Auteursarchief: admin

Portretten van Knipkunstenaars, Steven Blankaart, Nieuwsbrief 2005-3/4

Deze keer wil ik u iets vertellen over een man die naast zijn studie en beroep tijd vond om zich met de schilderkunst, de dichtkunst en met de “papieren snykunst” bezig te houden. Steven Blankaart (1650-1704) – zijn naam wordt ook geschreven als Blanckaert, Blanckaardt en Stephanus Blancardus – stamde uit een oud aanzienlijk Nederlands geslacht dat verschillende bestuurders en geleerden heeft voortgebracht.
Zijn vader, Nicolaas Blankaart (1625-1702) studeerde in Leiden Oosterse talen en geschiedenis en gold als student al als een groot geleerde. Op 23-jarige leeftijd werd hij door de graaf van Bentheim tot hoogleraar wijsbegeerte en geschiedenis aan het gymnasium in Steinfurt aangesteld en enkele jaren later tot Raad en Minister van de graaf Zo begon een lange carrière waarin hij hoogleraar in de geschiedenis en oudheidkunde aan de Illustre School in Middelburg was, historieschrijver van die stad, daarnaast een studie in de geneeskunde afrondde en promoveerde op een proefschrift over de pest aan de universiteit van Harderwijk, daarna korte tijd als arts werkte en vervolgens professor aan de universiteit van Franeker werd. Tot slot werd hij lijfarts van prinses Albertine Agnes en kreeg hij het toezicht op de opvoeding van haar zoon Hendrik Casimir. Een lange lijst publicaties getuigt van zijn zeer werkzaam leven.

In februari 1650 was hij met Maria Eversdijk getrouwd. Het jonge paar had zich gevestigd op de Lange Viele in Middelburg waar op 24 oktober 1650 hun eerste zoon Steven geboren werd. In de jaren daarna volgden nog 6 kinderen. Steven bezocht de Latijnse school in Middelburg en omdat hij arts wilde worden, ging hij daarna enige tijd in de leer bij een apotheker om zich te bekwamen in de kruid- en scheikunde waarna hij wijsbegeerte en geneeskunde ging studeren aan de Hogeschool in Franeker waar hij op 18 december 1674 tot doctor in de wijsbegeerte en geneeskunde promoveerde, evenals zijn vader 10 jaar eerder. Hij vestigde zich als arts in Amsterdam en bleef daar zijn verdere leven wonen. Op 3 maart 1682 trouwde hij met Isabella de Carpentier. Ze kregen 2 zoons waarvan er een op 4-jarige leeftijd aan de kinderpokken overleed. De andere studeerde en promoveerde tot doctor in de rechten en werd raadsheer in de Kamer van Justitie der Stad en Lande van Vianen.

Als ontspanning beoefende Steven de schilderkunst, de dichtkunst en de zogenaamde “papieren snykunst”. Tijdgenoten waardeerden zijn prestaties wel, maar latere critici beoordeelden zijn kunstzinnige uitingen als zeer middelmatig, Helaas kunnen wij er geen oordeel over vellen, want er is niets van bewaard gebleven. Dat in tegenstelling tot zijn talrijke verhandelingen over meestal medische onderwerpen, gebaseerd op de moderne inzichten van zijn tijd en persoonlijke ervaringen, opgedaan in zijn praktijk als arts (praktizijn). Over die moderne ideeën schrijft hij in zijn “De Kartesiaanse Academie, ofte Institutie der Medicijne, behelsende de Gantsche Medicijne: bestaande in de leere der gesondheid en desselfs bewaringe, alsook der ongesondheid en haar herstellinge“. (1683) Hij draagt het boek op aan twee hoogleraren uit Franeker, een doctor in de geneeskunde uit Amsterdam en aan Jakob Leeuw, een taalkundige. Hij volgt in het boek de leer van Cartesius (René Descartes), die een nieuwe filosofische kijk op de wetenschapsbeoefening had: “niets aanneniende als ‘igene klaarlyk en onderscheidenlyk, sonder daar aan te konnen twyfelen, te begrypen is”. Hij wilde niet voortbouwen op de Griekse geleerden. “De Kartesiaanse Academie” bestaat uit vier delen: Physiologie, waarin hij het functioneren van het menselijk lichaam beschrijft. Deel twee gaat over voedingsmiddelen en geeft een uitvoerige beschrijving van de goede en kwalijke effecten die voeding ten gevolge kan hebben. Sommige van zijn aanbevelingen doen verrassend modern aan, zoals het eten van gemengd brood (half tarwe, half rogge) liefst met zemelen en het nuttigen van veel plantaardig voedsel en vruchten. Water is als drank het beste en bier en wijn dienen met mate gebruikt te worden. Maar niet al zijn adviezen zijn zo modern. Het drinken van vruchtensappen en karnemelk is uit den boze, veel te zuur! Tabak daarentegen kan niet veel kwaad. Integendeel, in “Gebruik en Misbruik van de Thee, Tabak en Coffee” 0686) schrijft hij: “Er is niets beter, ja selfs niets zo goed, wanneer men de geest wil inspannen en ‘t verstand in diepe bespiegelingen, in ‘t onderzoek van waarheden en de naspeuringen van deugd en wetenschappen te werk wil stellen, als een pyp tabak”. Verder geneest tabak tandpijn en “raauwheid en pyn in de keel”. Met een vooruitziende blik merkt hij op dat het zelfs voor vrouwen dienstig kan zijn dat ze roken en mogelijk zal hij die tijd nog beleven. Hij heeft het zelfs een keer gezien in de trekschuit. Het derde deel bevat een uiteenzetting over de ziekteleer of pathologie en in deel vier komt de geneesmiddelenleer met een beschrijving van de producten uit de apotheek aan bod.

