Auteursarchief: admin

Portretten van knipkunstenaars, Agnes Block 1, Nieuwsbrief 2005-1

Nu verder onderzoek naar het Zeeuwse knipwerk niet door kan gaan, hebben we besloten dat ik me de komende tijd in dit nieuwe onderwerp zal gaan verdiepen. Het zal waarschijnlijk geruime tijd een vaste rubriek in de Nieuwsbrief gaan vormen. Ik zal proberen een beeld te schetsen van leven en werk van diverse knippers (-sters) van wie we wel de naam en een enkele keer ook werk kennen, maar van wie verder weinig of niets bekend is. Het eerst komen enkele knipkunstenaars uit de 17e eeuw aan bod, de periode waaruit de oudste Nederlandse knipsels bekend zijn, onder andere van Joanna Koerten over wie Henk van Ark al verschillende keren in de Nieuwsbrief geschreven heeft. Een tijd- en stadgenote van haar was Agnes (Agneta) Block. Hoewel van haar geen knip- of andere kunstwerk bewaard gebleven is, weten we uit mededelingen van tijdgenoten dat ze knipte, borduurde, tekende, schilderde en boetseerde. Kortom een veelzijdig talent.

Agnes Block (1629-1704) werd op 29 oktober 1629 in Emmerik (D) geboren uit doopsgezinde ouders. Haar grootvader van vaders kant was aan het eind van de 16e eeuw vanwege geloofsvervolging -de zuidelijke Nederlanden waren weer Spaans en dus katholiek geworden- met zijn gezin vanuit Antwerpen via Keulen en Haarlem in Amsterdam terechtgekomen. Agnes’ vader, Arend Block, vestigde zich met zijn vrouw, Ida Rutgers, in Emmerik waar hun 5 kinderen geboren werden. Beide ouders stierven jong en de kinderen werden na hun dood bij familie in Amsterdam ondergebracht. Agnes kwam – waarschijnlijk met haar twee zusjes – in huis bij haar oom en tante David Rutgers en Susanna de Flines, evenals haar ouders en andere familieleden behorend tot de rijke doopsgezinde handelaren uit de hoofdstad. Ze kreeg een opvoeding zoals die voor meisjes uit de gegoede stand gebruikelijk was in die tijd met aandacht voor kunst en cultuur, maar ook voor pleziertjes zoals wandelen in een doolhof waarvan er meerdere waren in het toenmalige Amsterdam, bezoek aan de oude, over de Amstel gebouwde, beurs waarin allerlei winkeltjes waren of een vaartochtje op de Amstel. ‘s Winters werd er geschaatst en was er tijd voor schouwburgbezoek.

Op 2 mei 1649 trouwde ze met Hans de Wolf, een zijdehandelaar in de Warmoesstraat. Hij was evenals Agnes een telg uit een Vlaams doopsgezind geslacht. Hij was kort daarvoor weduwnaar geworden van Neeltje Block, die overleden was bij de geboorte van hun eerste kind, Pieter. Hans’ moeder was een zuster van Vondel. Vondel en Hans waren zeer op elkaar gesteld en ook Agnes mocht haar nieuwe oom graag en dat was wederzijds, misschien mede door Agnes’ liefde voor de literatuur. De families zijn levenslang bevriend gebleven en hebben elkaar in moeilijke tijden altijd ter zijde gestaan. Ter gelegenheid van het huwelijk werd er een gouden huwelijkspenning vervaardigd waarbij Vondel een toepasselijk gedicht maakte:

“De Vredetijt, die lang moet duren,
Vereenight strydige naturen,
Het woudt vergeet zijn’ wilden aert.
De macke kudde is niet vervaert
Noch schuw. Onnoosle en wilde beide
Verzamen in een zelve weide;
Daer leit de Liefde met haar hant
Den WOLF en ‘t LAM aen eenen bant.”

Met het lam verwijst Vondel naar de heilige Agnes wier attribuut altijd een wit lam is. Enkele maanden later schrijft hij op haar naamdag, Sint Agnes (21 januari), weer een gedicht voor haar waarin hij haar in de laatste regels met de woorden:

“Godt wil u zijn ‘zegen geven
Dat sinte Agnes, ryk van glans
U onthaele in ‘s hemels trans.”

aanbeveelt in de bescherming van deze heilige die door hem hoog vereerd werd.

Het jonge echtpaar gaat wonen in Hans’ huis ‘De vergulde Wolf?’ in de Warmoesstraat, de voornaamste straat van Amsterdam waar veel handelshuizen van hervormde en doopsgezinde kooplieden, vooral zij de handelaren, gevestigd waren en waar de aanzienlijksten van de stad woonden en bij tijden buitenlandse gasten verbleven. Mensen als Philips de II en de aartshertog van Oostenrijk verbleven er tijdens hun bezoek aan Amsterdam en Alva woonde er in “t Huis van Doornik”. Vondel woonde maar enkele huizen van Hans en Agnes vandaan in “De Kraak”, waar hij een kousenhandel dreef. Later, nadat hij door het wangedrag van zijn zoon Joost in grote financiële moeilijkheden geraakt was en failliet verklaard werd, moest hij naar een kleiner huis verhuizen. Hans de Wolf en enkele andere notabelen hebben toen bewerkstelligd, dat burgemeester Cornelis van Vlooswijk hem benoemde tot boekhouder van de Amsterdamse Bank van Lening, zodat hij weer een bron van inkomsten had. Tientallen jaren bezocht Vondel de familie De Wolf elke vrijdagmiddag, ook toen ze allang verhuisd waren naar het huis “Messina” op de chique Herengracht.

De eerste keer dat we iets vernemen van Agnes’ kunstzinnige bezigheden is in een gedicht van Vondel, dat hij schrijft ter gelegenheid van Agnes’ 39e verjaardag in 1668:

(…)“AGNES, staek nu ’t onderzoeken
En gesprek met stomme boeken.
Teken bloemperk noch prieel.
Besigpotloot, noch penseel,
Pen, noch int, noch waterverven:
‘t Is nu tij t de kunst te derven.
Zet bootseeren aen een zy,
Want uw vrolijk jaergety
Lijdt geen kunstige oeffeningen,
Daer wy dertigh zonneringen
En noch negen, hant aen hant,
Sluiten met een ‘tafeltrant.”(…)

Hier is dus sprake van lezen (studeren), tekenen, schilderen en boetseren, maar nog steeds niet van knippen. Daarover lezen we pas in een later gedicht van Vondel.

In februari 1670 was Hans de Wolf overleden en enkele maanden later had Agnes “een hoffsteede groot omtrent veertien en een halve morgen, leggende aan de Vecht in de jurisdictie van Loenen” gekocht. Het bezit bestond verder uit “hoff berghen (opslagplaatsen voor hooi of graan), schuere, stalingen ende vordere getimmert ende plantagie“. Agnes kende de geneugten van het leven buiten de stad, want Hans de Wolf had een deel van het buitenverblijf in de Purmer bezeten, dat zijn moeder, Clementia van den Vondel, na haar dood aan haar kinderen nagelaten had met de bepaling dat het onverdeeld zou blijven zolang er nog een van haar kinderen of kleinkinderen in leven zou zijn. Na Hans’ dood erfde zijn zoon Pieter zijn deel. De familie zal ongetwijfeld menige mooie zomer in de Purmer doorgebracht hebben. Nu had Agnes dus haar eigen buitenplaats aan de Vecht. Ze was daarmee niet de eerste, want veel van de rijke doopsgezinde zij de handelaren belegden hun geld in land en buitenhuizen. De streek tussen Breukelen en Loenen kreeg naar hen zelfs de bijnaam de Mennistenhemel. Ze begon met de aanleg van een boomgaard, een moes- en bloementuin en het graven van vijvers evenals met de bouw van een huis naast de boerderij die er al stond. De buitenplaats kreeg de naam Vijverhof.

Nog voor het geheel voltooid was brak de oorlog van 1672 (het Rampjaar!) uit. De Franse troepen hielden behoorlijk huis in de Vechtstreek en hoewel het huis gespaard bleef viel na hun vertrek in 1674 veel te herstellen aan de vernielde tuinen. Op een portretpenning van Agnes is te zien dat de tuin in Lodewijk IV stijl aangelegd werd.

By Jan Boskam – Own work, CC BY-SA 3.0, commons.wikimedia.org

Het is waarschijnlijk dat Agnes bekend was met de ontwerpen van de bekende tuinarchitecten van die tijd zoals de Franse tuinarchitect Daniel Marot. Bovendien had Sybrand de Flines in Parijs contact met de hortulanus van de Franse koning. Met deze Sybrand was Agnes na lang aarzelen op 9 september 1674 getrouwd. Hij was na het overlijden van zijn vrouw op 11 oktober 1672 met zijn twee dochtertjes van 10 en 11 jaar achtergebleven. Hij stamde evenals Agnes af van uit Antwerpen afkomstige doopsgezinde vluchtelingen en had ook in de Warmoesstraat gewoond. Ze hebben elkaar ongetwijfeld van jongs af aan gekend. De doopsgezinde gemeenschap telde maar zo’n 1000 mensen en bovendien was het verplicht binnen de gemeenschap te trouwen. Wie dat niet deed werd “afgesneden”. Binnen de betrekkelijk kleine kring van rijke kooplieden kende iedereen elkaar dus wel. Ter gelegenheid van dit tweede huwelijk maakte de 86 jarige Vondel weer een gedicht en daarin vermeldt hij Agnes’ knipkunst en de fraaie stoffen die De Flines maakt en verhandelt:

(…) d’Een schept zom lust op ‘t lant,
Daer zy bloemen zaeit en plant,
Of de Bloemgodin helpt vieren,
En het loofwerk op papieren,
Uitgesneden met de schaer,
Offert op het huisaltaer.
D ‘Ander heeft Natuur getroffen,
Als hy net inzyde stoffen,
Loof en schoone bloemen weeft,
Schooner dan de lente ons geeft (…)

Maar Vondel spreekt ook over (…) “FLINES, die door stadigh minnen ‘t Onvermurwde hart kost winnen”. Vondel bleef ook op Vijverhof een graag geziene gast. Toen hij in 1679 overleed zorgde De Flines voor een gedenkdienst in de Nieuwe Kerk. Na hun huwelijk zullen Agnes en Sybrand de winters waarschijnlijk in Agnes’ huis aan de Herengracht doorgebracht hebben, maar de zomers zullen ze op Vijverhof gewoond hebben.

