Categoriearchief: publicatie

Silhouettist Paul Krüger, Nieuwsbrief 1993-4

Zeer interessant zijn twee silhouetten, gemaakt op de tentoonstelling “NENIJTO” in 1928 te Rotterdam door de ons niet bekende silhouettist Paul Krüger. We begaven ons naar het Gemeentearchief in de Maasstad dat over een aantal mooie stukken over deze bijzondere tentoonstelling bleek te beschikken. Het fraaist was wel een foto- en knipselboek van de algemeen secretaris van het tentoonstellingsbestuur en directeur exploitatie Wilbrenninck. Hierin echter geen informatie over een silhouetteur Krüger, maar die vonden we wel in de “alphabetische lijst van inzendingen” in de officiële tentoonstellingsgids. Daarin worden zelfs twee Paul Krügers genoemd, de een uit Wenen, de ander uit Rotterdam. Ze hebben gewerkt in de vierde hal van de expositie (Hal D).

afb. Stadsarchief Rotterdam

Krüger uit Wenen in vak 19 en Krüger uit Rotterdam in vak 13. Jammer genoeg worden ze niet genoemd bij de deelnemers van de vermelde vakken, veelal kleinere bedrijven en organisaties. “NENIJTO” (de Nederlandsche Nijverheidstentoonstelling) werd in 1928 van 26 mei tot 30 september in Rotterdam gehouden op het tentoonstellingsterrein Stationssingel in de wijk Blijdorp. Amsterdam had in dat jaar de Olympische Spelen, Rotterdam de “NENIJTO” en dat wilde men weten ook. Op het terrein vier hallen (A, B, C en D) met bedrijfsexposities, vele kiosken, een lunapark, de “Nenijto” bioscoop en nog veel meer. Er verscheen een speciaal “Nenijto”nummer van de Maasbode en ook de Nieuwe Rotterdamsche Courant liet vele extra uitgaven van “Rotterdam in het Olympisch-, Nenijto- en Jubileumjaar” verschijnen. In het juninummer (“De Nederlandsche Nijverheidstentoonstelling II”) lazen we een smakelijke beschrijving van Hal D, de ruimte voor voedings- en genotsmiddelen. Men schrijft hierin niet alleen over de presentatie van diverse bedrijven, maar ook over “attracties” als een zeepbellenblazer en een verkoper van opwindbaar speelgoed. Helaas niets over een of twee silhouettisten, die ongetwijfeld met hun portretkunst Hal D moeten hebben opgeluisterd. Paul Krüger uit Wenen en Paul Krüger uit Rotterdam, misschien vader en zoon? Over Krüger uit Oostenrijk vonden we na raadpleging van enige kunstenaarslexica enige summiere gegevens. E.Nevill-Jack son vermeldt in haar boek “Silhouettes, A History and Dictionary of Artists” Paul Krüger als Oostenrijkse knipper die in 1930 in Londen is geweest. Peggy Hickman laat in haar “Silhouettes, A Living Art” weten dat hij in 1934 in Groot-Brittannië verbleef en dat zijn werk in Amerika zeer werd gewaardeerd.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1993-4 van Stichting W. Tj. Lever.

Schaduwbeelden of “witte schimmen”, Nieuwsbrief 1993-1

Van museumbezoekers uit Rotterdam ontvingen we begin december 1992 een schaduwbeeld, ook wel “witte schim” genoemd. Wat schaduwbeelden precies zijn staat te lezen in het in 1867 verschenen boekje “Deugd en Vreugd, geschetste in tafereelen uit het kinderlijk leven”, geschreven door de Goudse onderwijzer M.H. Kluitman. Hij vertelt daarin hoe hij bij een bevriende familie er getuige van was hoe genoeglijk én nuttig de kinderen zich daar bezig kon den houden: “. . .Zij begonnen juist met het vertoonen van schaduwbeelden. Gij weet, mijne lezers! schaduwbeelden zijn uitgeknipte teekenschetsen, opzettelijk daarvoor vervaardigd. Men plaatst ze voor het kaarslicht en dan ziet men vaak de sprekendste gelijkenis van het voorwerp op den muur of wand afgebeeld.. .“ Hoe dit in zijn werk ging is te zien op een van de afbeeldingen op de kinderprent “Prentenmagazijn voor de jeugd, No 62” uitgegeven door D. Noothoven van Goor in Leiden (tussen 1850 en 1880).

