Categoriearchief: publicatie

De papierknipster van Juweel, Nieuwsbrief 1994-3

Enige jaren geleden kocht het Historisch Museum in Rotterdam een klein schilderij van een onbekende meester voorstellend een papierknipster. De papierkunstenares houdt in haar hand een opvallend knipwerk, een soort hanger van twee uit wit papier opengeknipte bollen. In de ronde vormen zijn kleine geknipte details te zien en er zijn twee namen in opgenomen. In de bovenste bol “Joanna van Verwinde”, in de onderste las men bij het museum aanvankelijk “Nicolaas Sywe”. Wij zagen er meer “Nicolaas v Weel” in. Plaats en datum zijn ook in deze bol aangegeven: “Rotterdam 1696”. Onlangs vernamen we van de heer Thiels, conservator van het Rotterdamse museum dat men bij het R.K.D. nog een afbeelding van mogelijk dezelfde papierknipster had gevonden.

Die kunstenares, hier wat jonger weergegeven zonder bijfiguur, houdt een vergelijkbaar knipsel in haar hand waarin erg duidelijk de naam “Nicolaas Juweel” te lezen is. En die Nicolaas Juweel was een vrij onbekende Rotterdamse schilder die mogelijk in 1639 werd geboren en in 1704 is overleden. Dit schilderij werd in 1946 in Rotterdam geveild, de huidige verblijfplaats is onbekend. Juweel was dus de schilder van deze intrigerende werken, blijft de vraag: wie was knipster Joanna van Verwinde? Uit omstreeks 1696 zijn ons in Rotterdam maar twee knipkunstenaars bekend, namelijk Gilles van Vliet en Elisabeth Rijberg. Misschien kwam zij niet uit Rotterdam, maar hoe is het mogelijk dat de maakster van dit opmerkelijke knipwerk tot nu toe onbekend is gebleven? Wellicht kunnen deze en andere vragen in de toekomst met succes worden beantwoord. Met deze twee schilderijen hebben we in ieder geval een prachtig uitgangspunt voor verder onderzoek.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1994-3 van Stichting W. Tj. Lever.

In 2022 is geconcludeerd dat de afgebeelde knipster Aleijda Juweel is.

Vier achttiende eeuwse knipkunstkabinetten III, Nieuwsbrief 1993-4

Jan Kopper (1714-1788)

De vrij recente ontdekking van de “Beschryving van het Vorstelyk Konstcabinet van Papiere Snykonst, gewrocht en nagelaaten, door den heere Jan Kopper” heeft duidelijk gemaakt waaruit de verzameling zelfvervaardigde kunststukken van deze Rotterdamse bakker heeft bestaan. Waren al eerder interessante biografische gegevens en vermeldingen over de papierkunst van Kopper bekend geworden, de gevonden gedrukte beschrijving van Koppers kunstkabinet betekende een antwoord op vele vragen over de activiteiten van deze knipkunstenaar. De beschrijving bevat ook een vlot te lezen levensschets en twee lofdichten. In die levensschets zijn enige nieuwe gegevens aan te treffen.

Er blijkt uit dat Kopper reeds op jeugdige leeftijd met  papierknippen is begonnen: “In zyn eerste jeugd sneed hy reeds Scheepjes, Gezigtjes en andere voorwerpen, doch zeer onvolmaakt, ten opzicht van zyn volgend werk, hoewel met meer zwier als men van kinderen zulks gewoon is.. .“. Koppers eerste vrouw, Maria Lievingston, was ziekelijk van aard, zodat hij nogal aan huis gebonden was. Zij raadde hem “. . .de oeffening der Zang- en Speelkonst af (…) en dit was het tydstip waar in hy de schaar opvatte, om in zyn reeds begonne knipwerk meer vordering te kunnen maaken..”. Maria overleed in 1760, Kopper hertrouwde in 1762 met Sara van Vlugt, die echter al een jaar later in het kraambed stierf. De onbekende auteur van de levensschets schrijft over deze treurige gang van zaken: ‘.. .Dit trof KOPPER zoodanig dat hy in ‘t vervolg van den gehuwden staat afzag, zig van zyn affaires ontdeed, en het eenzaam leven verkoos, houdende met een dienstmaagd huis, die hem tot zyn dood bij bleef. . .“Jan Kopper richtte zich nu volledig op de papierknipkunst: “Nu leidde hy zig met de borst op zyn geliefde konstwerk toe, en spande alle zyne vermogens in om zig daar in te volmaaken. Hy slaagden in zyn oogmerk, want over de schoonheid en menigvuldigheid van ‘s mans Konststukken moet men zig verwonderen. .“. Het knipwerk van Kopper wordt in de levensschets uitbundig geprezen en vermeld wordt dat dit niet alleen aanwezig was in “nagelaate Cabinet° maar ook in “nog grooter aantal in Frankryk, Engeland, Duitschlan en voornamelyk in deze Republiek in Konstkamers en Vorstelyke vertrekken (…)“