Blankaart bevorderde met dit soort publicaties de democratisering van de wetenschap, wat hem niet door al zijn tijdgenoten in dank werd afgenomen. Wetenschap moest tot een kleine selecte kring beperkt blijven, vonden zij. Bovendien vonden zijn collega’s zijn theorieën met wetenschappelijk genoeg, omdat veel van zijn werken gebaseerd waren op ervaringen en observaties in zijn eigen praktijk. Zo schreef hij een verhandeling over de pokken nadat een zoontje op 4-jarige leeftijd aan die ziekte overleden was en in het voorwoord van “Verhandelinge van de opvoedinge en ziekten der kinderen” (1684) vermeldt hij het boek pas te hebben kunnen schrijven nadat hij zelf kinderen had. Aan alle aspecten van de opvoeding, beginnend bij de geboorte, wordt aandacht besteed. Direct na de geboorte moest met borstvoeding begonnen worden wat toen door de meeste artsen juist niet verstandig gevonden werd. Blankaarts commentaar luidde: “Men moet niet wijser wesen als den Maeker, welke een eerstgekraamde Vrouw de borsten met melk geladen gegeven heeft”. Ook in andere kwesties trok hij zich weinig aan van afwijkende (lees: ouderwetsere) opvattingen van zijn collega’s. Hij betitelde hen -met enige arrogantie- als “naamdokters“. Vrouwen die een min voor hun baby willen krijgen van hem ook de wind van voren: “… ‘t Is dikwijls datse aan de kinderen niet verbonden willen sijn, en geern geselschappen frequenteeren, of andere jufferlijke besoingies willen waarnemen, waar door se anders van de kinderen werden gefrustreert. Sulke Moeders sijn seker geen kinderen waart“. Een voedster is alleen in geval van nood toegestaan. Zo’n vrouw moet aan talloze voorwaarden voldoen wat betreft haar lichamelijke conditie, het voedsel dat ze gebruikt en de hoeveelheid, haar gedrag en ze moet bovenal godvrezend zijn, want “alle slechts komt met de melk mee“. Verder geeft Blankaart voorschriften over de bereiding van de pap, het wassen van de kinderen, het bedje, het verschonen (hygiëne vond hij erg belangrijk), het leren lopen, de noodzakelijkheid van speelgoed, het gebruiken van de rechterhand (desnoods de linker vastbinden!), het nut van spelen en praten met de kinderen. Dat leidt volgens hem tot latere studie. Zo gaat het tientallen bladzijden door. Leuk om te lezen en in die tijd waarschijnlijk revolutionair, maar slechts weinig mensen zullen in de omstandigheid verkeerd hebben om hun kinderen zo’n ideale opvoeding te geven, laat staan een boek te kopen en het ook nog te kunnen lezen. Het tweede deel van dit boek is een verhandeling over de kinderziekten en het genezen ervan. Vrijwel elke ziekte werd in die tijd beschouwd als een strijd tussen zouten en zuren in het lichaam. Die strijd woedde in de “pijpen en vaten of huisjes, groote en kleene zeer van elkander verschelende” waaruit het lichaam is opgebouwd. Verder kon het bloed te dun of juist te dik zijn, evenals het slijm. Veel medicijnen werden van planten gemaakt, maar ook gedroogd en daarna fijngemalen dierljk materiaal werd toegepast. Zo kon de strijd tussen zouten en zuren in het lichaam het best bestreden worden met fijngewreven kreeftenogen. Zoals dit boek een vroege voorloper lijkt te zijn van de 20ste eeuwse dokter Spock, zo lijkt Blankaarts “De borgerlyke tafel om lang sonder ziekten gesond te leven” (1683), dat het vorige boek gedeeltelijk overlapt, wel een vroege uitgave van het Voorlichtingsbureau voor de voeding. Men dient voortdurend alert te zijn op koude, zure en zoute spijzen. Voorts geeft Blankaart allerlei informatie over levensmiddelen, de voedingswaarde ervan, de bereiding van gerechten, de samenstelling van de maaltijden, de manier van slachten (voor elke diersoort apart beschreven), het belang van hygiëne bij de bereiding van voedsel en de noodzaak van drinken -liefst water- bij het eten.

Zelfs voorschriften over de wijze van opdienen, het aansnijden van groot vlees, zoals speenvarken of de kop van een wild zwijn, de zithouding tijdens het eten en de tafelmanieren ontbreken niet. Dat Blankaarts theorieën bij de bevolking aansloegen blijkt wel uit het grote aantal herdrukken, vaak met aanvullingen, dat zijn boeken beleefden en de vele vertalingen vooral in het Duits. In het voorwoord van de Duitse vertaling van de “Nieuw-ligtende Praktyk der Medicijnen en Verhandeling van de nieuwe Hedendaegze Chymia”, een standaardwerk destijds, heet het dat dit werk van Steven Blankaart “von grosser Curiositüt und Nutzbarkeit, dergleichen niemahien, so lange die Welt gestanden, an das Tagelicht gekommen is!”. Hij wordt daarin “weltberühmt” genoemd. Dit werk verscheen voor het eerst in 1678 en werd tot 1735 regelmatig herdrukt. Tot 100 jaar na zijn dood werd het nog gebruikt. Het werd evenals veel van zijn andere boeken uitgegeven door Johannes (Jan) ten Hoorn, boekverkoper over ‘t Oude Heeren Logement in Amsterdam.

Andere medische onderwerpen waar hij over schreef waren o.a. scheurbuik, jicht, legerziekten, chirurgie, het balsemen van lichamen en geslachtsziekten (Venusqualen). Daarnaast hadden ook de plant- en dierkundekunde zijn belangstelling, een arts in de 17e eeuw was meestal ook botanicus. In “Herbarium of Kruid-Boek” (1698) bespreekt hij maar liefst 510 mossen, hogere planten, heesters en bomen en hun betekenis voor voedsel en medicinaal gebruik.

In 1688 schreef hij “Schouwburg der rupsen” naar aanleiding van het geloof in de “zelfwording” van kleine diertjes in water of bedorven voedsel. De gangbare opvatting was, dat wonnen, rupsen en maden daarin vanzelf ontstaan. Hij verwierp die theorie en bewees in een wetenschappelijke redenering, dat onder andere menselijke wormen kunnen ontstaan door het eten van rauw (ongewassen) voedsel of zoetigheid waarop vliegen of andere insecten hun eitjes gelegd hebben. Bacteriën en andere ziekteverwekkers kende men nog niet. Behalve over dit onderwerp vertelt hij ook over de ontwikkeling van spinnen, torren, vliegen, bijen, kevers, slakken, aardwormen en vlinders, wier levenswijze en levenscyclus hij nauwkeurig bestudeerd en getekend heeft. Hij kweekte veel van deze diersoorten zelf op en correspondeerde over zijn bevindingen met andere geleerden. Hij betreurde het dat hij van Surinaamse vlinders, die hij waarschijnlijk alleen van afbeeldingen gekend heeft, niet de eieren en rupsen had om ze op te kweken en dat hij geen tijd had dat land te bezoeken. Het is niet onwaarschijnlijk dat dit boek Maria Sybilla Merian aangezet heeft tot haar reis naar Suriname in 1700.

Hij was ook de uitgever van het eerste medische tijdschrift, het “Hollands Jaar-Register der genees- en natuurkundige aanmerkingen van gantsch Europa”. Het verscheen van 1680-1688.

Over Blankaarts persoonlijk leven, bijvoorbeeld waar hij woonde, met wie hij bevriend was of beroepsmatig contact had, tot welke kerkelijke gezindte hij behoorde, heb ik niets kunnen vinden. Over zijn kunstzinnige uitingen wordt alleen melding gemaakt in biografische naslagwerken. De authentieke bronnen die deze gegevens geleverd hebben heb ik met kunnen achterhalen. Desondanks vonden we het de moeite waard om u met deze interessante 17 eeuwse arts kennis te laten maken

door Atty Broer

Geraadpleegde literatuur:
– “Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek”, P.C. Molhuysen en K.C. Kossman, Leiden, 1911-1937
– “Biografisch woordenboek der Nederlanden”, A.J. v.d. Aa, Haarlem, 1852-1878
– “Geletterd Zeeland”, De la Rue in “Levensberichten van Zeeuwen”
– “Bijdrage tot de studie der werken van Stephanus Blankaart”, Prof. Dr. J.J. Vandevelde, Gent, 1924
– “Stephanus Blankaart, Medicyne doctor, en Praktizyn”, door A.J.J. v.d. Velde, bij het derde eeuwgetij zijner geboorte, 1950
– Alle in de tekst genoemde boeken van Steven Blankaart zelf

Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 2005-3/4, een uitgave van Stichting W.Tj. Lever.