Van deze prent bevinden zich twee exemplaren (waaronder een handgekleurde) in onze stichtings/museumcollectie. Op die afbeelding is Diederik te zien, de oudste van het gezin die de andere kinderen de beelden vertoont en daarbij (op rijm) verhaaltjes vertelt. Wie schaduwbeelden wilde vertonen kon ze aanschaffen in mapjes die onder meer verkrijgbaar waren bij de boekwinkel en leesbibliotheek van de weduwe G.A. Diederichs en Zoon op de Bloemmarkt in Amsterdam. De inhoud van die mapjes bestond uit enige velletjes papier waarop vreemdsoortige zwarte vlekken stonden afgebeeld.

Op de omslag de gebruiksaanwijzing: “Alles wat zwart is, moet met de schaar of het pennemes weggesneden worden. Hierna late men, bij kaars of lamplicht of ook wel bij zonneschijn, de schaduw dezer beelden op een wit voorwerp vallen; en men zal zich over de schoone uit werking derzelve moeten verwonderen… Een groot aantal onderwerpen werd als schaduwbeeld afgedrukt. Natuurlijk waren daar allereerst de bijbelse voorstellingen en figuren, waarvan onze “Aäron” er een is. Verder komen we veel historische personages tegen, zoals Napoleon, Z.M. Willem I, Oldebarneveld en Maria van Reigersbergen en waren vermaarde kunstenaars zoals Rembrandt en Rubens populair. Verder waren er verschillende typen: rabbijn, valkenier, voorname dame, en diverse tafereeltjes  zoals schaakspelers, dronken boeren, musicerende dobbelaars enz.

Overigens zijn de schaduwbeelden niet alleen in mapjes verschenen, er waren ook prenten met deze figuren beschikbaar, zoals blijkt uit de prent uitgegeven door G.L. Funke in Amsterdam, omstreeks 1857.
De ware liefhebber, zo schrijft Wim Meilink in zijn artikel “Coptografische avonduitspanningen’ (Neerlands Volksleven, 22e jaargang, nr. 1, 1972, pp.7-18) was vanzelfsprekend niet tevreden met het kopen van een aantal vellen (of prenten), nee die moest ook zelf schaduwbeelden kunnen maken. En er was een boekje in de handel dat hem of haar in de kunst kon onderrichten: ‘De kunst om schaduwbeelden vervaardigen, zowel naar tekeningen als naar de natuur, voor hen die niets van de tekenkunst verstaan(. . .)“, uitgegeven door G.J. d’Ancona in Amsterdam.

Dit zestien pagina’s tellende boekwerkje bevat veel illustraties en bestaat uit drie gedeelten. In het eerste deel wordt iets verteld over het karakter van de schaduw, het tweede richt zich tot degenen die niets van de tekenkunst verstaan en tenslotte worden de mogelijkheden om zelf schaduwbeelden te maken besproken. De schaduwbeelden , “witte schimmen” of “coptografische figuren passen geheel in de 19de eeuwse sfeer van de oude schimmentheatertjes, de handschaduwfiguren en het vuurwerktheater, maar die hebben in de loop der tijd toch plaats moeten maken voor een andere vinding die veel gemakkelijker te bedienen was en talloze mogelijkheden tot vermaak bood: de toverlantaarn.

In de collectie van de stichting W.Tj. Lever bevinden zich tien tallen 19de eeuwse schaduwbeelden en enige prenten met betrekking tot dit onderwerp. We zouden dit collectieonderdeel graag willen uitbreiden met (on)volledige mapjes en het genoemde boekje van d’Ancona. Vrijwel zeker is dat dit onderdeel van de verzameling ruimschoots aan bod zal komen in de expositie “Licht & Schaduw” die we nog eens over dit verschijnsel hopen te houden.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1993-1 van Stichting W. Tj. Lever.