De schrijver van de schets laat verder weten: “…‘s Mans uitmuntend Konstcabinet van Papiere Snykonst berust thans by de Heer D. VAN STIPRIAAN, Koopman op de Hoogstraat, op de hoek van de Lamsteeg, te Rotterdam, derde Zoon van des overledenen eenigste Zuster.. “.
Die zuster, Agatha Kopper, wonend te Oudewater, was door Jan benoemd tot erfgenaam en dus eigenaar van zijn knipkunstverzameling. Agatha stierf in 1798, in 1799 zijn de “liefhebberijen” van Kopper getaxeerd en gelijkelijk verdeeld onder vier familieleden. Zo is het knipwerk van de Rotterdarme bakker verspreid geraakt.

Het boekje (levensschets, lofdichten en beschrijving van de verzameling) is waarschijnlijk door Koppers familie kort na zijn dood uitgegeven, wellicht samen met het door Hendrik Roosing gegraveerde portret van 1789 naar een schilderij van Nicolaas Muys uit 1773. Het zal niet bedoeld zijn geweest om zo voor het geheel een koper te vinden, maar moet meer gezien worden als een eerbetoon aan de papierknipkunstenaar. Uit de boedelinventaris van Jan Kopper blijkt niet dat hij zijn knipwerken al in een kabinetkast had ondergebracht, in tegendeel zijn knipsels konden op diverse plaatsen in zijn huis worden aangetroffen, van het afgeschoten kamertje op zolder tot in de keuken. De boedelrekening van 1799 (opgemaakt na het overlijden van Agatha) toont echter de kosten voor het maken van een “rariteitenkas” door timmerman Sandoz. Het heeft er daarom alle schijn van dat de familie voor Kopper een monument heeft willen oprichten in de vorm van een kunstkabinet. Ook na de dood van Koppers erfgename veilde men de kunstwerken niet, maar zorgde ervoor dat ze in de familie bleven. Hoe Koppers kunstkabinet er precies heeft uitgezien blijkt uitvoerig uit de achttien pagina’s tellende beschrijving: “…Dit konstryk Cabinet, bestaat uit eene verzameling, van circa 100 Stukken alle in lysten met glazen; meestal van de schoonste en uitvoerigste, die de Heer KOFFER (…) heeft gewrocht. . .“ en voorts uit acht “geheele SCHEEPEN”, “Eenige TABAK en SNUIFDOZEN, met uitmuntende stukjes in de deksels”, “Eenige RINGEN, waar in de schoonheid van ‘s mans konst uitblinkt” en een portefeuille met papieren snijsels “die geen gering gedeelte van zyn Ed: konstwerk uit- maakten”. Tenslotte twee pronkstukken:”.. .Den TEMPEL van SALOMON en de ZAAL met het PARADEBED van Zyne Doorluchtige Hoogheid, W.C.H.FRISO, Gr. Ged. . . »‘Die papieren stukken stonden op een afzonderlijke tafel onder een glazen stolp. Na dit overzicht volgt een beschrijving van de vorm en indoud van het kunstkabinet: “. . .Het Cabinet zelfs, bestaat uit zes kasten, of vakken, drie aan drie, neevens den anderen…”. In het middelste vak van het eerste drietal bevond zich het door Muys geschilderde portret van Jan Kopper. Daarboven het portret uit wit papier van de Rotterdamse predikant Petrus Hofstede en ter weerszijde ervan twee ingelijste “door elkander gesneede boek- en kaartenbladen”. In dit vak zijn tevens opgenomen twee maritieme voorstellingen in lijst en vijf maritieme knipsels in kastjes. Twee ervan zijn niet gemaakt uit wit, maar van “gecouleurt papier”.

