen.
In deze tijd hebben we meer oog voor de schoonheid van onze medeschepselen en dieren zijn meer dan ooit het afbeelden waard; denk ook maar aan vlinders, kevers, vissen, kikkers.
Het thema voor het museum in Westerbork is zomer: maak er een dierlijke zomer van!

afb 10 Cornelis van Oostrum, voor het huwelijk van zijn broer, 1744, 18 x 17,5 cm

Joke en Jan Peter Verhave

Een speurtocht naar knipkunst, Knip-Pers 2015-4

In 1667 bezocht prins Cosimo de’Medici uit Florence de Nederlandse Republiek. Hij was geïnteresseerd in havenwerken en in kunst. Dankzij de verslagen van die reis was bekend dat een Amsterdamse katholieke jongeman Joannes van Achelom, die mooi kon knippen, zijn kunsten vertoonde voor de prins. Ook gaf hij een demonstratie van zijn schaatskunst op de bevroren Keizersgracht.  De prins nodigde hem uit naar het Florentijnse hof. Dat deed Joannes, begin 1668, en hij is nooit meer terug geweest. Kort daarop volgde de prins zijn overleden vader op als groothertog Cosimo III.

In het plakboek van de Zwolse tekenares Geeske ter Borch staan twee knipseltjes met de naam Johannes van Achelom. Die moeten dus voor 1668 zijn gemaakt. Hoe die twee elkaar kenden is niet duidelijk.

Nu kregen we enkele jaren geleden een knipwerkje te zien, waarop o.a. een antieke ruïne staat afgebeeld (afb. 1).

Afb. 1 Mannen bij een ruïne (8,3 x 11,2 cm) Particuliere verzameling

We dachten onwillekeurig aan Italië, maar verder kwamen we niet. Totdat we de details vergeleken met twee kleine sieraden, hangers met knipseltjes tussen glas, die in Londense musea worden bewaard. Het ene stelt Maria met het kind Jezus en zijn neefje Johannes (de latere Doper) voor (afb. 2).

Afb 2, Maria met haar zoontje Jezus en zijn neefje Johannes, 1703 (7 x 5,7 cm). Tekstband: “Geen enkele glans of schittering is zo mooi als die van de luisterrijke Maagd”. Victoria and Albert Museum Londen

Het ander de katholieke heilige Antonius van Padua, met het kind Jezus op zijn arm en een lelietak in de hand (afb. 3).

Afb. 3 Sint Antonius van Padua met het kind Jezus op zijn arm (10,7 x 8,1 cm). British Museum Londen

In het rijke geboomte waren allerlei vogels en dieren te zien, waaronder uiltjes en, heel verbazend, aapjes. En precies eendere dieren komen ook in afb. 1 voor. Laat dat knipwerk nu ook uit Engels bezit afkomstig zijn…

Een van die miniaturen werd vroeger toegeschreven aan Joanna Koerten, maar dat bleek onjuist. In de beschrijving van die kleinoden verwijzen de conservatoren naar Italië of Nederland (of Portugal, zie verderop). Zouden we hier met werk van de geëmigreerde Joannes, alias Giovanni te maken hebben? Het vermoeden kreeg meer vorm toen we een afbeelding van een derde achtzijdige hanger vonden. Ook daarin een kersttafereel (de aanbidding van de herders) en met een Latijnse tekst die betekende dat het was gemaakt voor de groothertog Cosimo III in 1702 (afb. 4).

Afb 4, Aanbidding met herders

Nieuwsgierig of onze kunstenaar in Florence ook verder gegaan was met zijn knipkunst, vonden we op het internet een inventaris van de kunstverzameling van de groothertog uit 1753. Die inventaris was natuurlijk in het Italiaans, maar met de zoekfunctie vonden we een aantal malen de naam Achelom of iets dat daarop leek, samen met de voornaam Giovanni (Johannes). Dus moesten we een kenner van het Italiaans in de arm nemen om de teksten van de betreffende inventarisnummers te vertalen. Daaruit bleek overduidelijk dat de kunstenaar met de schaar uit wit papier allerlei voorstellingen had gemaakt.

Dus planden we een verblijf in Florence. Het begon met een bezoek aan het Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis in die stad, waar Nederlandse studenten de Italiaanse kunst bestuderen. De directeur gaf ons een introductie mee voor de diverse musea en we gingen op weg. Eerst bezochten we het archief van Florence en daar vonden we dat Giovanni kamerheer of adjudant van de groothertog was en aan het hof leefde. We hebben met een hele reeks van conservatoren en directeuren gesproken, onder meer die van het rijke Uffizi Museum, maar helaas, niemand wist iets van die knipsels uit de inventaris. We hebben op onze speurtocht veel mooie kunst gezien en veel geleerd, maar het doel van de reis bleef onvervuld.