Tentoonstelling “Knip en dicht”, Nieuwsbrief 1993-1

                                           

Van 22 februari t/m 9 mei 1993 werd in het Nederlands Museum van Knipkunst in Schoonhoven een tentoonstelling gehouden over papierknipsels en teksten van de Amsterdamse knipper Evert Root sr.. Evert Root (1896-1981) voorzag zijn kunststukjes uit papier vaak van onderschriften of rijmpjes en roerde dit dan ‘knip en dicht”.

  

De expositie in het knipkunstmuseum heeft daarop die titel gekregen. Op jeugdige leeftijd raakte Root al papierknipsels en ook het tekenen ging hem goed af. Het liefst had hij een opleiding in creatieve richting gevolgd. Maar dat was voor hem niet weggelegd, hij moest aan de slag op het schildersbedrijf van zijn vader. Zijn aanleg voor tekenwerk kon hij daar wel gebruiken bij het schilderen van reclame-opschriften op uithangborden en etalageruiten. Ook sneed hij sjablonen voor het aanbrengen van decoraties op muren en plafonds. Vanaf 1936 dreef Evert Root in de Korte Leidsedwarsstraat in Amsterdam het winkeltje “De Leidsche Toko” waar schoonmaakartikelen, borstelwaren, olie, schildersbenodigdheden en later ook zelfgemaakte souvenirs en papierknipsels werden verkocht.

Dat papierknippen ging voor de Amsterdamse volkskunstenaar een steeds belangrijkere plaats innemen, vooral na zijn pensionering heeft hij bijzonder veel werk vervaardigd. Evert Root maakte Vrij werk, maar ook veel knipsels in opdracht. Meestal knipte hij uit dubbelgevouwen silhouetpapier (“in dublo” noemde hij dat), zodat twee voorstellingen tegelijk konden worden gemaakt. Vrijwel al die voorstellingen werden eerst op het papier voorgetekend.

Root maakte knipsels over onderwerpen als huwelijk, geboorte, portretten, bijbelse voorstellingen, sprookjes, sterrenbeelden en landschappen. Meerdere malen bracht hij gebeurtenissen uit eigen leven of zijn directe omgeving in beeld. Zoals een ander een ingezonden brief zou schrijven, zo knipte Root figuren uit papier en schreef daarbij teksten om te protesteren tegen bepaalde ontwikkelingen of om zijn mening over het een of ander kenbaar te maken. Dat leidde dikwijls tot de nodige publicitaire aandacht en ook figureerde de opmerkelijke Amsterdamse knipper in enige kronkelverhalen van schrijver Carmiggelt.

                      

Roots knipactiviteiten zorgden voor de vorming van een omvangrijk en direct herkenbaar oeuvre.
Het museum in Schoonhoven toonde daaruit een mooie keuze die is samengesteld uit knipsels, foto’s en documentatie uit de collectie van de stichting W.Tj.Lever en enige belangrijke particuliere bruiklenen.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1993-1 van Stichting W. Tj. Lever.

Is dit wel prikwerk van Betje Wolff?, Nieuwsbrief 1992-4

Stanswerk? Wellicht niet van Betje Wolff?