In het vak rechts hangen tien stukken, alle maritieme voorstellingen, zoals “eene Groenlandsche WALVISCHVANGST” en het “hardnekkige GEVECHT, tusschen het Fransche Fregat, la Belle Poule, en het Engelsch Fregat d’Aretbuse, den 17 Juny 1778”. In het linkervak eveneens tien stukken, waaronder “een gezicht van, voor de WILMSTAD; op den voorgrond zeilt een Fregat en eenige gints en weder zeilende Scheepen, Poonen en Veerschuiten; in ‘t verschiet eene Vuurbaak en een Zeedorp”. Dan volgt een beschrijving van het tweede drietal kasten of vakken. In het middelste vak hangen 18 stukken ingelijst in vergulde of zwarte lijsten. Ook hier weer voorstellingen met schepen met soms op de ach tergrond een kustgedeelte, een haven of een dorp. In het vak rechts hiervan 22 stukken met maritieme voorstellingen, Rotterdamse onderwerpen (“een gezicht van de LEUVEHAVEN”, “een uitmuntend gezicht van het WESTERSCHE OUDE HOOFT”), gezichten op de havens van Amsterdam en Harlingen en het portret van Maarten Luther. In het vak links ook 22 stukken, waaronder diverse Maasgezichten en het portret van Johannes Calvijn. De inhoud van de (open) vakken is nu duidelijk, maar het kunstkabinet bestaat uit meer. Er worden nog vijf ingelijste stukken vermeld, zoals “Een extra fraaije BUITENPLAATS’ en “Eene zeer uitvoerige bolle ZEE”. In een lade bevonden zich zestien snuif- en tabaksdozen met knipsels in de deksels gemonteerd. Diezelfde lade bevatte ook acht zilveren en gouden ringen “waar in Zeetjes, met Scheepjes, zeer klein, echter schoon en uitvoerig”. Verder een portefeuille met 22 snijwerkjes. Het overzicht ( 3 ) eindigt met de vermelding van de Tempel van Salomo (die gemaakt is uit wit papier, maar waarvan onderdelen verguld of verzilverd zijn), het Paradebed van W. C . H . Friso (naar een afbeelding van J . Punt uit 1752) uitgevoerd in zwart en wit papier en een    “extra ordinair schoon FREGAT” uit gekleurd papier. Deze drie stukken stonden onder glazen stolpen opgesteld. Tenslotte nog: twee maritieme voorstellingen, twee Oranjebomen in kuipjes en drie, gekleurde onvoltooide schepen, “zynde deeze, de laatste Konstwerken van den Heere JAN KOPPER”.
Inmiddels zijn enige knipsels van Jan Kopper opgespoord, zoals een doosje met een knipsel in het deksel en een serie van 10 maritieme voorstellingen (bezit van de familiestichting Blussé van Oud-Alblas,nu in bruikleen bij het Maritiem Museum in Rotterdam).          De ontdekking van de beschrijving van Koppers kabinet van papierknipkunst maakt het mogelijk nu gerichter naar het werk van de Rotterdamse bakker in particuliere en museale verzamelingen te speuren.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1994-3 van Stichting W. Tj. Lever.

Piet van Stuivenberg, Nieuwsbrief 1993-4

Pieter Antonie van Stuivenberg is beeldhouwer, maar heeft zich ook als schilder en lithograaf bewezen. Hij werd in 1901 geboren te Schiedam, waar hij is blijven wonen en zijn atelier heeft. Zijn opleiding ontving hij tussen 1921 en 1927 aan de Academie van Beeldende Kunsten te Rotterdam. Hij wilde schilder worden, maar zijn leraren, onder wie de schilder H. Mees en de beeldhouwer L.F. van der Tuuk, gaven hem het advies zich op de beeldhouwkunst te richten.

 

Als zoon van een onbemiddelde Schiedamse molenaar moest Van Stuivenberg al op zijn 14de gaan werken bij een steenhouwerij. Zijn gevoel voor plastische vormen en materialen dankt hij misschien aan die omstandigheid. Daarna was hij enige tijd leerling bij een Delftse pottenbakkerij, voordat hij de academie bezocht. Tot in de jaren ‘50 heeft hij onder moeilijke omstandigheden geleefd. Om in zijn levensonderhoud te voorzien heeft hij gedurende 28 jaar moeten werken in een distilleerderij en heeft hij ook nog andere baantjes aangepakt, In zijn achtergrond en zijn artistieke opvattingen had hij veel gemeen met de groep ‘R33’, waarvan hij van 1933 tot 1940 lid was. Erkenning voor zijn gaven als beeldhouwer kwam pas na de oorlog toen hij van de Rotterdamse Kunststichting de opdracht kreeg voor een monument, een abstracte zuil, die in 1950 op Opbouwdag bij het Bouwcentrum werd onthuld. Van belang voor latere opdrachten en voor zijn verdere ontwikkeling als non-figuratief beeldhouwer, waren de betonplastieken die hij tussen 1953 en 1955 vervaardigde voor het Provinciehuis te Arnhem. Toch heeft Van Stuivenberg zich niet beperkt tot het bewerken van steen. Hij heeft er ook mee gewerkt, en wel als lithograaf bij de Grafische Werkgemeen schap en de Aragroep. Als beeldhouwer werd hij lid van de Nederlandse Kring van Beeldhouwers en in 1957 van de Liga ‘Nieuw Beelden’. Hij maakte studiereizen naar Londen en Parijs.

Bovenstaande levensbeschrijving van Piet van Stuivenberg (1901-1988) ontleenden we aan de catalogus van de expositie “Mooi van Kleur” die enige jaren geleden in het Historisch Museum van Rotterdam is gehouden.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1994-3 van Stichting W. Tj. Lever.