Met Vijverhof lijkt Agnes er een nieuwe levensinvulling bij gekregen te hebben. Haar buitenplaats werd haar grote liefde. Vastberaden nam ze samen met haar man de aanleg van de tuin ter hand. Ze liet een theekoepel bouwen, decoreerde de tuin met beelden en ze ging zich enthousiast bezighouden met de studie van de botanie en het kweken van in- en uitheemse gewassen waarbij ze opmerkelijke resultaten behaalde, zodanig dat haar tuin een voorbeeld voor anderen werd. Het lukte haar als eerste in Nederland een rijpe ananas te kweken. Ze bood hem aan aan de Staten van Utrecht die haar als dank een gedenkpenning schonken waar aan de ene kant haar beeltenis staat en aan de keerzijde een afbeelding van Vijverhof met de godin Flora die een hoorn van overvloed in haar arm houdt. Naast haar staat een bloempot met een ananasplant.
Maar haar belangstelling hield niet op bij de botanie. Ze had ook een volière met vogeltjes, ze verzamelde schelpen, opgezette vlinders en andere insecten, porselein, mineralen, tekeningen en allerlei snuisterijen. Zo ontstond haar rariteitenkabinet, de grote mode van de 17 eeuw, die ontstaan was na de grote ontdekkingsreizen van de 16 en 17e eeuw en de daaruit volgende handelsreizen van de VOC en de WIC. Behalve allerlei handelswaar brachten deze schepen ook exotische planten, zaden en dieren mee. De rariteitenkamers of -kabinetten vormden de voorlopers van onze musea. De prachtige ovale zaal van het Teylers Museum in Haarlem (geopend 1798) was ooit de rariteitenkamer van de heer Teylers.
Veel van haar bloemen en planten heeft Agnes zelf getekend en geschilderd, maar zij en haar man nodigden ook schilders uit op Vijverhof om voor hen te werken. Omdat Agnes in haar “bloemboeken” optekende wie ze opdracht gaf, weten we dat ze een groot aantal schilders op deze manier ondersteunden. Saftleven, Willem de Heer, Pieter en Alida Withoos, Henstenburg, Bronkhorst, Maria Sibylla Merian, Nicolaas Juweel, Philips Tideman en vele anderen hebben ongeveer 400, meest aquarellen, van haar planten, vogels en insecten vastgelegd. Ook op andere buitenplaatsen werden kunstenaars voor dit doel uitgenodigd. Zo vormde de groep van rijke kooplieden een belangrijk mecenaat.

By Jan Weenix – www.ahm.nl, commons.wikimedia.org

Op een familietafereel , geschilderd door Jan Weenix zien we Agnes als middelpunt van haar gezin en haar kunstwerken. Ze heeft een geschilderde vogel in de hand. Aan haar voeten ligt een map waarin ze haar teken- en schilderwerk bewaarde – en misschien ook wel knipwerk- vooral van bloemen. Tegen enkele boeken staat een schilderij. Het kan door Agnes gekopieerd zijn, want het schilderen van amateurs was vaak kopiëren. Sybrand, gekleed in een wijd gewaad houdt een beeldje in zijn hand, dat door Agnes geboetseerd zou kunnen zijn. Op tafel zien we voorwerpen uit Agnes’ rariteitenkabinet: opgezette vlinders, schelpen en een cupidootje met een grote, vreemd gevormde schelp. Het stiefdochtertje naast haar biedt een schaal met op Vijverhof gekweekte druiven en andere vruchten aan. Het andere meisje zit tussen een ananasplant met een volgroeide ananas en een petunia(?) plant. Alles in het tafereel getuigt van Agnes’ interessen. Op een bruggetje met boog staat de naam Vijverhof, er achter hebben we zicht op de tuinen.

Op een later portret (1693) van Adriean van der Werff staat Agnes afgebeeld met een bloeiende tak in haar hand. Dit portret is een pendant van het portret van Sybrand de Flines die een zelfde soort wijde mantel draagt als op het schilderij van Weenix. Naast hem staat een bloempot met een acanthus.

Al Agnes’ liefhebberijen zijn ook bezongen in het lange lofdicht “Vijverhof van Agneta Blok” (1702) van haar achterneef Gualtherus Blok. Hij wandelt als het ware met de lezer door de tuin, wijst op de exotische gewassen en de producten die ze opleveren: “die goud-geele Ananas” en “de soetste most van muscadel”, komt langs de volière met “ ‘t sweevend pluimgediert” en langs de perken met “Amaranth, Passi-bloem, Oleander en Catoenboom“. Dan gaat hij het huis binnen naar de rariteitenkamer “waar in seer konstig, net in lysten sijn geplaatst, in Doosen opgeset, uit beide de Indiën de bloedeloose dieren, En teder afgemaalt die door de Myt ontcieren; En onder dien behaagt de Paauw-oog, een Capel, Uit Suriname van de grootste, wonder wel”. Verder is er sprake van “Scorpioenen uit Ceilon” en “de Worm, die Sijde aan ons verschaft “. Maar ook de papierkunst ontbreekt niet in het kabinet, getuige de regels: “Doch Bloemen wonderlyk in Potten te schakeren, Kan uwe Sny-konst in Papier, uw Schaar ons leeren“ Over de bibliotheek zegt hij: “De Boeksaal eindelijk bint ons wel allermeest, Hier toont gy wys-beleid, een mannelijke geest”.

Jan van Goeree tekende en graveerde een toepasselijk titelblad bij het gedicht. In het midden staat in een cirkel een koepel aan het water. Rechts van de cirkel zit de Vechtgodin met in haar linkerhand een vaas waaruit water stroomt, aan haar voeten ligt wat visgerei. In de verte is de Utrechtse Dom zichtbaar (als de Amsterdamse kooplieden op hun buiten verbleven waren ze burgers van Utrecht). Links zit de godin Flora.

door Atty Broer
Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 2005-1, een uitgave van het museum van Knipkunst en Stichting W.Tj. Lever.

Zeeuwse knippers en hun werk, deel 2, Nieuwsbrief 2004-4

Als vervolg op mijn artikel in de vorige nieuwsbrief over Jan de Prentenknipper en het Zeeuwse knipwerk in ons museum stond een verhaal over het knipwerk in het Zeeuws Museum in Middelburg gepland. Helaas kan het onderzoek daar geen doorgang vinden om diverse redenen. De voornaamste hiervan betreft de hoge kosten die betaald moeten worden voor foto’s van het knipwerk plus daarbij nog het copyright om ze te mogen publiceren. Deze kosten zijn voor ons museum niet op te brengen en dat is jammer omdat hierdoor ons verdere onderzoek wordt geblokkeerd. We hebben het Zeeuws Museum niet kunnen overhalen een uitzondering te maken voor een niet commerciële uitgave en in ruil voor onze onderzoeksgegevens. Volgend jaar gaan we daarom verder met een ander onderzoek, maar over papierkunstenaar Reygers, die ik in mijn vorige bijdrage al even noemde, heb ik wel voldoende informatie en afbeeldingen van zijn werk in andere musea weten te vinden om toch een goed idee te geven van zijn kunnen.

Johannes Hubertus Reygers werd op 1 mei 1767 geboren in Gorinchem en verhuisde in 1787 naar Middelburg waar hij als huisleraar de kost verdiende. Hij trouwde in 1796 met Catharina van der Krap en kreeg met haar 8 kinderen. Naast zijn werk als huisleraar volgde hij tekenlessen aan de Middelburgse Teeken Akademie en hij blijkt daar een talentvolle leerling te zijn geweest, want in 1796 werd hij bij de jaarlijkse tekenwedstrijd “primus” bij het schilderen naar “het naakt levend mensbeeld”. In 1817 en 1822 was er werk van hem te zien op tentoonstellingen. In 1814 werd hij tot lesgevend meester tekenkunde benoemd aan de Academie waar hij onder andere les gaf aan de later beroemd geworden schilder B.C. Koekoek. Tot 1845 hield hij het lesgeven vol. Op 11 maart 1849 overleed hij, 82 jaar oud.

Naast zijn lesgevende taak was hij al eerder ook tot Inspecteur der Landsgebouwen benoemd. Als leraar heeft Reygers een grote bijdrage geleverd aan de modernisering van het teken- en schilderonderwijs aan de academie. Hij schreef daartoe een fraai geïllustreerd manuscript over de ontleedkunde. Volgens hem was een grondige kennis van de anatomie van het menselijk lichaam onontbeerlijk voor een schilder. Tot die tijd werden de anatomielessen gegeven door heelkundigen (artsen), die naar Reygers’ mening de leerlingen veel te veel irrelevante informatie bezorgden, terwijl ze aan hoofd, handen en voeten – de moeilijkste lichaamsdelen voor een schilder – nauwelijks aandacht besteedden.

Reygers was een zeer veelzijdig man, want behalve tekenaar, schilder en leraar was hij ook nog etser (o.a. van zeegezichten), stempelsnijder, modelleur en maker van knipwerk, bavelaars en objecten van papier, karton en hout. In die laatste hoedanigheid is hij voor ons van belang. Bij zijn dood op 11 maart 1849 schreef een journalist van de Middelburgse Courant: …“Niet alleen zijne geestige en weldoorwerkte teekeningen, bestaande meerendeels in voorstellingen van schepen en afbeeldingen van land- en stadsgezigten, bij de liefhebbers gezocht, maar ook, en inzonderheid, maakte hij zich beroemd door het vervaardigen van kunstig snij- en boetseerwerk in papier, als basrelief opgewerkt, en die voortreffelijk schoon en rijk van ordonnantie zijn, en waarvan al de voorwerpen met de grootste naauwkeurigheid en bewonderenswaardigen smaak bewerkt zijn; waarvan niet alleen alhier zoowel als in andere Zeeuwsche plaatsen uitmuntende proeven voorhanden zijn, maar ook in publieke en particuliere kunstverzamelingen in Holland en elders gevonden worden; getuige onder anderen het zeer uitvoerige monument, hetwelk zich in het koninklijke kabinet van zeldzaamheden te ‘s Hage bevindt.“

Dit monument (48 x 39 cm) is een gedenkstuk dat herinnert aan de regeringsperiode van koning Lodewijk Napoleon Bonaparte en bevindt zich tegenwoordig in het Rijksmuseum. Het papierknipwerk zit in een ondiep kastje achter glas. In het midden staat in een halfronde nis een witte antieke vaas van hout, versierd met gouden banden. Op de vaas prijkt een “zonnehoofd” door stralen omgeven. Links en rechts van de nis hangen twee schilden, links met de vrijheidsmaagd en rechts met een anker, achter de schilden vlaggen en wapens. Boven de nis ligt een opengeslagen boek met daarboven het gecombineerde wapen van Holland en het Franse Keizerrijk met mantel, kroon en ordetekenen en links en rechts in de hoeken twee ovale schilden met de monogrammen van Lodewijk Napoleon ( LN) en Eugénie Hortense de Beauharnais (EHB). Dit gedeelte is in een gouden parelrand gevat. In een kooflijst eromheen zien we links en rechts elk 4 wapens, van het Koninkrijk Holland en van de 7 provinciën van de voormalige republiek. Beneden op een rechthoekig schild staat de tekst:

Aan Zijne Majesteit!
Den KONING van HOLLAND!
Word dit Gedenkstuk met alle Hoogachting door
Deszelfs Onderdanige en Gehoorzame dienaar
J.H.Reygers Eerbiedig Aangeboden.