Wezel-Laan, Nel

Nel Wezel-Laan Bergen 1928 – 2022 Alkmaar

In de Beemster was Nel lid van de Plattelandsvrouwen en zag dat er kniples werd gegeven. Ze schreef zich in en kreeg les van To van Waning. Nel verwachtte les in patroonknippen, maar kreeg les in papierknippen. Ze vond het direct geweldig. Al snel ging ze zelf lesgeven. Aan de Plattelandsvrouwen, bij het Nivon in Heiloo en bij andere instellingen. Het was de missie van Nel om het ambacht van papierknipkunst over te dragen, ze wilde dat het ambacht bleef bestaan en gaf dat heel graag door.
Ze droeg de volkskunst een zeer warm hart toe. Dat kwam onder meer tot uiting in de voorbeelden die ze aandroeg in haar lessen: broodplanken, haardschermen, uleborden, geboortelepels en zo meer. Symboliek was een belangrijk thema in haar knipwerken.

Literatuur

Elk mens is uniek en zo is zijn profiel, Nieuwsbrief 2007-1


Er bestaat een foto van een zestienjarig meisje dat poseert in een zelfgemaakt ensemble, waarvan de donkerpaarsre rok geappliqueerd is met grote, witte viltfiguren: “silhouetten” dus. Dat meisje ben ik.

Toch was ik de veertig al gepasseerd toen ik voor het eerst kennismaakte met échte knipkunst. Tijdens een demonstratie van mevrouw Irma Kerp (toen 81 jaar!) raakte ik zo enthousiast, dat ik besloot les bij haar te nemen. Deze lessen resulteerden in een hechte vriendschap tussen haar en mij en veel later in een jubileum “Portretknippen”. Mevrouw Kerp was 84 jaar oud toen ze mij verzocht haar taak betreffende les geven over te nemen. Zestien woensdagen liep ik bij haar “stage” om dat te leren en al die tijd dacht ik: “Waar haal ik die humor en wijsheid vandaan?”. Aan het eind van die periode zei ze: “Lieve kind, je moet het me maar niet kwalijk nemen…ik vind het nog veel te leuk…ik houd er nog niet mee op!”. Het duurde nog twee jaar voor ik les ging geven onder andere aan de Volksuniversiteit van Woerden en Lelystad.

Ondertussen had ik ontdekt een goed gelijkend portret te kunnen knippen en dat werd binnen een jaar mijn beroep. Al gauw maakte ik deel uit van een groep “Oude Ambachten”. Een heerlijke tijd! We trokken door het hele land, beleefden veel en ik leerde de mooiste verborgen stadjes en plaatsen in Nederland kennen. Natuurlijk raakte ik geïnteresseerd in portretknippers van voor mijn tijd (o.a. Klaas Bakema en W.Tj. Lever). Zij moesten toch ook veel beleefd hebben. Helaas nergens kon ik iets op schrift gesteld vinden. Besloot het toen zelf te doen, materiaal genoeg! De titel had ik ook al: mijn “documentatie” zou “Profiel van een dwarskop” heten. Dat werd door Simon Carmiggelt een ”dijk” van een titel genoemd!. Nu nog een uitgever vinden. Na de zesde benaderd te hebben en ik de moed opgegeven had, zei de zevende er wel iets in te zien, mits ik er een cursus sierknippen bij zou schrijven. Daar zag ik weer niets in, maar ja, je wilt je werk toch gedrukt zien… Na de lessen van mevrouw Kerp, had ik ook Pools knippen geleerd van Marianne Schagen en natuurlijk al die jaren niet stil gezeten en een eigen stijl ontwikkeld. “Papierknippen, van hart tot hartewens” ontstond, met daarin opgenomen: “Profiel van een dwarskop”. Het kwam in 1988 uit -een maand voor het overlijden van mevrouw Kerp- ik kon het haar nog laten zien. Ze was er trots op dat een leerling van haar dat gemaakt had, maar ze zei: “Nu is mijn boekje (“Leer knippende zien”, E.S.) overbodig geworden!”. “Natuurlijk niet”, riep ik, “dat is het bijbeltje van de knipkunst!”. Postuum gaf ze mij het grootste compliment dat ik ooit heb gekregen. Toen we na haar begrafenis in de koffiekamer stonden, kwam één van haar kleindochters naar mij toe en zei: “Weet u wat mijn grootmoeder over uw boek zei?… Ik mag dan wel de bijbel van de knipkunst geschreven hebben, maar zij heeft het Nieuwe Testament gemaakt! “.
Mijn vier kinderen zijn altijd het belangrijkste in mijn leven geweest, maar het knippen zorgde voor aardige “illustraties”. Eens werd ik uitgenodigd door een dierenarts om ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan van de Dierartsenij-kunde in haar praktijk profielen van haar “patienten” te knippen. Het werden 50 profieltjes van honden, die rustig werden gehouden door de assistente die ze steeds maar hondenbrokjes voorhield. Ze was aan het eind van de dag net zo moe als ik! De laatste was een teckel van het mannelijk geslacht en die knipte ik als extraatje in zijn volle pracht. Dat ontlokte de dierenarts de verbaasde uitroep: Zelfs het vosje staat er op!”. Denkend aan een ludieke benaming van het mannelijk geslachtsdeel, ze ik: Ja, en toch het is een reu!“. Waarop zij begon te lachen en uitlegde dat het “vosje” het plukje haar is dat elk mannelijk zoogdier op zijn buik heeft. Het is maar een weet!

De dag dat Fiep Westendorp (februari 2004) overleed, werd ik ‘s morgens om 10 uur gebeld door de redactie van “Man bijt hond”: of ik even Jip en Janneke treurend bij een grafkruisje kon knippen. Even? Ja, het zou over een uurtje opgehaald worden! Jip en Janneke boeken waren wel in huis, maar om de (getekende) creatie van iemand anders in knippen om te zetten, het lijkt eenvoudig, maar is het niet… Enfin, in de uitzending van die avond werd de uitvoering ervan, omlijst met een passend muziekje, toch in beeld gebracht.

Ondertussen was ik verslingerd geraakt aan heksjes. Het is een vrolijk volkje dat je aardige dingen kunt laten doen. Bij tentoonstellingen werden de heksjes altijd als eerste verkocht, Op een gegeven moment raakte ik een beetje “heksenmoe” en de bron dreigde op te drogen. Toen ontstond het idee om er een boek van te maken, dan konden meer mensen ervan genieten tegen een billijker prijs dan die betaald moest worden voor de originelen.

Tegelijk ontstond het idee om -20 jaar na de eerste grote knipkunsttentoonstelling in ‘t Spant (1982)- een tweede knipkunsttentoonstelling aldaar te organiseren. In 1982 was ook in ‘t Spant door Lies Markus de kiem gelegd voor de knipvereniging, die in 1983 haar vaste vorm kreeg. Na een jaar noeste arbeid had ik 23 knipkunstenaars bij elkaar, vanaf een aantal van het eerste uur tot en met hedendaagse knipsters en knippers.