Expositie “Rotterdamse papierknipkunst”, Nieuwsbrief 1994-2

De stad Rotterdam heeft in het verleden verschillende papierknippers van naam als inwoner gehad. De bekendste zijn wel Gilles van Vliet (ca.1635-1701), Elisabeth Rijberg (overl. 1721) en Jan Kopper (1714-4788). De geschiedenis van de Rotterdamse papierknip- en snijkunst tot 1900 is beschreven in de brochure “Zeer uitstekende kurieuze stukken van papier” die in 1987 werd uitgegeven. Die brochure is al lange tijd niet meer verkrijgbaar, maar ligt bij de tentoonstelling in het museum voor bezoekers ter inzage. De geschiedenis tot het begin van deze eeuw wordt in beeld gebracht middels twee fotopanelen. We zijn er de afgelopen vijf jaar in geslaagd knipwerk en gegevens te achterhalen van vijf papierknippers die voornamelijk in de periode 1900-1940 in de Maasstad werkzaam zijn geweest. Het zijn Klaas Bakema, Bram Bosch, Theodorus van Eck, Wybrand Schaap en Johan Bennik.
   

Van deze vijf is Klaas Bakema (1882-1958) zonder meer de bekendste. Bakema zag op de markt in Rotterdam in 1915 een Franse silhouettist aan het werk en besloot toen het knippen van profielportretten zelf eens te proberen. Het lukte al direct erg goed en dat heeft er toe geleid dat Bakema altijd, naast een baan als kantoor machinereparateur, silhouetten en andere knipsels is blijven maken. Klaas Bakema kwam in 1950 in contact met Wiecher Lever die als beginnend professioneel knipkunstenaar niet alleen knipwerk uit wit of zwart papier maakte, maar die ook zichzelf het portretknippen had aangeleerd. Uit de periode 1950-1953 dateert een reeks getypte en geschreven brieven van Bakema aan Lever waarin deze zijn levensverhaal beschrijft. Dat verhaal is gepubliceerd in grote lijnen in het vouwblad “Rotterdamse papierknipkunst” nr. 1 (1990).

 

Schipper Abraham Bosch (1865-1943) was in de jaren dertig een bekende figuur op de schippersbeurs in Rotterdam. Hij vermaakte daar zijn collega’s, die in afwachting waren van schaarse vracht, met zijn knipwerk, grappige verhalen en imitaties. Zijn knipsels waren vaak erg geestig, zo beeldde hij diverse spreekwoorden op geheel eigen wijze uit. Ook had hij oog voor de actualiteit; Bosch knipte bijvoorbeeld de “Terechtstelling van Van der Lubbe’ en de “Sprong van Vlasblom van de Hef’.

Knipsels van Theodorus van Eck (1837-1932) bevonden zich bij de aanwinsten van onze stichting in 1988. Het bleek te gaan om een schenking van juffrouw Lagerwei aan Levers knipkunstmuseum in Westerbork, knipsels die rond 1910 moeten zijn gemaakt. Van Eck was toen ongeveer 70 jaar oud. Enige jaren geleden leverde een artikel in het Rotterdams Nieuwsblad reacties op van familieleden van Theodorus van Eck. Zo kwamen we te weten dat hij in Rotterdam is geboren en overleden, dat hij getrouwd is geweest met Jannetje van den Tol en dat hij in verschillende beroepen werkzaam is geweest. Hij was o.a. wachter aan de Rhijnspoorweg, smid en los werkman. Een kleindochter van Van Eck beschikte over een album met kleine knipseltjes van haar grootvader dat wij mochten bekijken. Op grond daarvan konden we enige knipsels van onbekende hand uit onze verzameling alsnog toeschrijven aan deze papierknipper.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1994-2 van Stichting W. Tj. Lever.

Vier achtiende-eeuwse knipkunstkabinetten II, Nieuwsbrief 1994-2

In de vier nieuwsbrieven van dit jaar besteedden we aandacht aan vier “kabinetten van papieren snijkunst” uit de 18de eeuw. In het maart-nummer publiceerden we gegevens over het kabinet van de knippende schoolmeester Simon Verhoeff uit Hillegersberg, dit keer gaan we in op de papierkunst van Amsterdammer Hendrik Voerman.

Hendrik Voerman (overleden 1795)

Wederom een advertentie in de Rotterdamsche Courant heeft ons op het spoor gebracht van een nagenoeg onbekende papierkunstverzameling. Op 4 augustus 1796 wordt in deze krant de aankondiging opgenomen van de veiling van een “uitmuntend en zeldzaam Kabinet Kunststukken, allen van Papier” door de Amsterdamse makelaars Yver, Heimbach en Lamaison. Op 11 augustus zullen de kunstwerken, “allen zelve gemaakt en nagelaten door de dieswegens welberoemden, nu wylen Hendrik Voerman, in leven Hoofdgaarder van den Impost op den Tabak enz. alhier”, worden verkocht. Over die Hendrik Voerman is weinig bekend.