Links en rechts van de tekst en tussen. de wapenschilden zijn takken en in de vier hoeken palmbladeren ter versiering aangebracht. De achtergrond is lichtblauw. Het stuk is rechts onder de vaas gesigneerd met: J.H. Reygers, te Middelburg in Zeeland. Enige tijd nadat het stuk aangeboden was heeft de koning het bij Koninklijk Besluit van 30 maart 1808 voor f 400,- laten aankopen ter plaatsing in het Koninklijk Museum. (Ontleend aan “Herinneringen aan de Bonapartes in het Rijksmuseum”, van Dr. R. Van Luttervelt, Uitg. Sijthoff NV, Den Haag 1961)

Een stuk niet een soortgelijke opbouw bevindt zich in Zwolle in het Provinciaal Overijssels Museum. Dit werk maakte hij ter gelegenheid van de 60e verjaardag op 1 januari 1804 van een zekere heer Jan Meusel. Het werd hem geschonken door zijn drie kinderen. Het is ook een kijkkastje bavelaar, 40 x 31,5 cm). In het midden staat in een nis een sierlijk vaasje met een papieren bloemenkrans er omheen, daarboven hangt een geknipt schild niet franje en helemaal bovenaan op het fries dat de nis afsluit begint de verjaarswens:

Wij danken d’opper Zegenaar!
Wijl Gij! Dees Eersten dag van ’t jaar
0 Vader! Zestig jaren zijt
Ontvang dit stuk tot Dankbaarheid
Ter Gedachtenis op het Blij Verjaaren
Van Onzen Waardigen en Veel-Gelievden
Vader! Jan Meusel.
Den 1e Van Louw-md. 1804.

Op de zuiltjes ter weerszijden van de vaas hangen schilden, op het linker is de Tijd, een gevleugelde figuur met doodshoofd en zeis, afgebeeld en op het rechter Mercurius, god van de handel, onder en boven de schilden zijn papieren bloemen aangebracht. Onder de vaas staan de namen van zijn drie kinderen, Abraham, Hendrik Cornelis en Wilhelmina Aletta Meusel. Het geheel is achter glas in een vergulde lijst geplaatst. Het is gesigneerd met: J.H. Reygers f 1803.

Een derde gedenkstuk in de vorm van een bavelaar met een in een nis geplaatst vaasje is gemaakt voor Pieter Jacobus Serlé ter gelegenheid van zijn 50e verjaardag op 23 November 1810. Hij kreeg het van Jonathan Delzenne en Dirkje Hulst wier namen op een klein papiertje rechts onder op de zuil staan. De vaas staat op een halfronde zuil waarop Serlé’s naam en verjaardagsdatum staan. Boven in de nis hangt een ovaal met een mooie stralenkrans waarin een soort tuin te zien is. Mercurius, hier zo te zien in zijn functie als boodschapper van de goden met zijn gevleugelde schoenen en helm, plaatst met zijn rechterhand een lauwerkrans op het hoofd van een buste die op een zuiltje staat. In zijn linkerhand houdt hij zijn met slangen omwonden staf. Aan weerszijden van de nis hangen twee riemen gedragen door leeuwenkoppen. Op de riemen zijn alweer twee lauwerkransen aangebracht en er onder twee schildjes met cupido’s die aan komen vliegen met ook weer een krans. De heer Serlé moet wel een zeer gewaardeerd man geweest zijn. Op het ene schildje staat een L, waar die voor staat is me niet bekend. Onder aan de riemen zit een gesp met een soort kettinkje. Het werk zit in een mooie houten lijst met parelrand en houtsnijwerk. Het stuk behoort tot de verzameling van het Haags Gemeentemuseum.

Het Nederlands Scheepvaartmuseum in Amsterdam bezit sinds 1932 een bavelaar van Reygers van geheel andere aard. Hij stelt een Hollandse rede voor waar schepen liggen te wachten voor ze de haven in mogen varen. Op een tamelijk ruwe zee, gemodelleerd uit papier-maché, is het een drukte van belang. De wind komt van links en sommige schepen hangen behoorlijk scheef in de harde wind. Op de voorgrond links ligt een groot schip waar we in de spiegel raampjes zien. Aan dek zijn vijf mannen in de weer met de mast van het grote zeil. Wat verder naar achter ligt een schip waarvan de mast gebroken lijkt te zijn. Rechts op de voorgrond ligt een schip dwars op de golven, ook daar zijn enkele mensen bezig met de tuigage. Helemaal vooraan vaart een roeiboot met enkele mensen aan boord tegen de wind in. In deze prachtige bavelaar toont Reygers hoe goed hij met de wetten van het perspectief op de hoogte was. Het water lijkt eindeloos en de schepen in de verte worden steeds kleiner, van een enkel schip zien we slechts een zeil boven de horizon uitkomen, en toch is het kastje hooguit 5 cm diep. Rechts onder heeft hij zijn werk gesigneerd: J.H. Reijgers f. 1804 in Middelburg in Zeeland.

Reygers heeft heel veel in opdracht gewerkt, voor particulieren, maar ook voor de academie en de overheid. Voor de eerste maakte hij ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan in 1803 een ‘ boetseerwerk” voor de honoraire leden (de sponsors, die vaak ook bestuurder waren) van de Academie. Omdat er voor een zilveren penning -te doen gebruikelijk bij een dergelijke gelegenheid- geen geld was. In 1817 maakte hij voor de jaarlijkse schooltentoonstelling een knipwerk waarop o.a. figuren die de teken-, schilder- en bouwkunde symboliseerden. Deze werken zijn bij de brand na het bombardement in mei 1940 verloren gegaan. In datzelfde jaar maakte hij samen met zijn collega J.P. Boerjé een ontwerp voor een gedenkpenning ter gelegenheid van de opening van een nieuw havenkanaal.

Bronnen:
“Om prijs en plaats”, de Middelburgse Teekenakademie 1778-2003 red. C.E. Heijning en G. van Herwijnen uitg. in de reeks Grote Zeeuwse Katernen, Middelburg 2004
“Frappante gelijkenissen”, J.P. Boerjé (1774-1834) als beoefenaar van kunst en wetenschap.
A. Meijer in Zeeuwse Katernen
Informatie van de genoemde musea

door Atty Broer.
Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 2004-4, een uitgave van het museum van Knipkunst en Stichting W.Tj. Lever.

Het knipwerk van Stien Momber, Nieuwsbrief 2004-4

Naar aanleiding van een artikel in Cultuurbericht, het blad voor donateurs van het Prins Bernhard Fonds, over het Nederlands Museum van Knipkunst kwamen wij in contact met mevrouw Caland-Momber die ons schriftelijk liet weten dat zij knipsels, gemaakt door haar moeder ruim twintig jaar geleden, aan ons museum wilde afstaan. En op een van de Culturele Zondagen kwam ze het museum binnen met een blauwe map met prachtig ornamenteel knipwerk. Ook waren er enige mapjes bij met Chinees-knipwerk en een interview met Stien Momber uit een helaas onbekend tijdschrift. Hieruit citeren wij de volgende zinnen die een goed licht werpen op Stien Momber en haar werk. Het interview wordt gehouden aan de koffietafel: “…Fijn om te doen maar niets bijzonders, iedereen kan het”, zegt Stien Momber als we bij een heerlijk kopje koffie een babbeltje maken in het gezellige, sfeervolle en gastvrije huis in Wijdenes. Ze heeft vele tientallen – of zijn het er wel al honderd?- knipsels gemaakt, die als smaakvolle wandversiering in menig huis een plaatsje hebben gevonden. Hoe ze er toe gekomen is? “Och”, vertelt ze heel eenvoudig, je weet, mijn werkzaamheden liggen op administratief gebied, lettertjes, cijfertjes en alles wat er zo bij komt kijken en dat is een heleboel. Nu zocht ik, laat ik maar zeggen uit een soort liefhebberij, iets waarbij ik los kon komen van de dagelijkse dingen, iets waarop je je fantasie kunt botvieren zonder dat er al te veel kosten aan verbonden zijn, weet je. Maar toch iets dat je intensief bezig houdt en waar je je beide handen plus je hoofd bij moet houden”.

En verder: “Nu kan ik helemaal niet tekenen. Geen bloemen, laat staan dieren. Iets van dien aard tekenen en dan uitknippen, dat ging dus niet. Papier vouwen, nog eens vouwen en uit die vouwen wat uitknippen, dat ligt me niet, dat zou me beslist geen bevrediging geven. Nou, dan maar symmetrische figuren maken met wat eenvoudige hulpmiddelen: knoopjes, geldstukjes, kopjes, bordjes, schoteltjes, je kunt alles benutten. Met deze hulpmiddelen laat je al doende je fantasie de vrije loop, zo maar op z’n boerenfluitjes. En bij elk knipsel denk ik telkens weer: de volgende maak ik zo en zo”.

Ze vervolgt: “Waar je op moet letten is natuurlijk dat alles aan elkaar blijft zitten en je geen losse stukken in je handen houdt. Eerst maakte ik hoofdzakelijk ronde knipsels, dat is het gemakkelijkst en geeft een aardig effect. Nu heb ik dit uitgewerkt tot ook andere vormen, eigenlijk zonder vast omlijnd systeem, gewoon maar iets”.