In de tweede nieuwsbrief van dit jaar vermeldden we enige gegevens over knip- en prikwerk gemaakt door Betje Wolff (1738-1804). Het vroege knipsel van de befaamde schrijfster bleek uit een afbeelding bekend, van de twee prikwerkjes kon alleen worden achterhaald dat ze op de Wolff/Deken tentoonstelling in 1954 waren tentoongesteld. Wolff/Deken-kenner dr. P. Buijnsters trof dit prikwerk bij onderzoek in 1977 en 1978 echter niet aan in het Gemeentearchief te Vlissingen, waar deze stukken zich zouden moeten bevinden. Wij besloten het opnieuw te proberen en namen in maart, dus ruim voor het verschijnen van de nieuwsbrief, schriftelijk contact op met het Vlissingse archief, maar er volgde lange tijd geen reactie. Nu is dat helaas in Nederland de laatste jaren niet meer ongebruikelijk, in ongeveer 25% van de verzoeken om informatie aan musea en archieven ontvingen wij geen enkel antwoord. Geen stimulans voor onderzoekswerk natuurlijk. Hoe dan ook, in juli troffen wij plotseling een brief uit Vlissingen aan in onze postbus. Bij het schrijven twee gekopieerde afbeeldingen van het bewuste prikwerk. Het bekijken van die afbeelding en leidde onmiddellijk tot een telefoontje met het Zeeuwse archief, want was hier geen vergissing gemaakt? Nee, zo werd verteld, het waren wel de gelijk afbeeldingen van Wolff’s prikwerk, maar men had zelf ook wel twijfels (die overigens in het bijgaande schrijven niet waren vermeld) of het eigenlijk echt om handgemaakt werk ging. Verdere gegevens (bv. over de precieze herkomst) waren er niet. Naar onze mening betreft het hier geen 18de eeuws prikwerk, maar 19de eeuws stanswerk, werk dat waarschijnlijk niets met de in Vlissingen geboren schrijfster te maken heeft. Hoe de twee stukken in het archief zijn gekomen en waarom de naam van Betje Wolff hieraan verbonden is geraakt is onbekend. Gezien de ervaringen van dr. Buijnsters en die van ons mag echter nog wel een vraag worden gesteld: was dit wel het “prikwerk” van Betje Wolff dat op de expositie in 1954 te zien is geweest? Misschien wordt dat ooit nog eens duidelijk.

Stanswerk? Wellicht niet van Betje Wolff?

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1992-4 van Stichting W. Tj. Lever.

Een schimmenspel van Frans ter Gast, Nieuwsbrief 1992-4

In oktober 1992 zond Stichting W.Tj. Lever donateurs van onze stichting een oproep: help ons door middel van een kleine of grotere bijdrage de aankoop van een prachtig schimmenspel voor de stichtings/museumcollectie mogelijk te maken. Die oproep heeft gelukkig resultaat gehad, door onze donateurs is bijna 25% van het aankoopbedrag bij elkaar gebracht. Een geweldig resultaat, waarvoor wij iedere gever zeer erkentelijk zijn. Giften van museumbezoekers (de “museumpot”) en een subsidie van de G.Ph. Verhagen Stichting zorgden er voor dat we in november definitief konden besluiten tot aankoop van het schitterende schaduwspel over te gaan.


Frans ter Gast (1880-1970) behoort tot diegenen in Europa, zo schrijft Hetty Paërl in haar boek “Schimmenspel en het spelen met schaduwen” (1979), die de meeste beweegbare schimfiguren gemaakt hebben -hij vervaardigde er duizenden. Hij voelde zich, naar eigen zeggen, meer aan getrokken tot het maken dan tot het vertonen. De meeste van zijn figuren bestaan uit vele beweegbare delen, geraffineerd van constructie, vol scharnieren en touwtjes. Twee van die spelen, “Sage en Feit in Oorlogstijd” en “Appeltjes van Oranje” zijn kort na de oorlog ook in boekvorm verschenen.

Frans ter Gast, uit “Appeltjes van Oranje”

Het spel “Janus en Joris in Liliput”, dat wij konden verwerven, is een uitstekend voorbeeld van zo’n geraffineerd schimmenspel: schitterend gesneden figuren die op allerlei mogelijke manieren kunnen bewegen. Het spel is compleet, tekst en muziek zijn aanwezig, en het is ondergebracht in een door de schimmenspeler zelf gemaakte opbergkist. Vele schimfiguren zijn zwart, maar Ter Gast heeft er diverse op zijn welbekende wijze voorzien van kleurig halftransparant papier, wat bij vertoning ervan een fraai effect moet geven.
Dit schimmenspel van Frans ter Gast is een prima uitbreiding van het onderdeel witte en zwarte schimmen van de stichtingsverzameling. Hopelijk kunnen we het in het museum in Schoonhoven eerdaags op een goede manier exposeren, zodat bezoekers verrassend kunnen worden geconfronteerd met dit opvallende werk van Nederlands bekendste schimmenschuiver.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1992-4 van Stichting W. Tj. Lever.