In enige kunstenaarslexica zijn wel summiere gegevens over hem opgenomen, ze lijken grotendeels ontleend aan de genoemde veilingadvertentie. Het geboortejaar van Voerman is niet achterhaald, wel is uit onderzoek gebleken dat hij in 1795 is gestorven. Op 4 november van dat jaar is hij te Amsterdam begraven. Het kabinet van Hendrik Voerman heeft blijkens de advertentie vooral bestaan uit modellen van gebouwen uitgevoerd in papier. Genoemd worden de St. Pieterskerk in Rome, de St. Paul’s Cathedral te Londen en het Stadhuis van Amsterdam “in twee grootens”. Verder worden diverse Rotterdamse gebouwen vermeld: het Gemeenlandshuis, de Nieuwe Hoofdpoort, de Beurs en de Lutherse Kerk. Andere modellen van gebouwen zijn het stadhuis van Weesp, het “Huis van Hope buiten Haarlem” en de voorgevel van “Felix Meritis” in Amsterdam. In de advertentie worden ook nog ‘verscheiden andere Kunstwerken’ genoemd, niet duidelijk is wat daarmee wordt bedoeld. Werk van Voerman is, behalve uit deze advertentie, uit enige andere bronnen bekend. Zo heeft zich in de verzameling van kunstcollectioneur en prentuitgever Cornelis Ploos van Amstel (1726-1798) een fraai mahoniehouten kistje met een zestal kolom men van papier in verschillende bouworden, gemaakt door de Amsterdamse modellenmaker, bevonden. De broer van Cornelis, Jacob Ploos van Amstel (1735-1784) heeft Voerman een model in papier laten vervaardigen van een tempel, waarvoor de tekening is gemaakt door Jacob Otten Husly. Die tempel was bedoeld als monument voor Hugo de Groot; Jacob Ploos van Amstel toonde het papieren model tijdens een redevoering voor het genootschap Concordia et Libertate in 1774 aan zijn toehoorders. Het werkelijke gebouw is nooit verrezen.

Vervolg uit Nieuwsbrief 1993-4

Tot de kunstverzameling van John Hope (1737-1784) hebben twee door Voerman gemaakte papieren modellen behoord. Een Model van een gevel van een huis; geheel volgens de proportie der bouwkunde uitgewerkt van wit bordpapier. door Hendrik Voorman, “a° 1764 hoog 16, breet 18 in een swart Ebbenhoute kas met spiegelglas”. Hope zelf vermeldde daarover: “Door H.V. voor my gemaakt om f 70:-:-”. En, een “Model van een Gothique Tempel of Capel, van wit carton door H.Voorman. hoog 10 lang 11, breet 8.” Tot nu toe is slechts de verblijfplaats van een van de door Voerman vervaardigde modellen bekend. Het is de voorgevel van “Felix Meritis” (afb. 1) die ook in de advertentie in de Rotterdamsche Courant wordt genoemd.

Dit model is eigendom van het Rijksmuseum, maar bevindt zich als bruikleen in het Historisch Museum van Amsterdam. Het is een stuk van forse afmetingen: 90,8 x 70,7 x 14,5 cm. Het Historisch Museum van Rotterdam beschikt over enige modellen uitgevoerd in karton en hout van Rotterdamse gebouwen, waaronder de voorgevel van het Schielandshuis (27 x 25 x 10 cm). Dat model is weer vergelijkbaar met de modellen van de Oude Hoofdpoort en de Wester Nieuwe Hoofdpoort of Witte Poort in de collectie van het museum. Deze modellen bieden echter geen enkele aanknopingspunten over de maker(s), zodat verder onderzoek zal moeten uitwijzen of het hier eveneens gaat om werk van Hendrik Voerman.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1994-2 en 3 van Stichting W. Tj. Lever.

Deze advertentie is ook geplaatst in de Opregte Haarlemsche Courant en de Amsterdamsche Courant. Dit is in 2022 gevonden via Delpher.

Knipwerk uit de Krimpenerwaard II, Nieuwsbrief 1994-2

Op de tentoonstelling in Krimpen aan den IJssel in 1990 vernamen wij van de directeur van het museum Crimpenerhof mevrouw Van Hooft dat zich in het Streekarchief te Schoonhoven een interessant knipsel moest bevinden. Dit voorjaar bezochten we het streekarchief en troffen daar een mooi knipsel aan gemaakt ter herinnering aan de Schoonhovense zilversmid Dirk Hendrik Greup (1803—1883).