Vervolgens vertelt de papierknipster over de afmetingen van het papier dat ze gebruikt en hoe ze een ontwerp maakt. De schrijfster van het artikel verzucht dat je daar maar fantasie moet hebben, maar Stien stelt kordaat: “Nee, helemaal niet, die moet en kun je aanwakkeren. Door op alle dingen die je om je heen ziet te letten, welke vorm iets heeft en hoe het in elkaar zit”. Op de vraag wat voor materiaal zij gebruikt geeft Momber als antwoord: “Als papier gebruik ik graag zwart tekenpapier, niet te dik, niet te dun, maar ik gebruik ook wel gekleurd sitspapier. Dan een schaartje. Een druivenschaartje bevalt mij het beste. Dat is een stevig schaartje met spitse punten en gelijke, grote ogen. Dat is gemakkelijk vast te houden en ligt prettig in de hand. Een gewoon borduurschaartje is al gauw gesneuveld. Een potlood en verder alles wat het huis oplevert”.

Tot zover het verhaal van Stien Momber. We zijn blij dat we haar knipsels (ook half uitgewerkte en getekende opzetten) in onze verzameling hebben mogen opnemen. Als alles meezit willen in 2006 hierover een expositie organiseren.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 2004-4, een uitgave van het museum van Knipkunst en Stichting W.Tj. Lever.

Zeeuwse knippers en hun werk, Nieuwsbrief 2004-3

Zoals in de laatste Nieuwsbrief van 2003 al aangekondigd werd, zal de tweede helft van 2004 in het teken staan van Zeeuwse knippers(-sters) en hun werk. Daarbij zullen zowel modern knipwerk als dat uit voorbije tijden aan de orde komen.

Tot eind mei waren in het museum Lidia Schinkels “schaartekeningen“ te zien, die ze zo noemt omdat ze als het ware haar schaartje als potlood gebruikt. Daarna maakte haar werk plaats voor de ragfijne knipsels van Narda Wilken, veelal op een achtergrond van zijde zijn bevestigd. Deze tentoonstelling kon u tot 29 augustus bekijken. Na die datum komen nog de exposities van Annemiek Duyzer en de knipkring Knip-Mix.
Naast deze tentoonstellingen richt mijn activiteit zich op het oude Zeeuwse knipwerk uit onze eigen collectie en daarna op dat in de verzameling van het Zeeuws Museum in Middelburg. Dit museum heeft een aantal belangwekkende werken van o.a. Jan de Prentenknipper en J.H. Reygers. Van de eerste bezit het Nederlands Museum van Knipkunst ook enkele werkjes.

Deze Jan de Prentenknipper leefde van 1798-1870. Onder deze naam trok hij een groot deel van zijn leven rond in Zeeland en met het maken van knipprenten probeerde hij de kost voor zijn gezin te verdienen. Als iemand naar zijn echte naam informeerde zei hij: “Noem mij maar Jan de Prentenknipper”. Men begreep wel, dat het niet zijn werkelijke naam was, maar hij liet zich om een of andere reden niet verleiden die prijs te geven net zo min als hij losliet waar hij vandaan kwam. Op zijn trektochten sliep hij meestal bij boeren in de schuur of in het hooi en at mee met de boerenfamilie. In ruil daarvoor knipte hij hun hofstee. Met potlood en waterverf verfraaide hij het geheel. Hij is een van de weinige knippers die veel van zijn werk inkleurde. Na een paar dagen trok hij weer verder. Hij maakte ook knipsels in voorraad over allerlei onderwerpen, die hij tijdens zijn tochten verkocht. In sommige dorpen posteerde hij zich bij de dorpsschool en vroeg bij het uitgaan van de school of de jeugd een prentje wilde kopen. Voor een paar centen die de kinderen thuis probeerden los te maken, kregen ze een klein knipwerkje veelal met een bijbelse voorstelling om als bladwijzertje te gebruiken in bijbel of kerkboekje.

Het heeft al tijdens Jans leven velen geïntrigeerd wie hij nu eigenlijk was en waar hij vandaan kwam. Een zekere dominee Hoek schreef omstreeks 1932 op een scheurkalender (voor elke dag een blaadje) verhalen over Jan en zijn knipwerk. Hoewel deze man diverse mensen gesproken had die Jan gekend hadden, bleek bij later onderzoek dat veel van zijn verhalen aan zijn fantasie ontsproten waren. Ook Dr. Johannes de Hullu, die de geschiedenis van het boerenleven in Zeeuws-Vlaanderen bestudeerd heeft, heeft over Jan geschreven, maar hij betreurde het zeer, dat al zijn moeite om Jans naam te ontdekken niet tot resultaat geleid heeft, terwijl ook hij mensen gesproken heeft die Jan nog gekend hadden. Nog enkele anderen hebben pogingen gedaan, maar tevergeefs. Langzamerhand taande de belangstelling, niet alleen voor Jan, maar voor knipwerk en andere volkskunst in het algemeen. Zo bleef er een waas van geheimzinnigheid om hem hangen. Wel bleven er onder de Zeeuwse bevolking allerlei verhalen circuleren. Hij zou als soldaat in de Belgische opstand van 1830 gewond geraakt zijn en daardoor voor zijn hele leven invalide geworden zijn. Hij was inderdaad min of meer gehandicapt. Anderen beweerden dat hij dominee geweest was en wegens wangedrag ontslagen was. Hij zou ook een rondreizende Belg zijn, die ooit kleermaker en volgens weer anderen rietdekker geweest zijn. Niets van da alles bleek waar te zijn.

Na de tweede wereldoorlog leefde de belangstelling voor knipkunst weer wat op. Met name Hil Bottema, hoofdassistent van Het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem heeft vee! onderzoek verricht op dat gebied. Ze verzorgde in het museum de documentatie over volkskunst en raakte zodoende geïnteresseerd in het werk van Jan de Prentenknipper. Na een oproep in de Provinciale Zeeuwse Courant in 1964 schreven veel mensen haar over een knipsel in hun familiebezit of over wat ze van Jan wisten uit overlevering van hun (groot)ouders of andere familieleden. De belangstelling in Zeeland herleefde. Aan de hand van al deze informatie ontstond een beeld van het reizende leven van Jan. Hij kwam op alle Zeeuwse eilanden en in Zeeuws-Vlaanderen en in de winter in Goes waar hij een soort thuisbasis leek te hebben. Hij kwam regelmatig op bruiloften en partijen waar hij zijn prenten, vaak uit voorraad te koop aanbood. In 1967 kon dank zij al deze informatie en het beschikbaar stellen van knipsels van veel Zeeuwen een tentoonstelling gehouden worden in Wemeldinge. Maar…nog altijd wist men niet wie hij nu eigenlijk was.

Op een gegeven moment leek Hil Bottema een spoor gevonden te hebben, maar het bleek een vals spoor te zijn. Bottema is in 1968 vrij plotseling overleden waardoor het onderzoek stagneerde: Later bleek uit haar nagelaten correspondentie met een bevriende Zeeuw, dat ze vrij dicht bij de oplossing van het raadsel geweest is. Die kwam tenslotte totaal onverwacht in 1985. De heer Rose uit Middelburg stuitte bij zijn onderzoek naar de Zeeuwse geschiedenis op een oud krantje uitgegeven door de Vereniging voor Volksbelangen te Goes, het “Volksblad”. In het nummer van 9 juli 1870 vond hij het volgende berichtje: “Goes. De dood van Jan Huyszoon heeft ons allen verrast. Reeds eerder zou de redactie daarvan melding hebben gemaakt, ware het niet, dat de bijnaam, dien hij droeg, van “Jan de Prentenknipper” reden was, dat wij zijn eigenljken naam niet goed kenden en daardoor zijn dood in den burgerlijken stand der gemeente niet hadden opgemerkt. Van zijn dood maken wij melding, om twee redenen: Hij was een kunstenaar in zijn vak; hij was een ijverig man. — Hij was een kunstenaar in zijn vak; het vak van prentenknippen; wie herinnert zich niet de fijn uitgesneden prentjes, die zoo menig bijbelboek versieren of ter herinnering aan jaardag of bruiloft in de woonkamer hangen. Die kunst, ze zal meer en meer plaatsmaken voor een hoogere uiting der beeldende kunst; dit blijft waar, dat “Jan de Prentenknipper” nuttig werkzaam is geweest, door den schoonen smaak, zij het ook op kleine schaal, te helpen ontwikkelen”.
De heer Rose gaf zijn vondst door aan de heer Willemsen uit Biervliet en die publiceerde hem in het tijdschrift “Zeeland Magazine” en zo kwam het onder ogen van Jan Peter en Joke Verhave, die al geruime tijd geïnteresseerd waren in knipwerk in het algemeen en daardoor ook op de hoogte waren van de geheimzinnigheid rondom Jan de Prentenknipper. Zij hebben Jans levensloop onderzocht en hun bevindingen te boek gesteld in hun boek “Jan de Prentenknipper”, Zeeuwse volkskunst langs ‘s Heren wegen 1798-1870 (1993). Jan was geboren in Colijnsplaat op Noord-Beveland. In 1817 kwam hij in militaire dienst. Tijdens een baldadige uitspatting met enkele vrienden ‘s avonds laat raakte hij betrokken bij een inbraak waarvoor hij tot twee jaar tuchthuis veroordeeld werd. Na zijn vrijlating in 1824 werkte hij hier en daar en knipte ook al. Zou hij de verveling in de gevangenis verdreven hebben met knippen? Hij ontmoette een Belgisch meisje, Constantia du Pree, met wie hij jarenlang samenleefde en 8 kinderen kreeg. Ze trouwden niet, dat zou maar problemen gegeven hebben, want hij was protestant en zij rooms-katholiek. Omdat er al snel een kind kwam, zocht hij werk met een geregeld inkomen. Zo werkte hij enkele jaren bij het graven van het kanaal van Sas van Gent naar Terneuzen en toen dat klaar was enige tijd als dijkwerker aan de Lekdijk bij Wijk bij Duurstede. Daarna begon het rondreizend leven en Constantia en de kinderen trokken met hem mee. ‘s Winters verbleven ze vaak in Goes waar Jans zuster woonde. Het gezin leidde een armelijk bestaan en moest in de loop der tijden herhaaldelijk om steun van het armbestuur vragen. Na de dood van Constantia in 1841 is Jan nog twee maal getrouwd. Zijn acht kinderen zijn allemaal voor hem overleden. Zelf overleed hij in 1870 in Goes waar hij de laatste jaren van zijn leven had doorgebracht.