Hendrieke Meursing knipt Tobia Lever en Elly’s heksen

De opening werd verricht door Tobia Lever en het boek “De Heksen uit de Gouden Bergen” werd gepresenteerd door een stoet van kleine heksjes (waaronder twee kleinkinderen) aangevoerd door de hoofdheks Dennis (oudste zoon en mime-speler). Het werd (na de eerste in 1982) weer één van de drukst bezochte tentoonstellingen in ‘t Spant. En nu, 25 jaar nadat ik mijn eerste portretje knipte en, meer dan 15.0000 portretjes verder, vind ik het nog steeds het mooiste beroep van de wereld!

Elly Stroucken-de Jager
Geboren te Amsterdam, 12 mei 1938

Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 2007-1, een uitgave vanStichting W.Tj. Lever.

Broeck, Eugeen van den

Eugeen van den Broeck Opwijk (BE) 1910-1997 Asse (BE)

Werkzaam als journalist-redacteur en tekenaar, was Eugeen (‘Zjeun’) actief in heemkunde en Vlaams cultureel leven. Hij ontwierp vaandels en spelen, en knipte ex-librissen,  herdenkingsstukken van evenementen en voor bruisparen of geboorten. Meestal was de basis symmetrisch, maar de teksten en afbeeldingen verschilden.

Literatuur
  • Drie generaties knip- en snijkunst in Vlaanderen. Prov. Openluchtmuseum Bokrijk, 1988
  • Rene de Rop, Eugeen van den Broeck, Geknipt en berijmd. Heemkring Ascaria, 2010

24 x 26 cm

Vervoort, Maria Catharina

Maria Catharina Vervoort Lier (BE) plm 1855 – 1929 Antwerpen (BE)

Maria was kleermaakster, met een klein atelier in Antwerpen. Volgens de verhalen werkte ze met een grote schaar en zonder voortekening. Haar vazen met bloemen uit dubbelgevouwen papier zijn eenvoudig van stijl, maar gedetailleerd uitgewerkt (afb. 21 x 17 cm). Vogels en harten heeft ze ook geknipt. Ze was gehuwd met A. Badet.

Literatuur
  • Drie generaties knip- en snijkunst in Vlaanderen. Prov. Openluchtmuseum Bokrijk, 1988

21 x 17 cm

Portretten van knipkunstenaars, Anna Maria van Schurman, Nieuwsbrief 2005-2

collectie Museum Catharijneconvent, Utrecht

De tweede knipster die onze aandacht verdient is Anna Maria van Schurman (1607-1678). Ze werd op 5 november 1607 in Keulen geboren. Haar grootouders waren oorspronkelijk afkomstig uit Antwerpen, maar omdat ze zich bekeerd hadden tot het calvinisme moesten ze na de bezetting door de Spaanse troepen onder leiding van Alva Antwerpen ontvluchten. Ze woonden enige tijd in verschillende plaatsen in Duitsland en vestigden zich tenslotte in Keulen. Daar trouwden in 1602 Frederik van Schurman en Eva von Harff de ouders van Anna Maria en haar drie broers. In 1615 verhuisde het gezin naar Utrecht waar Anna Maria het grootste deel van haar leven zou blijven wonen.

collectie Centraal Museum

 

 

Haar ouders waren beide van adel en waarschijnlijk zo bemiddeld, dat haar vader geen beroep behoefde uit te oefenen. Hij besteedde veel aandacht aan de ontwikkeling van zijn kinderen en gaf ze enige tijd zelf huisonderricht. De kleine Anna Maria bleek een buitengewoon getalenteerd kind te zijn. Op haar derde jaar kon ze de bijbel en de catechismus al lezen. Schrijven leerde ze spelenderwijs en na enkele jaren kon haar schoonschrift de vergelijking met dat van de beroemdste schoonschrijvers doorstaan. Ze calligrafeerde talloze Nederlandse teksten, maar ook Griekse, Hebreeuwse, Arabische, Syrische en teksten uit andere oosterse talen.

Later zou ze zich al deze talen door zelfstudie eigen gemaakt hebben, maar behalve de gecalligrafeerde teksten zijn er geen geschriften van eigen hand bekend. Veel van deze “schoonschriften” of “penneschriften” werden voor veel geld gekocht door kunstverzamelaars.

Behalve dat ze prachtig kon schrijven was ze op haar zesde jaar al zeer bedreven in het knippen en snijden van papieren afbeeldingen. Ze knipte naar voorbeelden, tekeningen of schilderijen, maar ook naar eigen fantasie. Dr. G.D.J. Schotel beschrijft in zijn biografie “Anna Maria van Schurman” (1853) enkele knipsels als volgt: “…bloemen in hare ware grootte, onnavolgbaar kunstig en natuurlijk geknipt, die vergeet-mij-nietjes, viooltjes, angelieren, astertjes, sterrebloempjes, kievietsgras en andere bloemen, elk met haar eigenaardig loof kunstig geschakeerd en gegroepeerd, en zoo uitvoerig behandeld, dat zelfs de meeldraadjes der planten niet gemist worden… “ Deze bloemen hangen boven en slingeren tussen de wapens van de families Van Schurman, Van der Haer, Graphens en Van Kinschot. Later onderzoek naar dit knipwerk heeft uitgewezen dat het hier beschreven knipsel niet door Anna Maria gemaakt is, maar door Otto van Voorst. Schotel vermeldt verder een knipwerk, “een boschje of heestergewas, geheel uit takken en bladeren bestaand, met het naamcijfer onzer jonkvrouw erboven, en eene ster er onder”.

collectie Museum Martena Franeker

Een derde knipwerk laat vergeet-mij-nietjes, korenbloemen met een musje en een puttertje zien. Haar “penneschriften” versierde ze soms ook met knip-en snijwerk. Ze bootste niet alleen de natuur na, maar “hare schaar gaf ook onsterfeljkheid aan vorsten, vorstinnen en geleerden. Haar afbeeldsels waren van een sprekende gelijkenis en wedijverden met die van Johanna Koerten.“ Schotel schrijft, dat er nu (in 1853 dus) “slechts weinige proven van deze brooze kunst meer voorhanden zijn”. Dat klopt ook wel, want Anna Maria heeft heel veel van dit werk -wat zij zag als kinderspel- verbrand. Over de enkele werkjes die nog aan haar toegeschreven worden bestaat tegenwoordig twijfel of ze niet vóór haar in plaats van dóór haar gemaakt zijn. Haar kunstzinnige bezigheden bleven niet beperkt tot het knippen en snijden van papieren voorstellingen. Met acht jaar begon ze met tekenen en schilderen, wat ze niet onverdienstelijk deed, hoewel ze er volgens eigentijdse kunstenaars niet die hoogte in bereikte als in andere kunsten. Er zijn hoofdzakelijk miniatuurtjes van familieleden en zelfportretten bewaard gebleven.