Een knipsel van Jan de Bleyker uit 1777, Nieuwsbrief 1992-3

Ronduit de fraaiste aankoop die Stichting W.Tj. Lever in 1992 kon doen is een knipsel gemaakt door de doopsgezinde voorganger Jan de Bleyker, gedateerd 1777. Jan Cornelisz. de(n) Bleyker (1707-1783) werd geboren in Zierikzee en is leraar geweest van de doopsgezinde gemeenten te Sommelsdijk en Aalsmeer. In 1747 werd hij beroepen in Alkmaar, in deze plaats heeft hij de rest van zijn leven door gebracht. Het door onze stichting verworven stuk (reeds besproken en afgebeeld in de Knip-Pers van september 1991) heeft als hoofdvoorstelling een tuinpoort en -hek. Zoals bij andere de Bleykerknipsels zijn in het werkje vele Bijbelse afbeeldingen op genomen.

Bomen, wijnranken met fikse druiventrossen en allerlei vogels zorgen voor een aantrekkelijke compositie. Het centrale medaillon toont de getekende voorstelling van “Elia en de raven” met een uitgebreide, zeer klein geschreven tekst (ook een specialiteit van de Bleyker!) en de vermelding: “door Jan/de Bleyker/ Menn:Leer:in/Alkm:oud omtrent/70 jaar. 1777, 14 Aug:”

Intrigerend is het afgebeelde vergezicht. Door een rij van bomen zien we achter een soort bosschages een stad liggen. Herkenbaar zijn een kerk, diverse huizen en enige molens. Zou De Bleyker hier van zijn fantasie zijn uitgegaan of zou hij een bestaand kijkje op een stad (wellicht Alk maar?) voor ogen hebben gehad bij het maken van het knipsel? We besloten de hulp van het Regionaal Archief in Alkmaar in te roepen en ontvingen spoedig een interessante reactie. Tussen de sokkels van de zuilen van de tuinpoort is eveneens door de maker van het stuk een tekst aangebracht. Geschreven in bruine inkt is deze echter niet helemaal goed te lezen. Enerzijds is de inkt enigszins uitgelopen en daardoor zijn de letters/woorden minder scherp, anderzijds speelt de getekende schaduw van de boompartijen door de tekst heen. We kwamen tot nu toe tot: “…voor G…M:Houttuij door jan de Bleker”. De ons toegestuurde afbeeldingen uit Alkmaar zouden een verklaring kunnen geven voor het leesbare deel van de tekst. “M:Houtuij” zou dan de afkorting zijn van “Mennisten Houttuin”, want in de Alkmaarder Hout heeft zich het zgn.”Mennisten Bosje” bevonden, een soort mini-bosschage na 1610 ontstaan en genoemd naar deze godsdienstige groepering.

Collectie Rijksmuseum

Collectie Rijksmuseum

De kaartfragmenten tonen de ligging van dit bosje buiten de stad; in De Bleykers tijd kende dit bosje een strak geometrisch patroon met zichtlijnen, overeenkomend met wat we in het knipsel kunnen zien. We kunnen dit ook waarnemen op de gravure “Gesigt van het Menniste Bosje in den Hout” van Leonard Schenk naar een tekening van A. Rademaker. De Bleyker heeft de topografische situatie in zijn stuk zeker niet volledig juist weergegeven, maar het lijkt niet te gewaagd te veronderstellen dat het bosje in de Alkmaarder Hout hem bij het maken van zijn knipsel ogen heeft gestaan.