Jans werk is uiterst boeiend om te bekijken. Er is heel veel op te zien. Vooral zijn geknipte boerderijen zijn echt verhalende knipsels. Behalve de gebouwen beeldt hij heel nauwkeurig alle werkzaamheden door het jaar heen af Zijn werk is geen verfijnd kunstknipwerk zoals we dat van Johanna Koerten of de Zwitserse Esther Zoller (zie Nieuwsbrief dec. 2002 ) kennen. Hoewel hij heel veel kleine details afbeeldt, blijven de vormen eenvoudig. Het geheel doet soms wat kinderlijk naïef aan. Zijn vroegste knipsels zijn meest wit op een gekleurde ondergrond, later werk is bijna altijd verfraaid met ingetekende details en met waterverf ingekleurd. Daaruit blijkt dat hij niet alleen vaardig was met de schaar, maar pen en penseel ook wist te hanteren. Door de frisse kleuren zien zijn knipsels er vrolijk uit, Jan heeft er kennelijk plezier in gehad ze te maken.
Zijn boerderijknipsels maakte hij vaak in lagen. In horizontale banen laat hij achtereenvolgens bij voorbeeld de weg waaraan de boerderij ligt zien met een paar wagens en personen. In de baan eronder staan de bedrijfsgebouwen, daaronder zijn de arbeiders op het land aan het werk in voorjaar en zomer en in de onderste baan zijn ze bezig met het binnenhalen van de oogst. Om het geheel heen zien we allerlei gereedschappen. Op andere boerderijknipsels staan de gebouwen centraal, soms in omgeklapte projectie, en zien we eromheen de akkers, het vee en de arbeiders op het land. Op het erf spelen de kinderen, scharrelen de kippen en ligt de hond bij zijn hok. Hekken, bomen, gereedschap, karren, niets ontbreekt. Door de precieze afbeelding van bestaande boerderijen hebben deze knipsels naast schoonheidswaarde ook historische waarde. Behalve de naam van de boerderij sneed hij er dikwijls het volgende rijmpje in:

Het land te bouwen is myn lust
Myn hert en zinnen zyn gerust
Ik wy het rundervee
Gelyk als Job in Cana dee

Dit rijmpje en variaties ervan komen op diverse knipsels voor. Misschien had hij het wel ergens op een tegeltableau gezien, want daarvan is het ook bekend.
Naast bestaande boerderijen heeft hij ook fantasieboerderijen geknipt die zeker niet minder mooi zijn. Hij maakte die waarschijnlijk in voorraad.
Een ander onderwerp waar Jan erg aan verknocht was zijn de bijbelse voorstellingen, mooie grote (wel ± 30 x 40 cm) en kleintjes (± 7 x 10 cm). Mooie grote zijn bijvoorbeeld “De tempel Salomons” en “Ark van Noach op de berg Ararat” met keurig van elke diersoort twee exemplaren. De kleintjes, de zogenaamde kerkboekprentjes, hebben als regel twee of drie voorstellingen boven elkaar.

Voor gelegenheidsknipsels zorgde Jan desgewenst ook. Zijn huwelijksknipsels gaf hij de naam “Stuk des verbonds” of “Trouwverbond” en erin sneed hij de tekst “Dat God tesamevoegd, scheyd geen mensch “. Ander gelegenheidswerk heeft een centraal dicht middendeel bijvoorbeeld een hart waarin hij een tekst schreef en die omgaf met fraaie versieringen. Maar liefst vier verschillende versies knipte hij van de Engelse invasie in Zeeland in 1809, die bedoeld was om een blokkade van de Antwerpse haven door de Fransen te voorkomen.
Jan de Prentenknipper is misschien wel de productiefste en bekendste knipper uit zijn tijd. In ieder geval is van hem heel veel werk bewaard gebleven, vooral in particulier bezit o.a. bij nakomelingen van de boeren wier hofstede ooit door hem geknipt is of die in een familiebijbel een of meer kerkboekprentjes aantroffen.

Wij prijzen ons gelukkig dat het Nederlands Museum van Knipkunst enkele knipseltjes van deze veelzijdige knipper bezit. Het zijn vijf kerkboekprentjes (bladwijzertjes), allemaal ± 10 x 7 cm.

Het prentje “Lusthof’ heeft 3 afbeeldingen boven elkaar, zoals Jan dikwijls deed. Bovenaan zien we twee ruiters te paard en een paar boompjes, in het midden een groot huis met twee torentjes en een koepeldak. Naast het gebouw leunt een mannetje tegen een hek. In de onderste laag rijdt een man in een koets getrokken door een paard. De naam Lusthof is uitgesneden. Het is vrij grof geknipt, maar door de beschildering met waterverf is het toch een leuk plaatje. Het tweede prentje draagt de initialen M.E.S. en heeft twee voorstellingen boven elkaar. De onderste is “Salomons oordeel”, een geliefd thema bij Jan. We weten niet voor wie het gemaakt is. Het derde knipseltje heeft weer drie lagen en is veel preciezer geknipt dan de vorige twee. Bovenaan zijn “M.BS” (= Maria boodschap) en “I.GBOOR” (Jezus’ geboorte) geknipt, daaronder “Joseps vlugt” en helemaal onderaan “Jeruzalem”, Jezus’ intocht in Jeruzalem. Dit werkje is niet gekleurd. Deze prentjes behoorden bij de oprichting van het museum al tot de verzameling.

Ze zijn op een blad geplakt, dat afkomstig is uit de collectie van Wiecher Lever, de grondlegger van het Nederlands Museum van Knipkunst. Het vierde prentje is in 1997 door een schenking verkregen. Het is afkomstig van een familie uit Sommelsdijk. Wiecher Lever had het in 1963 al eens gezien en aangeboden het te ruilen tegen een door hem gemaakt “fijn knipseltje”. De familie ging niet op dit aanbod in en Lever heeft niet meer mee mogen maken dat het werkje 34 jaar later alsnog aan zijn verzameling werd toegevoegd.

Het grootste deel van het knipseltje wordt ingenomen door een hart waarin de waarschuwing “Past op uw tijd, 1866” uitgesneden is. Boven het hart staat “opregt” met twee zwevende gevleugelde figuren en er onder een gevleugelde figuur en de Dood met zeis en zandloper.

 

 

 

Het vijfde prentje van Jan Huyszoon, alias de Prentenknipper, is in 1839 gemaakt voor een zekere Dirkje van der Poel. Haar naam staat in een centraal geplaatst hart met aan weerszijden ranken met vogeltjes en bloemen. Boven het geheel wordt een soort kroon opgehouden door twee gevleugelde figuren. Dit plaatje is ook weer ingekleurd met waterverf.

 

 

 

Tegelijk met het vorige knipseltje werd er in 2001 nog een van Zeeuwse makelij van een anonieme maker aangekocht. Het betreft een ovaal (± 12 x 14,5 cm) knipsel met het jaartal 1811. Het is dubbel geknipt en stelt een pot voor waaruit ranken omhoog komen die zich naar beide zijden buigen. Tussen de ranken hangen twee medaillons waarin de initialen LVDS en JDD staan. We weten niet wie dat zijn. Het zou een huwelijksknipsel kunnen zijn, ware het niet, dat er aan weerszijden van de pot twee deftig heertjes staan en zo’n huwelijk was in 1811 echt nog niet mogelijk.

In 1997 werd een interessant verjaardagsknipsel aan ons geschonken. Het betreft een verjaardagswens van Maatje Kuijper aan haar vader. Het is een dubbel geknipt werk van 23,5 x 21,5 cm. In het midden is een lange tekst geschreven. Boven in de omlijsting van de tekst staat een hart gesteund door twee zwanen. In het hart staat 1 822 Twee engelen met bazuinen zweven er boven. In de lichamen van de twee zwanen begint de tekst met:

“Verjaawens aan mij Eerwaarde
Vader op zijn VerJaardag oud 25 Jaar Den 22 october
Waarde vader ik zijn verpligt,
Om u te schrijven een gedigt
En dat op u geboortendag,
Ik wens dat God u geven mag,
Zijn Zegen en dat voor t allertijd,
Zoo lang gij hier op arde zijt,
De Heer heeft u nu Veele Jaaren;
Door zijn gunst u willen Spaaren
Toont daar nu ook voor Dankbaarheid,
Aan Zijne hooge maijjestijd,
Ik wens de Heer zal u nog veele Jaaren
U door zijne gunst te willen spaaren
Opdat gij lang in Voorspoed leeft
In t Land dat zij de hand u geeft
Ik wenst dat hier wil Zijne Straalen
Van Zijne Geest op u doen dalen,
Dat die u leyd opt regte pad
Waar door gij gij gaat na s ‘Hemeisstad
en dat gij daar het dierbaar bloed
van Jezus Zij gewassen soet
met al de Hemelingen Saamen
te zingen hier op zeg men amen
Dit is de wens van u Eeerwaarde Dochter

De wens is omgeven met fijn geknipte ranken met verschillende bladvormen en bloemen. Aan weerszijden van de tekst staan twee dametjes met een grote parasol. Maatjes naam staat onder de wens tussen twee fantasievogels.
Waarschijnlijk heeft ze deze tekst niet zelf geschreven, haar vader was immers pas 25 jaar en zij dus hooguit een kleuter. Wij zouden graag weten wie het werk geknipt en geschreven heeft, het kunnen natuurlijk ook een knipper en een schrijver geweest zijn. De schenkster van het knipsel, mevrouw Stegeman-Christiaanse vertelde dat het uit de nalatenschap van haar vader afkomstig is. Die had het weer geërfd van een oom, een broer van zijn vader, dus ook een Christiaanse (uit Tholen). Het zou misschien de moeite waard zijn eens uit te zoeken of die verwant was aan een familie Kuiper. Wellicht konden we dan ook op het spoor van de knipper komen. Het knipsel heeft een plaats in de vaste opstelling van het museum.