Meer waardering oogstte haar boetseer- en beeldhouwwerk. Ze sneed in hout, ivoor en marmer. Van was boetseerde ze bloemen en vruchten, die volgens Schotel niet van echt te onderscheiden waren. Toen ze op haar elfde jaar leerde borduren, had ze die kunst in drie uur onder de knie. Enkele bewaard gebleven werkjes bevinden zich in Museum ‘t Coopmanshûs in Franeker. Daar zijn een geborduurd anjertje en een borduursel met viooltjes, vogeltjes en fruitmanden en een geborduurd landschapje te zien, die alle drie aan Anna Maria toegeschreven worden. Verder zijn er een bijbeltje en twee boekjes met geborduurde omslagen afkomstig uit de nalatenschap van Anna Maria.

collectie Museum Martena Franeker

collectie Museum Martena Franeker

Of het borduurwerk door haar zelfgemaakt is, is niet helemaal zeker. In het Rijksmuseum bevinden zich twee geborduurde tasjes. Op het ene bestaat de versiering uit gestileerde bloemenranken van gouddraad, hier en daar ingevuld met pareltjes. Tussen de ranken zijn medaillons aangebracht waarin telkens een hart doorboord met twee pijlen staat, Op het tasje zijn monogrammen aangebracht die staan voor de namen van een oom en tante. Het lijkt waarschijnlijk dat Anna Maria het voor haar tante gemaakt heeft, vooral daar het tasje uit haar nalatenschap afkomstig is.

collectie Rijksmusem en Centraal Museum Utrecht

In het Rijksmuseum heeft men twee glazen die door haar gegraveerd zijn. Graveren had ze geleerd van Magdalena van der Passe, een dochter van de bekende graveur Crispijn van der Passe. Ze gaf de door haar met opschriften en afbeeldingen versierde glazen cadeau aan familie en vrienden. Alsof het allemaal nog niet genoeg was leerde ze ook nog musiceren. Ze zong verdienstelijk en speelde luit, cimbaal en viool. Doordat sommige van haar kunstwerken voor vrij veel geld verkocht werden, soms ook aan buitenlandse bezoekers, kreeg ze een grote bekendheid en werd veelvuldig geroemd. Ze werd onder andere “een tiende muze”, een “kunstorakel” of “Schmuck der Welt” genoemd.

Haar vele kunstzinnige activiteiten verhinderden haar geenszins om tegelijkertijd haar andere studies ook voort te zetten, die naarmate ze ouder werd de overhand kregen. Naast dit kinderspel, zoals ze deze bezigheden later betitelde, bestudeerde ze vanaf het moment dat ze lezen kon de meest uiteenlopende vakgebieden. Op haar zesde jaar kon ze het Oude Testament in de oorspronkelijke taal, het Hebreeuws lezen. Ze leerde daarnaast Latijn, Frans en Grieks, de talen van de wetenschap in de 17de eeuw, maar ook Spaans, Italiaans, Engels en Duits. De overlevering wil, dat ze dat allemaal op eigen kracht deed aan de hand van geschriften uit binnen en buitenland. Er was geen onderwerp of vakgebied, dat haar niet interesseerde. Maar of het nu om aardrijkskunde , meet- of rekenkunde, geschiedenis en staatszaken, anatomie, botanie of astrologie ging, de letterkunde, wijsbegeerte en vooral de theologie kwamen voor haar op de eerste plaats en vooral dat laatste slokte tenslotte al haar aandacht op.

collectie Rijksmuseum

Ze schreef in het Latijn of Frans commentaren op wat ze las, maar schreef zelf ook artikelen, veelal in dichtvorm. Ze trok hiermee al vroeg de aandacht van diverse geleerden. Op haar 14e jaar had ze al zoveel bekendheid gekregen, dat Jacob Cats haar een waarderende brief schreef Ze beantwoordde die met een lang Latijns gedicht waarin ze zijn werk als staatsman en als letterkundige bewonderde. Het was het begin van een jarenlange briefwisseling en vriendschap met de 30 jaar oudere Cats. Zijn lange gedicht “Trouringh” (1637) droeg hij aan haar op met de woorden: “Aen ‘t wonderstuk van onsen tyt, dat ghy, ô jonck-vrou Schuermans, syt.” Cats maakte zijn vrienden op haar attent en zo kwam ze in contact met de bekendste Nederlandse geleerden van de 17 eeuw, zoals Huygens Barlaeus, Heinsius, De Groot, Voet en Rivet. Met de laatste twee disputeerde ze jaren over de interpretatie van bijbelteksten.

Voet, collectie Rijksmusem

In 1623 verhuisde het gezin Van Schurman naar Franeker waar haar vader aan de universiteit de godsdienstcolleges van de puriteinse leraar William Ames wilde volgen en haar broer Johan Godschalk medicijnen ging studeren. Helaas overleed tot haar groot verdriet haar vader al kort na de vestiging in Franeker. Op zijn sterfbed zou hij haar “ernstig en vurig” gebeden hebben niet te trouwen, “opdat zij zich niet onvoorzigtig in de strikken der wereld mogt wikkelen“. Of ze dat beloofd heeft is niet bekend, maar ze is in ieder geval nooit getrouwd. Johan Godschalk had naast zijn medische studie net als zijn zuster grote belangstelling voor letterkunde en theologie en hij kende veel geleerden. Door hem breidde Anna Maria’s vriendenkring zich verder uit. Ze leerde onder andere de Dordtse arts Beverwijck kennen en zijn twee dochters, die een soortgelijke opvoeding gekregen hadden als Anna Maria. Ze raakte met hen bevriend en de dames bezochten elkaar regelmatig. Zodra Johan Godschalk zijn studie beëindigd had keerde het gezin terug naar Utrecht waar het zich vestigde in het huis ‘De Lootse” op de hoek van het Domkerkplein samen met enkele, in verband met de dertigjarige oorlog, uit Duitsland gevluchte familieleden.

In 1636 werd de universiteit van Utrecht geopend. Ter gelegenheid van die gebeurtenis schreef Anna Maria een lang feestgedicht. Ze werd beloond met de toestemming om -weliswaar vanuit een speciale ruimte, afgescheiden met een gordijn- de colleges te volgen. Na een jarenlange briefwisseling met de theoloog Rivet over de positie van de vrouw verscheen in 1641 haar “Dissertatio” waarin ze het recht van de (christelijke) vrouw bepleitte om de wetenschap te beoefenen. Voor haar gold wel dat deze studies gericht moesten zijn op een beter begrip van de bijbel en de godgeleerdheid. Daartoe diende haar eigen studie van Hebreeuws, Latijn, Grieks, Chaldeeuws (Aramees) en andere talen van het Midden Oosten ook in de eerste plaats. Het boekje werd door een groot aantal geleerden met instemming begroet. Het werd in het Frans en Duits vertaald en raakte zo tot ver over de grenzen bekend.

Behalve veel positieve reacties onder meer van andere geleerde vrouwen uit het buitenland die haar stimuleerden op de ingeslagen weg verder te gaan, viel ook negatieve kritiek haar ten deel, vooral van theologen die niets wilden weten van vrouwen die wetenschap beoefenden. In felle geschriften waarin ze nogal eens tamelijk onchristelijk te keer gingen bestreden voor- en tegenstanders elkaar. Ook haar “Over den paelsteen onzes levens” had de pennen van voor- en tegenstanders van haar opvattingen in beweging gebracht. Daarin beweerde ze dat de levensloop van de mens vanaf zijn geboorte tot zijn dood vast staat. Gezien de stijl en de schoonheid van haar taalgebruik werd het artikel door letterkundigen en rechtzinnige godgeleerden hogelijk geprezen, maar bij remonstranten en lutheranen viel het allerminst in de smaak. Zij vonden juist dat de levensloop van de mens door allerlei invloeden van buiten aan verandering onderhevig kon zijn.