Intussen vonden we dat Van Achelom zich bekommerd heeft om de katholieke priesters en studenten die naar Rome op weg waren of terug reisden.  Hij verschafte ze onderdak in Florence. Details vonden we in het aartsbisschoppelijk archief in Utrecht. Een van die priesterstudenten was zijn neefje Allardus Titsingh. Toen Allard priester in Den Haag was geworden erfde hij de kunstverzameling die zijn oom tijdens zijn leven in Florence had opgebouwd: ongeveer 500 tekeningen van beroemde Italiaanse kunstenaars, onder wie Michelangelo en Titiaan. Dat weten we, omdat de Duitse kunstkenner Zacharias von Uffenbach in 1711 bij de priester op bezoek ging en de collectie bewonderde en beschreef. Er zaten ook acht miniatuur knipwerken bij, van de hand van Van Achelom. Hij omschreef ze als landschappen en veldslagen, goed van verhoudingen, veel bijzonderder dan en onvergelijkbaar met de papierknipkunst die hij had gezien in Rotterdam [Elisabeth Rijberg en Gillis van Vliet] en in Amsterdam [Joanna Koerten]. De priester wilde er eigenlijk 5000 gulden voor hebben, maar door de overlast van al die bezoekers zou hij tevreden zijn met 4000. Zijn bezoeker meldde nog dat meneer Titsingh een dikke, vrolijke man was, die graag een goed glas wijn dronk en heel hoffelijk en beschaafd was. Maar tot verkoop kwam het niet; de priester overleed in 1713 en de verzameling werd per stuk verkocht. Zo is alles verspreid geraakt en niet meer te herleiden. Ons vermoeden is dat de drie knipwerkjes  door een Engelse kunstkenner zijn gekocht.

Maar ook in Nederland of elders kan een Achelom knipwerk opduiken. Een conservatrice van het Brits Museum bezocht tien jaar terug, op vakantie, het Museum voor Antieke Kunst in Lissabon. Daar zag zij een kunstwerkje, dat erg veel weg had van het knipsel St. Antonius in haar eigen museum. Daarom dacht ze dat dit ook wel uit Portugal zou stammen. Op onze navraag bij de conservator van het museum in Lissabon kregen we een foto van een knipsel, gemonteerd in een zilveren houder, het stelt de aankondiging door de engel Gabriel aan Maria voor (afb. 5a).

Afb 5a, De Annunciatie. In zilveren staande montuur. Museo de Arte Antiqua, Lissabon

Het knipsel was afkomstig van een kunstverzamelaar, maar de eerdere herkomst is onbekend; het is ongetwijfeld van dezelfde maker.

afb 5b, De Annunciatie. In zilveren staande montuur. Museo de Arte Antiqua, Lissabon

Ons verhaal over Joannes van Achelom heeft dit jaar een plaats gekregen in het vooraanstaande tijdschrift voor kunstgeschiedenis, Oud Holland. Heel eervol. We hopen maar dat dit bijdraagt aan een grotere waardering voor de knipkunst onder kunsthistorici. Hun erkenning van ons ambacht, de papierknipkunst, is heel welkom, ook al gaat de technische verfijning van Joannes van Achelom ons begrip en kunnen ver te boven.

Joke en Jan Peter Verhave

Gissen naar de knipper, Knip-Pers 2014-4

In de loop van de tijd hebben bezitters van oud knipwerk gevraagd aan het Knipmuseum Westerbork of aan ons, of er meer bekend was over hun bezit. Nu hebben we een groot bestand aan foto’s en kopieën en soms kunnen we een knipsel dat niet gesigneerd is, toch thuisbrengen. Over een drietal knippers die voor mensen in hun omgeving herinneringsstukken maakten schreven we onlangs een artikel in het blad voor familiegeschiedenis en genealogie, Gen (september 2014). Maar veel vaker krijgen we afbeeldingen van knipsels onder ogen, heel kunstige of eenvoudige, waarvan we de stijl niet met die van een ander knipwerk in verband kunnen brengen. Vaak gaat het om een bruiloft of een geboorte. Als de namen er voluit in staan, kunnen we zoeken naar de woonplaats, via internet. Een datum met jaartal helpt daarbij. Hier vertellen we iets over een aantal van de knipsels waarvan we een goede afbeelding mochten ontvangen, maar waarvan we de makers niet kennen en waarvan we soms ook de afmetingen niet weten.