Ook tot de vaste opstelling hoort het prachtige wapensnijwerk Ockert/Bredehoff  dat het Nederlands Museum van Knipkunst in 1997 dank zij subsidie van enkele culturele fondsen aan de collectie kon toevoegen. Centraal in het ragfijne snijwerk staat temidden van een rijke versiering het gecombineerde wapen van Ockert en Bredehoff met als schildhouders een griffioen en een leeuw. Verder zijn twee hoorns van overvloed, een bloemenmand, een kroon en een baldakijn afgebeeld. In het hele werk zijn allerlei details geprikt. Links en rechts van het gecombineerde wapen staan 16 kwartieren van de beide families.

Dr. Catharina van de Graft schreef in haar artikel “Geknipte familiewapenen” in het blad “Historia” van september 1946 het volgende over dit knipsel:
“…Een ander prachtig werk uit dezen zelfden tijd is het groote familieknipsel met in het midden het gecombineerde wapen van Ockert en Bredehoff en 16 kwartieren van elk dezer wapenen ter weerszijde, dat het Centraal Museum te Utrecht in bruikleen heeft van Mevrouw Huijtema-Van Bredehoff de Vicq te Buitenzorg. Dit knipwerk bewaart de herinnering aan het huwelijk dat Joan Ockers, heer van Schonewal, in 1702 raad, in 1704 schepen van Middelburg, hoodfparticipant der O.I.C. en in 1716 daarvan bewindhebber, gesproten uit het aanzienljke Zeeuwsche geslacht van Ockert, Ockers of Ockerse, sloot met Elisabeth van Bredehoff uit een Hoornsch geslacht, dochter van François en Johanna Hamel. Joan Ockert overleed 24 Mei 1723, ongeveer uit dien tijd moet ook dit knipwerk dateeren. Waarschijnlijk heeft kort voor of na zijn overlijden een zoon uit dit huwelijk het fraaie wapenknipsel van zijn ouders doen vervaardigen. Wie die zoon was, kan, daar het Middelburgsche archief in den jongsten oorlog geheel verloren is gegaan, niet meer worden onderzocht.“…
Zij constateert verder dat de knipkunst in dit en in een ander door haar beschreven wapenknipsel op het eind van het eerste kwart van de 18 eeuw haar hoogtepunt bereikt heeft. Wat erna nog gemaakt is, noemt ze verdienstelijk werk, maar niet meer van het hoge peil van deze knipsels.
J.P. Verhave, die onderzoek naar wapenknipsels en de adellijke families waartoe de wapens behoorden gedaan heeft, heeft ontdekt dat het snijwerk niet voor Joan Ockert en Elisabeth van Bredehoif gemaakt is, maar voor hun zoon Nicolaas die in 1727 met een nicht van zijn moeder uit hetzelfde geslacht trouwde.
Het Centraal Museum in Utrecht heeft het snijwerk jarenlang in bruikleen gehad, maar in de negentiger jaren van de vorige eeuw hebben de eigenaren het stuk teruggehaald. Nadat ze met een Amsterdamse antiquair gesproken hadden over een eventuele verkoop kwamen ze er ook mee naar het Nederlands Museum van Knipkunst en uiteindelijk wilden ze het liever daaraan verkopen, omdat ze het een sympathieke gedachte vonden, dat het daar voor een groot publiek te zien zou zijn Dank zij enkele gulle subsidiegevers kon dit prachtige snijwerk aan de verzameling in Schoonhoven toegevoegd worden.

Behoort het vorige werk tot het mooiste van het museum, het volgende stuk behoort tot het merkwaardigste. Het werd op een ochtend in oktober 2001 gebracht door een inwoner van Schoonhoven met de vraag: “Hebben jullie hier iets aan?” Het is een soort kijkkast (65 x 55 cm), gemaakt ter nagedachtenis aan koning Willem II (1792-1849) uit papier, hout en textiel in 1850 in Middelburg door een zekere J.J. Barisson, een tot nu toe totaal onbekende persoon. Gezien de kwaliteit van het werk moet hij zoiets vaker gemaakt hebben. Vanaf de tweede helft van de 18e eeuw ontwikkelde het platte knipwerk zich tot het “verheve” werk en daaruit ontstonden achtereenvolgens het reliëfknipwerk, diorama’s en de bavelaars. Deze kijkkast lijkt nog het meest op een bavelaar. In de kast is uit hout en papier een monument voor de koning gebouwd waarbij gebruik gemaakt is van een (zwart-witte) prent van een portret van Willem II en een gedicht van Tollens. Van het Iconografisch Bureau in Den Haag kregen we een kopie van een lithografie van een portret van de koning, uitgegeven door C.W. Mieling, die Barisson waarschijnlijk gebruikt heeft. Uit de prent is het borstbeeld van de koning geknipt. Allerlei decoratieve elementen, zoals een trommel met twee vlaggen, de rijksappel met zwaard, een kanon, een vlag met een phoenix en een speer, diverse schilden met de Nederlandse driekleur, enz. zijn uit een andere prent geknipt waarvan we de herkomst niet hebben kunnen achterhalen. Al deze deeltjes zijn met de hand ingekleurd.
De koning zit onder een baldakijn, aan weerszijden staan enkele pilaren waartussen varen met bloemen van textiel staan. Op de sokkel van het monument staat een vers van Tollens:

‘t Penseel beeldt TWEEDEN WILLEM af
Wat bijschrift zal het volk hem geven,
Dien God ten zetel had verheven
En die de kroon droeg en den staf?
Dat hij geliefd werd bij zijn leven,
Dat hij beschreid wordt in zijn graf

Op twee kleine papiertjes die onder in de hoeken geplakt zijn heeft de maker zijn werk gesigneerd en gedateerd. Het kunstwerk was in zeer slechte staat, toen we het kregen, maar inmiddels is het opgeknapt en weer toonbaar.

Door Atty Broer
Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 2004-3, een uitgave van het museum van Knipkunst en Stichting W.Tj. Lever.

Nel Wezel, promotor van de knipkunst, Knip-Pers 2007-3

16 x 7 cm

De naam Nel Wezel-Laan is in Noord-Holland zeer bekend. Mary IJdema en ik bemannen al zo’n twintig jaar in de zomer een kraam op de artistieke markt in Bergen. Bij het zien van ons knipwerk weet een groot deel van het publiek onmiddellijk twee namen te noemen: Tjeert Lever uit Westerbork en Nel Wezel uit Alkmaar. Daarmee houdt de kennis over het knippen in de meeste gevallen wel op.

Nel Wezel heeft haar sporen in ruime mate verdiend door de knipkunst onder de aandacht van velen te brengen en door hen te stimuleren zelfde schaar ter hand te nemen. Zo af en toe is daar in de Knip-Pers aandacht aan besteed, maar het is misschien leuk om alles eens even op een rijtje te zetten.

13 x 16 cm

Nels carrière in de knipkunst is, zoals bij veel knipsters, begonnen bij de Bond van Plattelandsvrouwen (momenteel Vrouwen van Nu genaamd). Tussen 1955 en 1965 woonden Nel en haar man in de prachtige stolpboerderij De Lepelaar in Midden Beemster. Daar werden ook hun twee dochters geboren. Nel had het er erg naar haar zin en op de brommer bezocht ze trouw de bijeenkomsten van de Plattelandsvrouwen in Spijkerboor, ze volgde daar heel intensief diverse handwerkcursussen. Ze werd zelfs gevraagd om deel uit te maken van de Provinciale handwerkcommissie van de Bond van Plattelandsvrouwen.

12 x 9 cm

Toen ze een keer een advertentie zag staan voor een knipcursus, leek haar dat wel wat, want misschien had ze daar nog wel iets aan bij het maken van naaiwerk of kledingpatronen. Tot haar verrassing bleek die knipcursus een totaal andere inhoud te hebben dan ze had gedacht! Het leven hangt soms van toevalligheden aan elkaar, want hiermee was het papierknipwerk in haar leven gekomen en die techniek bleek haar op het lijf geschreven.

Ze volgde in Alkmaar twee keer een cursus van zes lessen bij To van Waning. To was niet voor een kleintje vervaard, want die kwam helemaal uit Arnhem en bleef dan in Heiloo logeren om haar cursussen achter elkaar te kunnen geven.

Nel vond het knippen in een woord geweldig. Ze kwam niet uit een artistiek gezin, maar vond het wel altijd leuk om in de keuken creatief te zijn met koken en bakken. Ze was na haar schoolopleiding kinderverzorgster geworden en had zich zeer bekwaamd in allerlei handwerktechnieken, onder andere kantklossen. Maar papierknipwerk was toch wel iets totaal anders en ze ontdekte dat ze een heleboel fantasie in zich had, waarmee ze iets kon in haar knipsels.

10 x 5 cm

Ze knipte niet alleen voor zichzelf maar werd ook al snel gevraagd om kniplessen te verzorgen. Vanaf het begin vond ze lesgeven enig. Intussen was het gezin in Alkmaar gaan wonen waar haar man een baan vond als machinist op het gemaal van de polder Bergermeer.

In 1983 werd de Nederlandse Vereniging voor Papierknipkunst opgericht en er was grote behoefte aan mensen die knipcursussen konden geven. Op aandringen van To van Waning ging Nel zich daar In Noord-Holland heel actief (en heel enthousiast) mee bezig houden. Gelukkig had ze haar rijbewijs gehaald, zodat ze zich met haar knipspullen gemakkelijk kon verplaatsen. Ze kwam werkelijk overal, tot aan Texel toe.

Nel Wezel werd een begrip. Ze gaf met veel plezier talloze knipcursussen, vervolgcursussen en verzorgde ook knipavonden, vooral voor de Plattelandsvrouwen. Eerst vertelde ze dan het een en ander over de geschiedenis van de papierknipkunst, ze demonstreerde het knippen en na de pauze kon iedereen het ook eens gaan proberen. Dat waren altijd uitermate gezellige avonden en er zijn heel wat actieve knipsters uit voortgekomen. Ook voor het reumafonds heeft ze zich jarenlang met haar knipactiviteiten ingezet.

18 x 3 cm

En dan waren er natuurlijk de talloze braderieën en markten waarvoor ze uitgenodigd werd. Ze vertelde me heel smakelijk het verhaal dat ze drie dagen in Breda zou komen knippen en na afloop van de eerste dag ergens een hotel ging zoeken. Alles was vol in verband met de Taptoe die gehouden werd. NeI raakte niet in paniek, kon er om lachen en vond gelukkig toch nog ergens een adresje waar ze kon slapen.