Vanaf 1637 veranderde haar leven drastisch. Haar moeder overleed en nu kreeg zij de verantwoordelijkheid voor de huishouding, de tuin en de verzorging van de twee ziekelijke tantes, Sybilla en Agnes von Harff. Voor wetenschapsbeoefening en kunst was weinig tijd meer. Het contact met haar vrienden verminderde, maar ze beklaagde zich er niet over. Integendeel, ze zag het als een plicht die God haar voorschreef en ze beperkte haar zorg niet tot de eigen huishouding, maar ondersteunde tevens zieken en behoeftigen in haar omgeving. Ze nam afstand van haar vroegere leven. Ja, ze verweet zichzelf dat ze “niet nederig en ootmoedig geweest was en niet ongevoelig voor de stem des lofs“, de lof die haar zo veelvuldig toegezwaaid was: “het puik en de kroon aller geleerde vrouwen“, “de waarachtige zon der geleerden“, “een phoenix in geleerdheid” zijn maar enkele van de loftuitingen. De eerste tien jaar bezocht ze nog wel eens vrienden en ze reisde zelfs nog met haar broer en de beide tantes naar Keulen om bezittingen van de Von Harffs die hen onrechtmatig afgenomen waren terug te vorderen. Het verblijf duurde ruim anderhalf jaar en Anna Maria ervoer het als een ballingschap, vooral omdat ze de gereformeerde geloofsgemeenschap miste. Keulen was rooms-katholiek en alle protestante kerkdiensten en andere bijeenkomsten waren verboden. Ze maakte tijdens het gedwongen verblijf in Keulen een lang gedicht, waarin ze Utrecht met Keulen vergeleek. De eerste regel luidt: “0, Utrecht, lieve stadt, hoe soud ick U vergeeten” . Het hele gedicht ademt heimwee uit. De vergelijking tussen de beide steden viel in het voordeel van Utrecht uit. Terug in Utrecht kwam ze terecht in felle kerkelijke twisten die zelfs een scheuring in de kerk tot gevolg hadden. Verbitterd besloot Anna Maria met het gezin de stad te verlaten en zich op het platteland te vestigen. Lexmond, een klein dorp aan de Lek werd de nieuwe woonplaats. Ze bleven er twee jaar. Beide tantes stierven er en werden er begraven, 89 en 91 jaar oud. De laatste tien jaar waren ze vrijwel blind en bedlegerig geweest.

Jean de Labadie, collectie Rijksmusem

In 1662 keerde ze alleen naar Utrecht terug. Haar broer Johan Godschalk (de enige die nog leefde) was het jaar daarvoor naar Duitsland en Zwitserland vertrokken om er collega’s te ontmoeten en aan hogescholen redevoeringen te houden. Na zijn medicijnenstudie had hij zich niet als arts gevestigd, maar had hij zich geheel aan de letteren en aan geloofszaken gewijd. In Genève maakte hij kennis met Jean de Labadie (1607-1673) een zeer rechtzinnig predikant die streefde naar een (nieuwe) kerkhervorming. Door sommigen werd hij verafgood als een groot kerkhervormer, maar door velen verguisd als de “ergste ketter en scheurmaker”. Hij werd de stichter van een piëtistische sekte, die de nadruk legde op de praktijk van het christendom. Zijn hoogste ideaal was een groepsleven zoals de eerste christengemeenten geleid hadden. Jan Godschalk raakte diep onder de indruk van deze charismatische prediker. Bij zijn terugkomst in Holland maakte zijn verslag over De Labadie zo’n indruk op Anna Maria dat ze deze man beslist wilde ontmoeten. Dat gebeurde enige tijd later toen De Labadie door bemiddeling van Jan Godschalk in de Waalse gemeente in Middelburg beroepen werd. Met een vriendin bracht ze enkele keren geruime tijd in Middelburg door om De Labadies preken te horen en met hem van gedachten te wisselen. Al vrij snel kreeg men in Middelburg genoeg van het extremisme van de nieuwe predikant en toen hij zich na herhaalde waarschuwingen niet matigde, werd hij uit zijn ambt gezet. Daarop scheidde hij zich af van de gereformeerde kerk, ging met enkele aanhangers en studenten naar Amsterdam en begon er een huisgemeente. De leden ervan distantieerden zich van alle “ongelovigen“en “naam-christenen” om besmetting te voorkomen. Anna Maria sloot zich als een van de eersten bij hem aan. Smeekbeden en raadgevingen van haar vrienden om haar van gedachten te doen veranderen mochten niet baten. Ook de kritiek van haar vrienden en van de officiële kerk op de sektevorming van De Labadie legde ze naast zich neer. Samen met een vriendin, een elfjarig neefje, twee vrouwen met hun kinderen en twee dienstmeisjes nam ze haar intrek in het grote pand dat De Labadie in Amsterdam bewoonde. Ook daar waren ze niet erg welkom en in 1670 moesten ze er weg. De groep kreeg onderdak in Herford in Westfalen bij prinses Elisabeth van de Palts, een vriendin van Anna Maria. Vandaar verhuisde de groep naar Altona bij Hamburg en tenslotte vond ze een vaste woonplaats op het landgoed Thetinga (Waltha state) bij Wieuwerd in Friesland.

Het was bezit van Cornelis van Aersen, gouverneur van Suriname, wiens drie zusters ook tot de labadistengemeente behoorden. Het laatste werk dat van Anna Maria’s hand verscheen en waar ze tien jaar aan gewerkt had was “Eucleria, of Uitkiezing van Het Beste Deel” (1673) waarin ze terugkijkt op haar jeugd en de periode van studie en haar leven in de huisgemeente van Jean de Labadie, wat zij als Het Beste Deel beschouwde.

Op 4 mei 1678 overleed ze in Wiewerd en werd er in de kerk begraven. Enkele jaren voor haar dood had ze al haar brieven en waarschijnlijk ook teken-, borduur- en knipwerk verbrand.

Zoals Mirjam de Baar terecht stelt was Anna Maria van Schurman “een uitzonderlijk geleerde vrouw”, die al meer dan 300 jaar regelmatig een historica(-cus) beweegt haar leven en werk tot onderwerp van studie te maken.

Geraadpleegde literatuur:
– ‘De Groote Schouburgh der Nederlandsche Kunstschilders en Schilderessen”, A. Houbraken, 1753 (1943)
– “Biografisch Woordenboek der Nederlanden” dl. 17, A.J. van der Aa, Haarlem, 1874
– “Anna Maria van Schurman”, Dr. G.D.J. Schotel, ‘s Hertogenbosch, 1853
– “Anna Maria van Schurman, een uitzonderlijk geleerde vrouw”, Mirjam de Baar e.a., Walburgpers, 1992
– “Utrechtse biografleën”, dl.1, J. Aalbers e.a., Utrecht, 1994
– Artikel uit een “Kölnische Zeitung” van 1916
– Artikel op internet van Mirjam de Baar

 

door Atty Broer
Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 2005-2, een uitgave van het museum van Knipkunst en Stichting W.Tj. Lever.