Een echt “souvenirstuk” dat in 1986 aan het archief werd geschonken. Met de schenkster namen we contact op en zij wist ons te vertellen dat het knipsel moet zijn gemaakt door J. Detmar, een ons onbekende papierkunstenaar. Een andere waardevolle mededeling was dat er ook een pendantstuk is gemaakt voor de vrouw van Greup, Maria Wilhelmina Lazonder die eveneens in 1883 is overleden. Dit knipsel is enige jaren terug geveild, de verblijfplaats is tot nu toe niet bekend. In samenwerking met het Streekarchief voor de Krimpenerwaard gaan we nu op zoek naar gegevens over knipper Detmar en het knipsel van Maria Lazonder. Eventuele resultaten van dit onderzoek zullen we natuurlijk te zijner tijd in de nieuwsbrief opnemen.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1994-2 van Stichting W. Tj. Lever.

Knipwerk uit de Krimpenerwaard I, Nieuwsbrief 1994-2

        

Eind 1990, begin 1991 organiseerde Stichting W. Tj. Lever voor het museum Crimpenerhof, het streekmuseum voor de Krimpenerwaard, een tentoonstelling over papierknipkunst. We spraken daar toen mevrouw Van der Graaf uit Schoonhoven die vertelde dat haar grootmoeder ook knipsels had gemaakt. Toen we met het museum naar Schoonhoven kwamen namen we contact met mevrouw Van der Graaf op en zij stelde ons in de gelegenheid deze, inmiddels ingelijste, werkstukken te bekijken. Het waren eenvoudige, dubbelgeknipte, knipsels uit gekleurd papier (rood, oranje, groen). Ze zijn geknipt door Aaltje Kapteijn (1841-1933) die ze heeft gemaakt voor haar 23ste levensjaar. Aaltje woonde in Berkenwoude.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1994-2 van Stichting W. Tj. Lever.

Vier achttiende eeuwse knipkunstkabinetten, Nieuwsbrief 1994-1

 In de nieuwsbrieven die in 1994 zullen verschijnen willen we aandacht besteden aan vier 18de eeuwse “kabinetten van papieren snijkunst”. Het gaat daarbij steeds om een verzameling papierkunst gemaakt door één papierknipper of -knipster. Het woord kabinet had in die tijd niet alleen de betekenis van verzameling. Het kon ook worden gebruikt om een ruimte mét een collectie aan te geven óf duiden op het opbergmeubel waarin de verzameling was ondergebracht. We beginnen met het knipkunstkabinet van een schoolmeester uit Hillegersberg bij Rotterdam.

Simon Verhoeff (1745- 1796)

Op 14 maart 1799 kondigt de Rotterdamse boekverkoper J. Hendrik sen in de Rotterdamsche Courant aan dat hij eind april zal gaan verkopen boeken prenten, schilderijen en het “Cabinet van Snykonst, van wylen den Schoolhouder S. Verhoef , aan den Berg”.

Het is de eerste van een reeks advertenties waarin telkens dat knipkunstkabinet wordt vermeld. Hendriksen probeert in de krant op steeds wisselende wijze deze papierkunst aan te prijzen en heeft het over het “Cabinet van Snykonst”, “het beroemde Konstkabinet van Snykonst”, “het overheerlyk Kontkabinet” en ‘het KonstKabinet van Papieren Snykonst” (14 maart, 26 maart, 6 april, 20, 23 en 25 april 1799).

Wie die schoolmeester S. Verhoeff was ontdekken we in een rouw advertentie van enige jaren eerder. Maria van der Meide laat in de Rotterdamsche Courant van 25 oktober 1796 weten dat haar man Simon Verhoeff, koster, voorzanger en schoolmeester te Hillegersberg op 20 oktober ten gevolge van een galziekte is overleden in de ouderdom van vijftig jaar en bijna elf maanden. Zijn die vermelde gegevens juist, dan moet Simon Verhoeff eind 1745 zijn geboren.

Simon Verhoeff, schoolmeester uit Nieuwerbrug, heeft in 1771 gesolliciteerd naar de onderwijzersplaats in het dorpje Hillegersberg. Van de 43 sollicitanten blijven er voor de tweede ronde drie sollicitanten over: Jan Heynis uit Woerden, Willem Westveld uit Oud-Alblas en Simon Verhoeff uit Nieuwerbrug. Verhoeff wordt gekozen met 18 stemmen tegen respectievelijk 10 en 7 stemmen. In het archief van de gemeente Hillegersberg zijn een brief van Verhoeff aan de schout en de afgelegde proeve van schrijfkunst bewaard gebleven.