Het eerste is gemaakt voor Mejuffrouw H.J. Wicherts, geboren den XVIII van Herfstmaand, anno MDCCLI. Dat is dus 18 september 1751 (afb 1). In het midden een zogenaamd spiegelmonogram. De eigenaar in Oosterwolde had zelf al tevergeefs gezocht en ook wij vonden geen aanknopingspunt.

afb 1, 14 x 11,5 cm

Uit Twente komt een eenvoudig knipsel voor Carolina Berhardina Racer, geboren 28 oktober 1778 (afb 2). Dat meisje konden we wel thuisbrengen. Zij was geboren in Oldenzaal als dochter van de rechtsgeleerde Mr. J.W. Racer. Ze trouwde in 1799 met dominee Johannes Palthe te Oldenzaal uit een oud domineesgeslacht. Ze kregen drie zonen, o.a. toen ze in Etersheim woonden, een gehucht met een kerk aan de Noord-Hollandse kust van de Zuiderzee. Maar al snel was het gezin terug in het vertrouwde Oldenzaal, waar Carolien overleed in 1857.

Een prachtig stuk knipkunst (afb 3) is gemaakt voor het echtpaar Rhijnvis Feith en Ockje Groeneveld, getrouwd in 1772, collectie Van Sandick Stichting. Toen ze vijf jaar getrouwd waren hadden ze vier kinderen: Pieter Rutger, Octavia Bellina, Elsabé Machteld, Catharina en Henriette Engelina, geboren oktober 1777; daarna volgden nog vijf kinderen, de eerstvolgende in 1778.
Dus werd het knipsel gemaakt kort na de geboorte van Henriette. Het gezin woonde in Zwolle en vader Rhijnvis was een schrijver van sentimentele gedichten en tamelijk welgesteld.
We gaan ervan uit dat de knipper ook in Zwolle woonde. Behalve de teksten is het stuk dubbelgevouwen gesneden en vervolgens zijn de bloemen en bladeren opgebold.
De getalenteerde kunstenaar moet ongetwijfeld veel meer geknipt hebben, dus wie weet duikt er nog een werkstuk van hem of haar op, in of rond Zwolle.

afb 3, 21,5 x 27,5 cm

Twee hartvormige knipwerkjes zijn gedateerd 1773 en in bezit van iemand in Harlingen (afb 4). Het ene draagt de naam Hendrik Reessen en het andere Albertus Gerbrand Reesen, de ene achternaam met ss en de andere met één s. Het zouden broers kunnen zijn, maar AGR hebben we niet kunnen vinden. Wel vonden we een Hendrik Reesen die suikerraffinadeur was in Amsterdam en in 1759 een dochter kreeg. Maar het is geen bewijs dat deze Hendrik dezelfde was als die voor het ene knipwerkje.

afb 4

Aardig is een knipwerk van iemand uit Rijssen (afb 5). In een rechthoek met eenvoudige randversiering een hart tussen twee levens-bomen en daarboven de godin Fortuna met haar sluier en wiebelend op een bol, het fortuin is nooit zeker! Ook hier initialen van een bruidspaar RIvdB en GMGvD. Kom er maar eens uit; het jaar 1843 helpt ook niet. Wel heeft de maker zijn letters verwerkt WvD, dus mogelijk een broer van de bruid..

afb 5
Van een Nederlander die nu in Amerika woont, kregen we de vraag of we iets konden zeggen over een knipsel (6) dat in een familiebijbel uit Groningen was bewaard. De wilde randversiering is heel apart. De vliegende engel duidt waarschijnlijk op een Bijbelverhaal, maar we konden het niet thuisbrengen. Het ontbreken van tekst maakt de identificatie van de maker haast  onmogelijk.

afb 6, 7,5 x 11,5 cm

Tenslotte kregen we als reactie op ons artikel in Gen een afbeelding van een knipsel, in bezit van iemand in Zeeland (afb 7). Het is gemaakt voor Cornelia Dobbelaar, geboren op 27 maart 1744. We kregen er de volgende gegevens bij: Cornelia is op 21 februari 1800 in Middelburg overleden als echtgenote van de geneesheer Samuel de Wind (1742-1803) met wie ze in 1765 trouwde. Ook van de stijl van dit knipsel en de famen met hun toeters en carnavalachtige hoofddeksels, kennen we geen tweede voorbeeld.

afb 7
Het is maar een keus uit een veelheid van anonieme knipsels. In onze ambachtelijke knipgeschiedenis vond men het vaak niet nodig om de eigen naam te vermelden. Met een beetje geluk kunnen we hun woonplaats veronderstellen en hun periode van activiteit bepalen. Hoe meer we zien, hoe beter de traditie kan worden beschreven en knippers op naam gebracht worden.

Joke en Jan Peter Verhave