Gesigt van het Menniste Bosje in den Hout” van Leonard Schenk, Collectie Regionaal Archief Alkmaar

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1992-3 van Stichting W. Tj. Lever.

Een vroeg 19de eeuws “santje”, Nieuwsbrief 1992-3

Een heel aardige aanwinst voor de Stichting W. Tj. Lever -in 1992- is het devotieprik- en snijwerkje dat we onlangs op een veiling konden aankopen. Als centrale voorstelling heeft dit stuk de Heilige Anna met Kind. Deze kleine devotiestukken kennen een interessante geschiedenis. J.A.J.M. Verspaandonk heeft hierover diverse malen geschreven. Het betreft kleine bladen van perkament of papier met een voorstelling van Christus, een heilige, een godsdienstig symbool of een Bijbels tafereel. Getekende en geschilderde exemplaren zijn al bekend van af ongeveer 1250. Ze werden aanvankelijk in kloosters, maar ook wel daarbuiten gemaakt. Dat geldt ook voor de gedrukte devotieafbeeldingen (hout- en kopergravures vooral), waarvan voor de aanmaak en verspreiding Antwerpen in de tijd van de Contra-Reformatie hét centrum is geweest. De devotieprentjes worden vaak aangeduid als “santjes”, omdat meestal een heilige (“sanctus”) is afgebeeld. Naast de (gedrukte) prentjes is in de tweede helft van de 17de eeuw een nieuw genre ontstaan: het kant- en knipselwerk. Deze knipsels zijn vrijwel alle anoniem en zijn meestal het werk van kloosterzusters, begijnen en klopjes. Ze zijn vooral gemaakt in Oostenrijk en Zuid-Duitsland, maar ook wel in de Nederlanden en andere gebieden. Het onderscheid dat Verspaandonk maakt tussen knipsel- en kant ”prentjes” is niet zo overtuigend. Allereerst is de benaming in feite al niet juist: het gaat niet om gedrukte zaken dus men zou het niet over ‘prentjes” moeten hebben. Ten tweede zijn er maar weinig, wat hij noemt, ”zuivere” knipselprentjes (stukken waarbij voorstelling en decoratie volledig zijn geknipt of gesneden). Deze knipselprentjes zijn bovendien dan weer vaak ingekleurd, wat volgens Verspaandonk eigenlijk niet goed zou zijn. Onzin natuurlijk, want de maker/maakster bepaalt het gewenste eindresultaat en niet de beschouwer uit de 20ste eeuw. Kant ”prentjes” zijn veel meer voorkomend. Ze hebben altijd een geschilderde centrale voorstelling die binnen een bepaalde vorm (rechthoek, ovaal etc.) is aangebracht. Daaronder bevindt zich meest al een band met een naam of tekst die de afbeelding verduidelijkt. Dit alles is dan omgeven door decoratief knip-, prik- of snijwerk (of combinaties daarvan), vaak geïnspireerd op kantmotieven. We kennen vele mooie stukken van dit werk uit de 17de en 18de eeuw. In de 19de eeuw vond mechanisatie van allerlei ambachtelijk werk plaats. Kant knipwerk kon nu geponst worden nagebootst. Gedrukte voorstellingen kon den door nieuwe technieken (lithografie, staalgravure) in een nog grotere oplage worden vervaardigd. Het vroeg 19de eeuwse stuk dat wij konden aankopen dateert nog van voor deze tijd. Opvallend is het vele (niet altijd even regelmatige) prikwerk in het stuk. Dit “santje” is in 1808 te Leiden aan een communicant uitgereikt want op de achterzijde is geschreven in bruine inkt: “Ter gedagtenis uwer eerste heilige Communie ontfangen van den Eerwaarden Heer G. van Lieshout, Pastoor in de Sint Joris Steeg Leyden 5 Julij 1808”.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1992-3 van Stichting W. Tj. Lever.