Proeve van Schrijfkunst

Niet bekend is welk papierknipwerk Simon Verhoeff heeft gemaakt. Dat wordt niet duidelijk uit de advertenties van boekverkoper Hendriksen, de catalogus van de veiling in april 1799 kon niet worden achterhaald. Werk van Verhoeff in particuliere of museale collecties is nog niet aangetroffen. Toch beschikken we over een schriftelijke bron die een indruk kan geven van de knipkunst van de Hillegersbergse schoolmeester. In 1863 is te Delft in de maanden juli en augustus namelijk een tentoonstelling gehouden van oudheden en merkwaardigheden.

In de tentoonstellingscatalogus vinden we, naast werk van diverse andere papierknippers, vermeld onder de nummers 2240 en 2241: “Een zee met schepen in lijst, 1770 en een dito van 1765” ingezonden door G. van Schagen en “Een gezigt op Rotterdam van de Maaszijde; met schepen” uit het bezit van Mevr. de Wed. van Swieten. Ze zijn gemaakt door knipper G. Verhoef; gezien het bovenstaande gaan we er nu vanuit dat in Delft werk van Simon Verhoeff uit Hillegersberg te zien is geweest.

 

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1993-1 van Stichting W. Tj. Lever.

Knipsels van Jan J. Gort ?, Nieuwsbrief 1993-4

In onze verzameling bevindt zich een knipsel dat waarschijnlijk oorspronkelijk is gemaakt tussen 1817 en 1820 door een Groningse schipper. Wiecher Lever maakte van dit stuk in 1951 een kopie toen hij in de gelegenheid was het knipsel te restaureren. (zie voorpagina)  In de “Noord-Ooster” van 4 juni 1955 schreef Lever uitvoerig over dit knipsel dat zich bevond in een oud zeemanshuis aan het Beneden Verlaat in Veendam.

Hij leerde het knipwerk kennen toen hij als schipperszoon daar op ongeveer negenjarige leeftijd vanwege het volgen van onderwijs in de kost was bij een oudoom vlak in de buurt. Over het knipsel schrijft hij: “. . .Hoe ging in die dagen mijn bewondering naar een knipprent welke daar aan de wand hing. De slingers daarop aangebracht rekenen wij als van een onbereikbare wereld. En bij navraag werd altijd gezegd dat een voorvader deze gemaakt had, dezelfde die ook de houten poppen, welke in de vensterbank stonden gesneden had..

Wiecher Lever ging op zoek naar die voorvader en publiceerde zijn eerste onderzoeksresultaten in de “Noord-Ooster” van 1955. Een jaar later schrijft hij voor “Gens Nostra” een artikel over het knipwerk en zijn geschiedenis.

Het knipsel vermeldt het huwelijk van Jan Jans Gort (zoon van Jan Hindriks Gort en Anna Jans) en Janna Egberts Kistenkast (dochter van Egbert Jakobs Kistenkast en Konnegjen Hendriks). Uit dit huwelijk zijn vijf kinderen geboren, het eerste kind, Kunnegien, op 23 augustus 1817; het tweede kind, Anna, op 8 januari 1820. Behalve Anna komen alle hierboven vermelde namen (of initialen ervan) in het knipsel voor, conclusie daarom: het knipwerk moet gemaakt zijn in de periode tussen de geboorte van het eerste en tweede kind, dus tussen augustus 1817 en januari 1820. De maker? Voor Lever was er geen twijfel, de knipper was Jan Gort zelf. Niet alleen kende hij het verhaal van Jan Gort als knipper uit familieoverlevering, ook heeft hij nog ander werk van hem kunnen bekijken. Hij schrijft in het “Gens Nostra” artikel: ”…Een van zijn laatste knipsels werd in een psalmboekje geplakt met als tekst: “De zee neemt veel. De zee geeft alles terug tot behoud, tot God”…”.