 

 

 

Het lesgeven gaf Nel de grootste bevrediging: het werken met groepen en dan eruit halen wat erin zit. Daarbij hanteerde ze wel altijd haar eigen principes:

  • het liefste niet van te voren tekenen. door heel veel te oefenen de gewenste vorm eerst in je hoofd en dan in je vingers krijgen.
  • goed kijken, overal is inspiratie te vinden voor leuk knipwerk!
  • laat je niet beïnvloeden door andere knippers en knipsters, dus niet van alles naknippen, maar probeer iets van jezelf te geven.

14 x 3 cm

Ze vindt dat decoratief knippen iets is dat door iedereen geleerd kan worden. De in haar werk steeds terugkerende volkskunstmotieven zijn eigenlijk al zo oud als de knipkunst zelf. Mei ziet kans de symbolen van geloof, hoop en liefde, vogels, levensbomen, het zwaantje in allerlei variaties vast te leggen. Symmetrische vormen hebben daarbij haar voorkeur. Het illustratief knippen, knippen naar de werkelijkheid daarentegen, ziet NeI als iets heel anders, dat is moeilijker en niet door iedereen te leren.

Van haar eigen werk gaf ze veel weg, want het gaat haar eigenlijk niet zozeer om het product dat ze maakt. Dat heb ik aan den lijve ondervonden, want toen ik bij Nel thuis kwam om haar te interviewen en met een kopje thee aan tafel zat, keek ik de kamer eens rond op zoek naar haar knipwerk, maar tot mijn verbazing kon ik dat niet vinden! Er hing wel een mooi Zwitsers knipsel dat ze van een van haar dochters gekregen had.

18 x 3,5 cm

Ook haar plakboeken bleken slecht gevuld, het merendeel van haar werk heeft ze gewoon weggegeven. Er zijn nog wel wat krantenartikelen bewaard waarin over Nel en haar knipactiviteiten werd geschreven, maar ook dat vindt ze eigenlijk niet zo belang rijk. Het belangrijkste was en is voor haar dat ze anderen zoveel plezier heeft kunnen geven door hen enthousiast te maken voor de papierknipkunst. Het meest boeiende van knippen vindt NeI dat je met zulke simpele middelen als papier en een schaartje geweldige mogelijkheden hebt voor creatieve ontplooiing.

In 2005 kreeg Nel van de knipgroep Enkhuizen een groot feest aangeboden omdat ze 25 jaar geleden begonnen was met daar kniples te geven en eigenlijk gewoon was doorgegaan. Iedere keer weer bedacht ze leuke dingen om op de bijeenkomsten te knippen en als cadeau ontving ze een groot opvouwbaar knipsel waaraan iedereen had meegewerkt en een zilveren Enkhuizer Stedenmaagdspeld.

9  x 7 cm

Haar twee dochters hebben de artistieke gaven ongetwijfeld van hun moeder mee gekregen, want ze hebben beiden de Zilvervakschool in Schoonhoven met goed gevolg doorlopen. De oudste is graveur geworden en de jongste werkt als zilversmid.

Ondanks het feit dat Nels fijne motoriek niet meer zo goed is door twee TIA’s en een hersenbloedinkje, blijft ze blijmoedig en kan genieten van alles wat het leven haar te bieden heeft. NeI Wezel is een veelzijdig iemand die altijd haar talenten heeft gebruikt om de knipkunst te promoten. Haar doel is daarbij steeds geweest dat de knipkunst behouden blijft en wordt doorgegeven aan anderen. En daarin is ze in ruime mate geslaagd, hulde.

Door Ieke Boosman

5 x 15 cm

Dit artikel is eerder gepubliceerd in Knip-Pers 2007-3

Theun Broekstra, Nieuwsbrief 1998-4

In juni van dit jaar overleed in Australië de heer Th. Broekstra. Theun Broekstra is voor bezoekers van ons museum en lezers van de nieuwsbrief geen onbekende. Sinds 1989 hadden wij met hem contact, omdat wij op de veiling van de voormalige Westerborkcollectie het jaar ervoor alle Broekstra-knipsels konden aankopen. Naar aanleiding hiervan benaderden we hem, en de heer Broekstra was toen zo vriendelijk ons zijn, door Wiecher Lever geknipte, exlibris voor de collectie te schenken. In de jaren hierna schreef hij ons regelmatig en stuurde pakketjes met proeven van zijn knipwerk. In het najaar van 1995 hebben wij middels een kleine tentoonstelling aandacht aan zijn werk besteed. In de vaste opstelling zijn onder andere zijn vier jaargetijden en vier elementen (ca. 1951) en de geknipte tekens van de dierenriem (1994) opgenomen.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 1998-4, een uitgave van het museum van Knipkunst en Stichting W.Tj. Lever.

Knipsels van Broekstra, Nieuwsbrief 2003-4

In onze museumcollectie bevinden zich al jaren knipsels en drukwerken (naar knipwerk) van Theun(is) Broekstra (1914-1998). Twee lijsten met knipwerk zijn opgenomen in de vaste museumopstelling, waaronder de twaalf tekens van de dierenriem. De basis voor dit geheel werd gelegd bij de aankoopactie van 1988 toen een belangrijk deel van Levers Westerborkverzameling in handen van de stichting W.Tj. Lever kwam. In hetzelfde jaar kwamen we in contact met Broekstra, die in 1951 naar Australië was geëmigreerd. Broekstra, die in Nederland in de horeca werkte, had een voorkeur voor het maken van grafisch werk, zoals hout- en linosneden. Door een ontmoeting met Wiecher Lever op een handenarbeidtentoonstelling in Zeegse in 1948 werd hij gestimuleerd het papierknippen eens uit te proberen.

Het ging hem goed af en sinds die tijd maakte hij mooie knipwerken, waarin de invloed van het grafische werk goed te zien is (zie de afbeeldingen). In Australië werkte Broekstra onder andere voor een electriciteitsbedrijf en in 1970 begon hij een eigen onderneming: een zeefdrukkerij. Van knippen kwam in die tijd niet veel, hij begon daar weer mee na zijn pensionering in 1980. Ook ging hij, na een expositie over Chinese knipkunst in Melbourne te hebben bezocht, meer met kleur werken. Tot zijn overlijden hebben wij regelmatig met Broekstra gecorrespondeerd, ook is in het museum nog een presentatie van zijn werk gehouden. Aardig was dat hij ons, net als verschillende familieleden en bekenden in Nederland, jaarlijks een verrassingspakketje met knipsels stuurde, zolang het knippen voor hem nog mogelijk was.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 2003-4, een uitgave van het museum van Knipkunst en Stichting W.Tj. Lever.

Nieuwe museumaanwinst?, Nieuwsbrief 2003-4

Twee maanden geleden werd ons het knipsel “Kunst der Schaar” uit 1853 te koop aangeboden. Het stuk is, zo vertelde de aanbieder, afkomstig uit een Zaanse familie en gemaakt door de knipper J.S. van wie nog twee knipsels bekend zijn. Die gegevens ontleende hij aan het boekje “Schaarkunst” (1983), waarin twee stukken van deze knipper staan afgebeeld.

Inmiddels is gelukkig veel meer bekend geworden van deze knipper J.S. Zo’n tien jaar geleden ontvingen wij van Museum van Gijn in Dordrecht het knipsel “Leeft in Vrede” uit 1852.

De informatie bij dit werk was dat het was gemaakt door Jan Schot uit Katwoude, die zou hebben geleefd van 1771-1861. Dat laatste was niet juist, ontdekte Tonny Jurriaans van het Westfries Museum, die veel onderzoek naar knippers met de initialen J.S. heeft verricht (zie: Knip-pers 1994-4, p. 16-18). Zij kwam erachter dat deze fraaie knipwerken zijn vervaardigd door Jan Jansz. Schot (1828-1890), zoon van Jan Theunisz. Schot en Sijtje Postma. Jan Jansz. is niet getrouwd geweest, was van beroep arbeider en dus ook een heel goede papierknipper. Schot maakt zijn knipsels voor personen uit Katwoude en omgeving, maar in 1877 ook het huwelijksstuk Muis/Kuiper een echtpaar dat in Uitgeest woonde.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 2003-4, een uitgave van het museum van Knipkunst en Stichting W.Tj. Lever.

Uitroepteken voor Jo van Velsen, Knip-Pers 1994-1

Velen in de knipperswereld kennen Jo van Velsen uit Hilversum van de tentoonstelling ‘Knipkunst 1982’, gehouden in ‘t Spant te Bussum. Bijna dagelijks kwam ze daar zuiver voor haar plezier demonstreren. Ze was erbij toen mevrouw Kerp besloot een tentoonstelling te organiseren van knipwerken van alle Nederlandse knippers en knipsters, die haar toen bekend waren. Vooral de ouderen zullen Jo van Velsen kennen van nóg vroeger.

De creatieve en linkshandige Jo (“ook linkshandigen kunnen knippen, hoor”, zegt ze met nadruk) was begonnen met de kniptechniek uit te proberen toen ze eens van een vriendin wat kaarten kreeg met knipseltjes erop. Het lukte haar meteen en via het naknippen in het begin, maakte ze steeds meer en steeds fijnere producten van haar eigen fantasie.

Nu is zij niet de eerste, de beste. Zij komt uit een bijzonder kunstzinnige familie. Haar vader schilderde en van haar zeven broers hadden de meesten een kunstzinnig beroep. Zo was er een werkzaam in de bloemsierkunst, een andere had een antiekhandel en was expert in het maken van kerkelijke kunst en een derde was graficus. Haar enige zus knipt ook en maakt knipsels voor haar medezusters in een klooster. Van ‘haar iets bredere familiekring hebben verscheidene neven en nichten naam gemaakt in de kunst. “Zelf schilder ik ook met veel plezier en het knippen vind ik nog steeds énig om te doen”, verbaast ons dan ook niet uit haar mond te horen.

Een aardige bijzonderheid is dat zowel haar vader als haar moeder de kost verdiende met de SCHAAR! Haar vader had op 23 jarige leeftijd een eigen kapsalon en haar moeder had een eigen naaiatelier met 10 naaisters. De schaar was in huize van Velsen dus een gereedschap. Wat het gebruik van de schaar betreft, liet ook Jo zich niet onbetuigd. Van jongs af aan maakte zij ‘mooie dingen’, van de meest uiteenlopende materialen. Ook creëerde zij voor vele neefjes en nichtjes speelgoedbeesten en Teddyberen, lang voordat de huidige rage losbrak.