Portretten van knipkunstenaars, Agnes Block 2, Nieuwsbrief 2005-2

Links zit de godin Flora. Achter haar staat op een zuil een beeld van Aesculapius, een verwijzing naar de geneeskrachtige kruiden in Agnes’ tuin. Links van Flora en onderaan zijn de vier werelddelen uitgebeeld. Azië door een kind op een kameel, Amerika door een jongetje met een Indianentooi op zijn hoofd. Onder de koepel symboliseert een negerjongetje Afrika en Amor met zijn pijlenkoker stelt blijkbaar Europa voor. Alle kinderen hebben potten met exotische planten, die ze naar Vijverhof brengen o.a. weer een ananasplant. Vanuit de hemel doet een nimf met haar adem de bloemen ontluiken. Op de voorgrond ligt een opgerolde tekening en enkele ronde dozen.

Hoewel we dus geen knipwerk van Agnes Block meer terugvinden in musea of andere verzamelingen weten we toch vrij veel van haar levensloop en haar interessen. Maar hoe was ze als mens? Hoe was bij voorbeeld de relatie tot haar (stief)kinderen? Pieter was een baby toen zij de zorg voor hem kreeg en de dochtertjes van De Flines waren ook nog maar 12 en 13 jaar toen Agnes met hun vader trouwde. Ook over familiegebeurtenissen en bezoeken over en weer wordt nergens een woord gerept. Het enige wat ze nagelaten heeft zijn een aantal testamenten waaruit misschien iets over haar karakter valt te concluderen.

In 1694 maakte Agnes een testament dat twee eerdere uit veel vroeger jaren verving. Ze bepaalde er in welk nichtje onder haar erfgenamen -eigen kinderen had ze niet- op door haar gestelde voorwaarden Vijverhof “moest” kopen voor f 13.000 (in mindering te brengen op haar erfportie) en daarbij zou verkrijgen: “alle haer konst van vogeltjes, planten en kruiden, en andere gewassen”, met waterverf gedaan of geschildert, om by de voorsz.hoffstede te verblijven“. Verder bepaalde ze dat Sybrand de Flines na haar dood nog 1 à 2 jaar op Vijverhof mocht blijven wonen tegen een huur van f 300,- , maar hij moet dan wel eventuele reparaties zelf betalen! Hij was op het moment dat Agnes dit schreef al 71 jaar en woonde al meer dan 20 jaar met haar op Vijverhof. Gelukkig voor hem heeft hij de vernedering het huis te moeten ontruimen niet mee hoeven maken. Hij overleed in 1697 op 74-jarige leeftijd. Agnes maakte een nieuw testament en beschreef nog uitvoeriger dan de vorige keer welke stiefkinderen, (achter)neven en nichten en hun kinderen wat zouden erven en vooral ook wie niets mocht krijgen. Ze hield de handel en wandel van alle familieleden nauwlettend in de gaten en als die haar niet zinde kreeg de betreffende niets. Zo had ze een neef een zekere Ameldonck Blok, die meer geïnteresseerd was in de wetenschap dan in de handel of de kunst. Hij vertaalde onder andere het boek “Medicina mentis” van de Duitser Tschirnhaus waarin duidelijk de invloed van Descartes en Spinoza te bespeuren viel in het Nederlands. Het boek verscheen in Amsterdam. Verder vertaalde hij een handboek over natuurkunde uit het Frans. Deze activiteiten konden in Agnes’ ogen geen genade vinden en dus werd hij onterfd. Zo ging het met nog -in haar ogen- enkele zwarte schapen. In 1700, 1702 en 1703 maakte ze nieuwe testamenten en werd een codicil toegevoegd of een eerder vernietigd, sommige begunstigden vielen af, andere kwamen erbij. Er waren ontelbare wijzigingen en voorwaarden. Slim (of sluw?) was de bepaling in haar laatste testament dat Jacob de Flines, die haar geld schuldig was, de legaten aan zijn kinderen en enkele neven en nichten uit dat bedrag moest betalen. Het lijkt er op dat Agnes de laatste jaren van haar leven voortdurend angst gehad heeft haar bezit teloor te zien gaan. Uit de eindeloze lijst van voorwaarden en bepalingen blijkt dat ze zelfs na haar dood de touwtjes nog in handen wilde houden. Ook tijdens haar leven was al gebleken dat ze een zeer verstandelijk ingestelde vrouw was bijvoorbeeld bij de aan- en verkoop van percelen land waarmee ze zich naast de aankoop van Vijverhof bezig hield. Had misschien de aarzeling om met De Flines te trouwen daar ook iets mee te maken? De bepaling in haar testament dat hij na haar dood het huis zou moeten ontruimen lijkt ook meer te wijzen op liefde voor haar bezit dan voor haar man.

Agnes overleed zelf op 20 april 1704 in haar huis op de Herengracht waar ze altijd een kamer voor zich zelf behouden had. Ze werd tot haar dood verzorgd door een nichtje en haar man die het huis al jaren bewoonden.

Al een jaar na haar dood verkochten de erfgenamen “Alle haer konst van vogeltjes, planten en kruiden en andere gewassen, met waterverf gedaan of geschildert” voor een paar honderd gulden aan Valerius Röver, een kunstverzamelaar, die Agnes’ driedelige Memorie gelukkig in zijn Catalogus overnam, maar ook haar boeken bewaarde. Na zijn dood verkocht zijn weduwe zijn kunstkabinet voor f 40.000 aan landgraaf Willem VIII van Hessen-Kassel waardoor de hele kunstverzameling in het museum van Kassel terecht kwam waar ze nog steeds een belangrijk deel van het bezit uitmaakt. De tekeningen en aquarellen en Agnes’ “konstboeken” zijn er helaas niet meer. De inhoud kennen we dankzij het feit dat Röver die overschreef in zijn eigen Catalogus. Bekend is dat Jérôme Bonaparte in 1813 op de vlucht naar Frankrijk een groot aantal tekeningen en gravures meegenomen heeft. Nasporingen hebben uitgewezen dat het spoor van dit transport bij Giessen dood loopt. De kunstschatten waaronder waarschijnlijk Agnes’ “konstboeken” zijn nooit in Parijs aangekomen.

Zo is er dus niets tastbaars van deze knipster bewaard gebleven, zelfs niet de afbeelding van een schaartje.

Bronnen:
– “Agnes Block, Vondels nicht en vriendin “, Dr. C.C. van de Graft, (Bruna & zn.,, Utrecht, 1943
– “Papieren knip- en snijkunst, vroeger en nu “, artikel van Dr. C.C. van de Graft in Historia,13 (1948)
– “Papieren knipwerk”, artikel van Dr. C.C. van de Graft in Historia, 11 (1946)

door Atty Broer
Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 2005-2, een uitgave van het museum van Knipkunst en Stichting W.Tj. Lever.