Geen reden voor ons ook om daaraan te twijfelen, tot kort geleden een collega het museum binnen stapte met een voor ons opmerkelijk krantenknipsel. Een stukje uit de rubriek “Noorder Rondblik” van het Nieuwsblad van het Noorden uit 1984 met een afbeelding van een knipsel dat grote overeenkomsten vertoont met het stuk van/voor Gort. Dit knipsel is gemaakt voor Niklaas T. Veldman en Gepke Gords. Naast geknipte monogrammen ook hier veel geschreven tekst, zelfs in de kleinere medaillons. Dezelfde opzet als het Veendamstuk, maar hier in de kleine ringen de namen van vijf kinderen uit het huwelijk Veldman/Gords. Het lukte ons in contact te komen met de heer Westra die de oproep in het Nieuwsblad van het Noorden plaatste. In die tijd ontving, hij over het knipsel zelf (dat overigens niet zijn bezit is) geen relevante in formatie en hij was dus zeer verbaasd dat wij hem het een en ander over een tweede, vergelijkbaar stuk konden vertellen. Telefonisch gaf hij ons gegevens door over de teksten in het knipsel die op de krantenfoto niet of nauwelijks leesbaar zijn. Gedeelten van de tekst blijken in het knipsel echter niet of nauwelijks meer te lezen of zijn zelfs gedeeltelijk verdwenen. Zo houdt de engel links een doek op met de tekst “Dit huwelijk is gezegend met 8 kinderen waarvan nog in leven zijn….”. De huwelijksdatum van het echtpaar is niet meer volledig leesbaar: “Den 1 Juni…“. De vijf kinderen voorkomend in de medaillons zijn: “ANV 27 Julius 1804”, “JNV 17 Meert 1808”, “FNV 16 December 1809”, “. .V.. Jan 1812” en in het midden “BNV 11 November 1815”. Verder staat op het knipsel aan de bovenkant geschreven: “gemaakt te Leer 1818” en onder de boom, midden onder, staat vermeld “Jan Teodoor Breeland”. Die laatste gegevens stellen ons voor een raadsel. Gaat het om de vermelding van de eventuele maker en de optekening van plaats en jaar of is deze tekst pas later aangebracht? Om dit beter te kunnen beoordelen moeten we het knipwerk eerst zelf bekijken en eigenlijk zouden we over nog meer van dit soort knipsels willen beschikken. U begrijpt het: we zoeken verder.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1993-4, een uitgave van de Stichting W.Tj. Lever.

Rotterdamse silhouettisten eind 18de eeuw, Nieuwsbrief 1993-4

In 1991 hield Stichting W. Tj. Lever zich ondermeer bezig met het onderzoek “Silhouettisten te Rotterdam”. Hoewel dit onderzoek in verband met de werkzaamheden voor het nieuwe museum in Schoonhoven niet volledig konden worden afgerond heeft het zeer veel interessante gegevens over de geschiedenis van de papierknipkunst in Nederland opgeleverd. Zo vonden we een vermelding van onbekende reliëfportretten van G. Konsé, nieuwe gegevens over het overlijden van Jan Kopper, twee vermeldingen van onbekende ”Kabinetten van papieren snijkunst” (hierover zal worden bericht in de nieuwsbrieven van 1994) en verschillende advertenties van rondreizende silhouetteurs. De namen van deze silhouetkunstenaars zijn niet onbekend, ze worden onder andere genoemd in de inleiding van de catalogus “De Silhouette in Nederland” (1963/1964). Toch is het de moeite waard hieraan enige aandacht te besteden omdat vooral details in de gevonden advertentieteksten veel zeggen over de werkwijze van de reizende silhouetteurs.

In de Rotterdamsche Courant van 29 juli 1794 treffen we een advertentie aan van G. Schipper. Die laat hierin weten in Rotterdam te zijn waar hij maar kort zal verblijven en dat hij zijn intrek heeft genomen bij D. Hendels op de Visschersdijk.

Schipper is geen knipper, maar maakt profielportretten ‘in Crayon, in Couleuren en in Migniatuur. Hij garandeert een goede gelijkenis en is het profiel niet naar genoegen dan behoeft de klant het niet te kopen. De kunstenaar portretteert niet alleen op zijn verblijfsadres, men kan hem ook aan huis ontbieden.

Op 22 juli 1797 blijkt C(oenraad) Gebhard in de Maasstad aanwezig. Gebhard (“genoegzaam bekend wegens zyne habiliteit in het Silwetteeren”)knipt portretten met de schaar. Hij maakt in vijf minuten tijd twee silhouetten. Niet alleen duurt het vervaardigen van een profiel maar kort, ook hoeft men niet geheel stil te zitten bij het maken van het profiel. Gebhard verblijft bij C. Snoey aan de Nieuwehaven nummer 154. Klanten die geen gelegenheid hebben daar naar toe te gaan of zij “die niet verkiezen by hem te komen” kunnen de silhouetknipper ontbieden. Interessant is dat Gebhard de profiels niet alleen knipt, maar ze indien gewenst ook kan opmaken (hogen) met witte verf.

Ook J. Kamlag heeft, zoals blijkt uit een advertentie in de Rotterdamsche Courant van 11 december 1798, heeft zijn intrek bij Snoey genomen. Hij is eveneens “genoegzaam bekend wegens zyne habiliteit in het Silhouetteren” en vraagt voor twee portretten van één persoon vijftien stuivers. Maar, liefhebbers worden verzocht zich spoedig aan te melden “naardien zyn verblyf alhier maar een korten tyd zal zyn’.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1993-4 van Stichting W. Tj. Lever.

Via www.delpher.nl is in 2022 gevonden dat Kamlach ook zijn diensten aanbood in Amsterdam, Utrecht en Leiden:

23 maart 1793, Amsterdamse Courant

26 maart 1793, Amsterdamse Courant

19 juni 1793, Utrechtse Courant

18 februari 1798, Leydse Courant

3 april 1799, Utrechtsche Courant