Zij exposeerde en hield lezingen op velerlei gebied. Hoewel ze -volgens haar zeggen- het leerboekje van mevrouw Kerp ‘Leer knippende zien? nooit gelezen heeft, heeft ze er wel veel aan gehad door de voor beelden na te knippen.. Ze belde mevrouw Kerp op om te vertellen hoeveel plezier ze in het knippen had en werden goede vrienden.

Het knippen liet haar niet meer los. Het. werd een hartstocht. Ze verzamelde boeken over knippen en zocht contact met andere knipsters. Haar werk is in verschillende periodes in te delen: kleedjes, hartenbrieven (waaronder heel fijne. en originele exemplaren), vlinders, vogels en andere dieren. Omdat bloemen en planten verzorgen één van haar vele hobby’s is, werd dat ook een specialisatie in haar knipkunst. En nog steeds lukt het haar heel fijne creaties te maken. Een van haar bekendste knipsels is ‘De heilige Franciscus van Assisi’, de dertiende eeuwse heilige die de armoede predikte, iets met de natuur had en tot de vogels sprak. Van dat knipsel is enkele jaren een poster gemaakt door de Werkgroep K 750 Utrecht (Milieu) en verspreid in verschillende Europese landen. Het knipsel is geïnspireerd op het Zonnelied van Franciscus waarin hij God dankt. voor zon, wind, water, bloemen, vogels en alles wat leeft.

Sint Fransiscus van Assissi

Legende van Sint Hubertus (1989)

Wie nu denkt op de hoogte te zijn van alle bezigheden van deze knipster, die 14 maart 1994 80 jaar hoopt te worden, heeft het mis. Want als natuurliefhebster wandelt, fietst en reist ze sinds ze op 71 jarige leeftijd met pensioen ging. Elk voorjaar gaat ze op vakantie met de Natuur Historische Vereniging naar natuurgebieden, telkens in een ander land, waarbij veel gelopen en geklauterd wordt om bijzondere bloemen, planten en ook dieren te bestuderen. Nieuwe inspiratie voor haar tekeningen en knipsels.

Als het weer het enigszins toelaat, wandelt ze urenlang om haar conditie op peil te houden. Gezien ze op haar leeftijd nog steeds een druk leven leidt, is haar dat wel gelukt. Tot haar 57ste jaar heeft ze gewerkt als hoofd huishoud- en gezinsvoorlichting in Utrecht en daarna nog 14 jaar consumenten informatrice voor de VARA en later voor de TROS. In haar gastvrije huis heeft ze een grote boekenschat, waaruit haar veelzijdigheid op creatief gebied duidelijk blijkt. Het knippen mag dan wel haar grootste hobby zijn, er is meer. Ze bezoekt vele musea en volgt al zo’n zes jaar schilderlessen bij een ouderencentrum. En evenmin als met haar inspannende en inspirerende reizen, is ze nog niet van plan met schilderen te stoppen.

Wat de knipsels betreft, noemden we al haar voorliefde voor de natuur en de hartenbrieven. Ook bloemenmanden en knipsels voor de feestdagen zijn favoriet. “Net Kerstmis ben ik bezeten van sterren, dan móet ik sterren knippen, hoewel de ontwerpen voor Pasen me nog beter liggen dan voor Kerst.” Op dit moment heeft ze zich op de bijbelse voorstellingen gestort, geknipt uit wit papier. Een nieuwe passie haast.

Twintig jaar heeft Jo van Velsen er over gedaan om zich de papierknipkunst eigen te maken. “Natuurlijk kun je dit niet ineens”, zegt Jo, die daarnaast zeer veel gedaan heeft voor het propageren van de knipkunst. Bij iedere demonstratie, lezing of tentoonstelling gaf ze met veel enthousiasme -als het ware- openbare lessen en wist ze menigeen lid te maken van onze vereniging. Op een van haar knipsels staat: “Het begin der wijsbegeerte is de verwondering”. Zo ondergaat Jo zelf elke keer die verwondering bij het zien van de grote verscheidenheid in het knipwerk van anderen: “Wat een variatie”, zegt ze. En zo verwonderen wij ons over de grote veelzijdigheid van deze knipster, Jo van Velsen. Geen wonder dat velen haar voor gedragen hebben voor HET UITROEPTEKEN dat heeft ze dubbel en dwars verdiend!!
Daarom Jo, in dit maartnummer, in dubbel opzicht: van harte gefeliciteerd!

Alle afbeeldingen bij dit artikel zijn geknipt door Jo van Velsen.

Door Lies Markus
Dit artikel verscheen eerder in Knip-Pers 1994-1

Over de papierknippers Cokart en Roemelé, Nieuwsbrief 2002-1

In de vorige nieuwsbrief (2001-4) hebben we werk laten zien van de ons onbekende papierknipper J.Cokart. Het ging om een spreukenknipsel uit 1786 en twee bavelaartjes uit 1796. Een korte zoektocht bracht ons in contact met mevrouw A. Cokart, die ons doorverwees naar haar broer, de heer H. Cokart. Hij beschikte over een gepubliceerde genealogie van het geslacht Cokart, van de hand van de genealogen Wijnman en Kits Nieuwenkamp, en verstrekte ons naam en adres van een familielid dat bijzonder in familieonderzoek geïnteresseerd zou zijn. Deze heer R. Cokart stuurde ons een volledig bijgewerkte genealogie Cokart waarin we verschillende Cokart’s met de voorletter J. vonden.

Vaak ging het daarbij om vroeg overleden kinderen, maar we troffen ook twee Cokart’s aan, die mogelijk de papierkunstenaar zouden kunnen zijn. Janneije Cokart (1737-1807) uit Amsterdam was getrouwd met de zilversmid Joost Meyer. Haar broer Jan (1739- na 3 aug. 1810) was, net als vader en grootvader “yvooren kammenmaker” van beroep en was getrouwd met de dochter van de glazenmaker Petronella Scholten. Van deze Amsterdammers is dus duidelijk dat zij zich bevonden in een ambachtelijk/kunstzinnige omgeving, maar van beiden is tot nu toe geen vermelding als papierknipper/-ster bekend. Dat bewijs moet dus nog worden gevonden en in dit opzicht is het Cokart-verhaal vergelijkbaar met dat van H.van Battum (zie nieuwsbrief 2001-2).
Met Cokart zijn we ons gaan bezighouden naar aanleiding van vragen van de heer Nystad en de heer en mevrouw Meijer.

Van de heer Havelaar van het Museum voor Communicatie in Den Haag ontvingen we een verzoek om informatie over de papierknipper W.P.A. Roemelé (1791-1833). Na toesturing van enige gegevens over deze knipper uit Paterswolde zond hij ons een mooie uitdraai van de website van februari 2002 van zijn museum.

 Roemelé, coll. Beeld & Geluid, Den Haag

Het knipsel van Roemelé wordt daarop uitvoerig besproken in de rubriek “Object van de maand” onder de titel “Bruilofstfeest in knipselkunst”. Het gaat om een stuk van groot formaat (ca. 80 x 100 cm) dat is gemaakt ter gelegenheid van het 20-jarig huwelijk van Benjamin Donker Curtius (1790-1863) en Christophora Josina van Harn (1790-1845) op 14juni 1829.

Donker Curtius was onder meer inspecteur-generaal van de Dienst der Posterijen en vanaf 1822 directeur van het Postkantoor in Amsterdam. Over het knipwerk vermeldt de tekst van de website: “…Centraal in het grote knipsel, dat in totaal zo’n 80 bij 100 cm meet, is een soort altaar geplaatst waarop een tekst met onder meer de namen van beide partners is gekalligrafeerd. In de tekst wordt het een “echtaltaar” genoemd. De letters zijn overigens allemaal uit papier geknipt en daarna opgeplakt op de blauwe ondergrond. (dus geen kalligrafie maar knipwerk, red.) De tekst luidt: “Uit byzondere hoogachting opgedragen aan den hoogedele geboren heer, Benjamin, Donker, Curtius. Directeur der Kon: Nedl: Posterijen der stad Amsterdam. enz: enz: enz: en deszelfs hoogedele geboren echtgenote mevrouwe, Christophora, Josina, van Harn. Door H: Hooged.geb: dienaar. steeds gehoorzame W.P.A. Roemelé” en “Gods zegen ruste steeds op ‘t heilzaam trouwverbond Van dit gelukkig paar. Een stoet van hemellingen ziet men met Mirth en Palm, het echtpaar omringen; Terwijl hun juichend lied toekomstig heil verkond. Lang moge ‘t achtbre Paar, hier keur van bloemen plukken. En ‘t Elf-tal lieflyk kroost hun deugdzaam voetspoor drukken. Dees’ Eerzuil zy gewyd aan DONKER’s rijk geslacht, Welk deugd, in d’ eeuwigheid, een’ schooneren tempel wacht”.

 

Aan beide zijden van dit tekstpaneel is een pilaster geplaatst. Deze zijn opgebouwd uit diverse lagen papier en krijgen daardoor ook enige ruimtelijkheid. Boven het altaar een decoratief stuk met aan de uiteinden ranken en bovenin een portret van het laatstgeboren kind van Donker. In het midden een Latijnse tekst, die vrij vertaald luidt: “zij worden beloond, die zich welwillend jegens ons hebben getoond”. Vlak boven het altaar een fraai soort “bovenschoorsteenstuk” met putti (kleine engeltjes) waarin de kunstenaar zich bijzonder heeft kunnen uitleven. Op de blauwe cartouche staat dan ook vermeld “schaarkunst”. Aan zowel de linker- als de rechterrand is een guirlande met portretten te zien.

 coll. Beeld & Geluid, Den Haag

Linksboven is Donker zelf geportretteerd. Onder hen de kinderen. Ze hadden er elf in totaal. Boven zijn nog wolken geknipt in reliëf en de familiewapens, die worden gedragen door putti. Het kunstwerk werd vervaardigd door W.P.A. Roemelé (1791-1833), een toen bekende papierknipper, die dit in opdracht van het personeel heeft vervaardigd…”.

Na restauratie door Art Conservation uit Vlaardingen kon het knipsel definitief in de collectie van het Museum voor Communicatie worden opgenomen. Een schitterende aanwinst.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 2002-1, een uitgave van het museum van Knipkunst en Stichting W.Tj. Lever.