Zeeuws knipwerk (2): Knip- en prikwerk van Betje Wolff, Nieuwsbrief 1992-2

In de “Historie van den Heer Willem Leevend” (1784-1785) (afb. 1) komen enige passages voor over knipwerk van kinderen en er is een opmerking te vinden over een “keurig getrokken silhouette” van een vriendin. Ook “Sara Burgerhart” (1782) kent een passage over een getekend silhouet. Op zich is het niet opmerkelijk dat Wolff en Deken hierover schrijven, want het vervaardigen van silhouetten (tekenen, schilderen, knippen) was aan het eind van de 18de eeuw zeer in zwang. Het was een mode die nog werd versterkt door Lavaters boek over de physiognomie, waarvan de Nederlandse vertaling verscheen in 1780.

Dat Betje Wolff (1738-1804) (afb. 2) niet alleen hierover heeft geschreven, maar ook zelf papierknip- en prikwerk heeft gemaakt, was ons tot nu toe onbekend. Bet je maakte op 12-jarige leeftijd in haar geboorteplaats Vlissingen een knipwerkje voor het zoontje van de eerste burgemeester van de stad, de zes jaar oude Engelbert Johannis van der Mandere (afb. 3). Het stuk werd afgebeeld in de biografie van Wolff en Deken van P.J. Buijnsters uit 1984.

Door deze vondst nieuwsgierig geworden zochten we verder en vonden in de bibliografie van Wolff en Deken van Buijnsters uit 1979 onder nummer 656 de vermelding van twee prikwerkjes, door Betje eveneens op jeugdige leeftijd gemaakt. Deze stukken moeten te zien zijn geweest op de Wolff/Deken tentoonstelling van 1954 in Den Haag. Ze komen in de catalogus van de expositie voor onder nummer 23 en zouden zich moeten bevinden in het Gemeentearchief te Vlissingen. Dr. Buijnsters heeft ze echter tijdens onderzoek in 1977 en 1978 daar niet aangetroffen, en ook ons verzoek om informatie over de mogelijke verblijf plaats leverde geen resultaat op. Liefhebbers van silhouetten willen we nog verwijzen naar een derde boek van Buijnsters, namelijk zijn publicatie over de briefwisseling van Wolff en Deken uit 1987. Hierin zijn een aantal mooie silhouetten afgebeeld. Voor in knipkunst geïnteresseerde lezers is daarvan het meest aardige het geknipte portret van de Harlingse boekhandelaar Folkert Jansz. van der Plaats, bij wie Betje Wolff en Aagje Deken op een reis door Friesland in juni 1798 hebben over nacht.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1992-2 van Stichting W. Tj. Lever.

Zeeuws knipwerk (1): Knipsels van Jan Huyszoon en anderen, Nieuwsbrief 1992-2

In de verzameling van Stichting W.Tj. Lever bevinden zich vier bladen waar op diverse knipsels zijn geplakt. Het zijn knipwerkjes afkomstig uit psalmboeken en (familie)bijbels (uitstekende bewaarplaatsen voor kleine knipseltjes), die in het verleden door Wiecher Lever zijn samengebracht. Het betreft bladen met knipsels uit Friesland (afb. 1) en Groningen (afb. 2) en een blad met knipwerk dat uit een psalmboek van Zuid-Beveland komt.

afb. 1, Jan de Prentenknipper, M.E.S.

afb 2

In de Christie”s catalogus wordt vermeld (nr. 372) dat het knipsels zijn uit de 18de en 19de eeuw, maar het is waarschijnlijker dat het uitsluitend gaat om 19de eeuws werk.

 

 

 

 

afb. 3, Jan de Prentenknipper

Overduidelijk 19de eeuws zijn in ieder geval de twee knipsels op het blad die zijn gemaakt door Jan Huyszoon (1799-1870)
(afb 1 en 3), alias Jan de Prentenknipper, ook wel aangeduid als Jantje I. De identiteit van deze Zeeuwse volkskunstenaar is nog niet zo heel erg lang bekend; R. Willemsen publiceerde daar het eerste over in het Zeeland Magazine nr. 90 in 1985. Het zijn het ingekleurde knipsel “Lusthof” en het knipseltje met de initialen M.E.S. met Bijbelse voorstellingen. Een derde knipwerkje (afb 2) lijkt veel op het werk van Huyszoon, maar het is fijner uitgevoerd en niet ingekleurd.