Expositie Januszewski, Nieuwsbrief 2005-1

In 2003 ontvingen we in twee fasen een belangrijke schenking van het klooster Bethanië in Venlo (zie Nieuwsbrief maart 2003). In januari overhandigde zr. Imelda Blom ons 75 knipsels (waarvan 4 ingelijst), 36 schetsontwerpen (waarvan een deel al gedeeltelijk met de schaar uitgewerkt), 226 (professie)prentjes naar geknipt ontwerp, 182 uit publicaties geknipte illustraties, enige boeken en tijdschriftartikelen met geknipte afbeeldingen, kaarten, foto’s een tekening van Bethanië in kersttijd en een door zr. Imelda samengesteld plakboek met biografische informatie over knipster Gertrud Januszewksi (1911-2001). In het najaar kwamen nog eens 15 ingelijste knipwerken, afkomstig uit de kruisgang van het klooster, naar Schoonhoven. In maart en april van 2003 toonden we al een keuze uit deze nieuwe museumaanwinst, van 1 maart t/m 29 mei 2005 exposeren wij nagenoeg de gehele schenking.

Om twee redenen is het werk van Januszewski voor ons museum van belang. Allereerst om de kwaliteit van haar knipwerk. De knipsels -die Jugendstil invloeden verraden- zijn soepel, met vloeiende en ronde vormen, geknipt en zeer delicaat uitgewerkt. In de tweede plaats om de uitgebeelde onderwerpen. Dit geldt zowel voor de schitterende kindervoorstellingen (zie voorpagina) als voor de indrukwekkende religieuze stukken. Tijdens de voorbereiding van deze expositie kwamen wij in contact met de Stichting Kerkelijk Kunstbezit in Nederland. Deze instelling heeft enige jaren geleden een inventarisatie verricht in Bethanië men kende daar dus ook het werk uit de kruisgang. Op hun website (www.skkn.nl) is onder de noemer “Object van de Maand” in maart aandacht besteed aan Gertrud Januszewski, met verwijzing naar de tentoonstelling in ons museum.

door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 2005-1, een uitgave van het museum van Knipkunst en Stichting W.Tj. Lever.

Werk van Januszewksi, voor de museumverzameling, Nieuwsbrief 2003-1

In de nieuwsbrieven van september en december 2002 hebben we al de nodige aandacht besteed aan het werk van knipster en beeldend kunstenaar Gertrud Januszewski (1911-2001). Aanleiding was de schenking van een deeltje uit de driedelige reeks “Buiten Spelen”, dat door Gertrud werd geïllustreerd met knipwerk. Hierdoor kwamen we in contact met zr. Imelda Blom van het klooster Bethanië in Venlo, waar nog veel werk van Januszewski aanwezig is in de kruisgang van het klooster. Zr. Imelda stuurde ons diverse prentjes en ook enige knipsels en schetsontwerpen en we beschouwden deze gift al als een prachtige uitbreiding van onze museumverzameling. Het was dus een enorme verrassing dat we eind van het jaar vanuit Venlo te horen kregen dat zr. Imelda het door haar bijeengebrachte materiaal van en over Gertrud aan ons museum wilde schenken. De overdracht van deze nieuwe aanwinst heeft op 7 januari 2003 in Venlo plaatsgevonden, hierbij was ook knipster Netty Huberts-Haanen aanwezig. De omvangrijke schenking bestaat uit maar liefst 75 knipsels (waarvan vier ingelijst), 36 schetsontwerpen (waarvan een deel al gedeeltelijk met de schaar uitgewerkt), 226 (professie)prentjes met afbeeldingen van knipwerk, 182 uit publicaties geknipte afbeeldingen, enige boeken en tijdschriftartikelen met geknipte illustraties, kaarten en foto’s, een tekening van Bethanië en een door zr. Imelda samengesteld album met alle biografische gegevens van Gertrud.

Hierin vonden we dat Gertrud Januszewski uit Poolse ouders in 1911 te Berlijn is geboren. Aanvankelijk werkte ze als beeldend kunstenaar en illustratrice in Duitsland en in 1934 won ze een afficheprijsvraag van Propagande Fide in Rome. Met het geld van die prijs kon zij gaan reizen en kwam ze uiteindelijk in Nederland terecht. Daar nam zij haar intrek bij de zusters Dominicanessen in Venlo en later bij de zusters in Sittard. In Venlo maakte zij vele knipwerken met religieuze onderwerpen en kindervoorstellingen. Zij illustreerde diverse religieuze bladen met haar knipwerk en zorgde ook voor de illustratie van de drie deeltjes van “Buiten Spelen” die in 1946 werden uitgegeven door klooster Bethanië. Door haar werk kwam zij in 1955 in contact met de graficus Huub Levigne en door hem met de Jan van Eyck Academie in Maastricht, waar zij een opleiding beeldhouwen ging volgen. Daar heeft Januszewski zich verder ontwikkeld tot een gewaardeerd kunstenares, bekend onder andere door haar Ezeltje op de Ezelmarkt en Kruiswegstaties in de Sint Servaas. In 1960 ontving zij de Prijs der Stad Maastricht voor haar werk.

Conservator Tobia Lever heeft er de afgelopen tijd hard aan gewerkt een belangrijk deel van het knipwerk van Gertrud in passepartouts en lijsten te zetten, zodat dit, aangevuld met prentjes, boeken en documentatiemateriaal in vitrines, in de maanden maart en april in het museum kan worden gepresenteerd. Aansluitend bij de thema’s van de Culturele Zondag (6 maart en 20 april) ligt in maart de nadruk op de kindervoorstellingen en komt het religieuze werk in april meer aan bod.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 2003-1, een uitgave van het museum van Knipkunst en Stichting W.Tj. Lever.

Gertrud Januszwski, Nieuwsbrief 2002-4

Zr. Imelda van het Klooster Bethanië in Venlo stuurde ons een reeks prentjes van het religieuze werk van Gertrud Januszewski, nadat wij telefonisch met haar contact hadden over een boekje uit de serie “Buiten Spelen”. (zie Nieuwsbrief 2002-3) Voor deze nieuwsbrief hebben we daaruit een keuze gemaakt. Hierna ontvingen we van haar nog een dikke verrassingsenvelop met nog meer prenten, het boekje “In het lentezonnetje” (deel 1 van “Buiten Spelen”) maar ook twee originele, voltooide knipwerken van Januszewski, enige getekende ontwerpen, waarvan een gedeelte al met de schaar uitgewerkt, en nog enige andere zaken. Vanwege de verhuizing van de zusters uit Venlo ontvingen wij onlangs het bericht dat nog meer knipsels aan ons museum zullen worden geschonken. De schenking zal in januari in ontvangst worden genomen. Deze onverwachte ontwikkelingen hebben ons doen besluiten, ter gelegenheid van ons “Souvenirproject”, ruime aandacht aan het werk van Gertrud Januszewski te besteden en wel in de maanden maart en april van 2003. Er zullen presentaties van haar knipsels en ontwerpen worden gehouden over “lente” en “religie”. Dit sluit natuurlijk uitstekend aan bij de thema’s van de Culturele Zondagen.

uit de rubriek aanwinsten van de Nieuwsbrief van het Nederlands Museum van knipkunst en de Stichting W. Tj. Lever 2002-4