 

 

afb. 4, anoniem

afb.5, anoniem

Twee andere knipsels (afb 4 en 5) zijn mogelijk door één knipper gemaakt ; het zijn dubbelgeknipte decoratieve stukjes met ranken, bloemen, mens- en dierfiguren.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Van de vier overige knipsels is de grappig uitgevallen koets (afb. 6) het opvallendst.

Charmant zijn de pijprokende man met hond (afb. 7) en het ook dubbel-uitgevoerde zeemonster (afb. 8).

Het laatste knipsel (afb. 9) laat een merkwaardig gezelschap feestende figuren zien. Wat er precies voorgesteld wordt is ons niet duidelijk, voor suggesties houden we ons aanbevolen. Al met al een interessant blad met zeer van elkaar verschillende knipwerkjes.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1992-2 van Stichting W. Tj. Lever.

Papieren portretten van Geert Konsé, Nieuwsbrief 1992-2

Van graveur, tekenaar, uitgever en stempelsnijder Gerrit Konsé (1751-1826) is bekend dat hij papieren portretten heeft gemaakt voorstellend de “Wel eerw Heer v d Leeuw” en de “Wel Eerw Heer Van Kersten”. Die portretten bevinden zich in het West-Fries Museum in Hoorn en waren te zien op de expositie “Silhouetten” die daar enige tijd geleden is gehouden. In een advertentie in de Hoornsche Courant uit de periode 1800-1805 is een advertentie gevonden waarin het portret van C.v.d.Leeuw, “gelieft leeraar by de Hervormde Gemeente te Hoorn” voor de prijs van twee gulden (inclusief vergulde lijst) door Konsé te koop werd aangeboden (zie Knip-Pers 1992-1, pp. 16-17). Gerrit Konsé is in 1751 te Amsterdam geboren en overleed aldaar in 1826. Hij heeft in Leiden gestudeerd en werd in 1791 aan gesteld als stempelsnijder bij de Munt van West-Friesland. Uit een vondst gedaan in het kader van het onderzoek “Silhouettisten te Rotterdam” blijkt nu dat Konsé al veel eerder, waarschijnlijk vergelijkbare papieren portretten heeft vervaardigd en verkocht. We troffen in de Rotterdamsche Courant van 28 februari 1789 deze advertentie aan:

Portretten van Willem V en zijn vrouw dus, waarvan duidelijk wordt vermeld dat ze “konstig in Papier uitgewerkt” zijn en dat dit “hoog uitdrijven van Papier” door velen werd bewonderd. (Zwarte) silhouetportretten waren in deze tijd bijzonder populair, maar er was kennelijk ook een markt voor witte reliëfportretten.  Van een Rotterdamse knipper is eveneens bekend dat hij portretten in laagreliëf heeft gemaakt: Jan Kopper. Van Eijnden/Van der Willigen schrijven reeds in 1817 dat Kopper wel gelijkende portretten maakte die hij als halfverheven beeldwerk, op de wijze van gedreven metaal, opwerkte. Of Kopper dezelfde techniek als Konsé toepaste wordt uit de beschrijvingen niet duidelijk. Daarvoor zouden we voorbeelden van Koppers portretwerk moeten hebben en die zijn (nog) niet voorhanden. In de catalogus van het kunstkabinet van de Rotterdamse bakker en knipper (enige tijd geleden ontdekt) worden de portretten vermeld van Z.D. Hoogheid W. Friso, de kerkhervormers Johannes Calvijn en Maarten Luther en de Rotterdamse predikant Petrus Hofstede. Het werk van Konsé en Kopper zet ons in ieder geval op het spoor van een vrij onbekend papierkunst verschijnsel in de 18de en het begin van de 19de eeuw: de witte papieren (reliëf) portretten.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1992-2 van Stichting W.Tj. Lever.