Categoriearchief: publicatie

Portretten van Knipkunstenaars, Steven Blankaart, Nieuwsbrief 2005-3/4

Deze keer wil ik u iets vertellen over een man die naast zijn studie en beroep tijd vond om zich met de schilderkunst, de dichtkunst en met de “papieren snykunst” bezig te houden. Steven Blankaart (1650-1704) – zijn naam wordt ook geschreven als Blanckaert, Blanckaardt en Stephanus Blancardus – stamde uit een oud aanzienlijk Nederlands geslacht dat verschillende bestuurders en geleerden heeft voortgebracht.
Zijn vader, Nicolaas Blankaart (1625-1702) studeerde in Leiden Oosterse talen en geschiedenis en gold als student al als een groot geleerde. Op 23-jarige leeftijd werd hij door de graaf van Bentheim tot hoogleraar wijsbegeerte en geschiedenis aan het gymnasium in Steinfurt aangesteld en enkele jaren later tot Raad en Minister van de graaf Zo begon een lange carrière waarin hij hoogleraar in de geschiedenis en oudheidkunde aan de Illustre School in Middelburg was, historieschrijver van die stad, daarnaast een studie in de geneeskunde afrondde en promoveerde op een proefschrift over de pest aan de universiteit van Harderwijk, daarna korte tijd als arts werkte en vervolgens professor aan de universiteit van Franeker werd. Tot slot werd hij lijfarts van prinses Albertine Agnes en kreeg hij het toezicht op de opvoeding van haar zoon Hendrik Casimir. Een lange lijst publicaties getuigt van zijn zeer werkzaam leven.

In februari 1650 was hij met Maria Eversdijk getrouwd. Het jonge paar had zich gevestigd op de Lange Viele in Middelburg waar op 24 oktober 1650 hun eerste zoon Steven geboren werd. In de jaren daarna volgden nog 6 kinderen. Steven bezocht de Latijnse school in Middelburg en omdat hij arts wilde worden, ging hij daarna enige tijd in de leer bij een apotheker om zich te bekwamen in de kruid- en scheikunde waarna hij wijsbegeerte en geneeskunde ging studeren aan de Hogeschool in Franeker waar hij op 18 december 1674 tot doctor in de wijsbegeerte en geneeskunde promoveerde, evenals zijn vader 10 jaar eerder. Hij vestigde zich als arts in Amsterdam en bleef daar zijn verdere leven wonen. Op 3 maart 1682 trouwde hij met Isabella de Carpentier. Ze kregen 2 zoons waarvan er een op 4-jarige leeftijd aan de kinderpokken overleed. De andere studeerde en promoveerde tot doctor in de rechten en werd raadsheer in de Kamer van Justitie der Stad en Lande van Vianen.

Als ontspanning beoefende Steven de schilderkunst, de dichtkunst en de zogenaamde “papieren snykunst”. Tijdgenoten waardeerden zijn prestaties wel, maar latere critici beoordeelden zijn kunstzinnige uitingen als zeer middelmatig, Helaas kunnen wij er geen oordeel over vellen, want er is niets van bewaard gebleven. Dat in tegenstelling tot zijn talrijke verhandelingen over meestal medische onderwerpen, gebaseerd op de moderne inzichten van zijn tijd en persoonlijke ervaringen, opgedaan in zijn praktijk als arts (praktizijn). Over die moderne ideeën schrijft hij in zijn “De Kartesiaanse Academie, ofte Institutie der Medicijne, behelsende de Gantsche Medicijne: bestaande in de leere der gesondheid en desselfs bewaringe, alsook der ongesondheid en haar herstellinge“. (1683) Hij draagt het boek op aan twee hoogleraren uit Franeker, een doctor in de geneeskunde uit Amsterdam en aan Jakob Leeuw, een taalkundige. Hij volgt in het boek de leer van Cartesius (René Descartes), die een nieuwe filosofische kijk op de wetenschapsbeoefening had: “niets aanneniende als ‘igene klaarlyk en onderscheidenlyk, sonder daar aan te konnen twyfelen, te begrypen is”. Hij wilde niet voortbouwen op de Griekse geleerden. “De Kartesiaanse Academie” bestaat uit vier delen: Physiologie, waarin hij het functioneren van het menselijk lichaam beschrijft. Deel twee gaat over voedingsmiddelen en geeft een uitvoerige beschrijving van de goede en kwalijke effecten die voeding ten gevolge kan hebben. Sommige van zijn aanbevelingen doen verrassend modern aan, zoals het eten van gemengd brood (half tarwe, half rogge) liefst met zemelen en het nuttigen van veel plantaardig voedsel en vruchten. Water is als drank het beste en bier en wijn dienen met mate gebruikt te worden. Maar niet al zijn adviezen zijn zo modern. Het drinken van vruchtensappen en karnemelk is uit den boze, veel te zuur! Tabak daarentegen kan niet veel kwaad. Integendeel, in “Gebruik en Misbruik van de Thee, Tabak en Coffee” 0686) schrijft hij: “Er is niets beter, ja selfs niets zo goed, wanneer men de geest wil inspannen en ‘t verstand in diepe bespiegelingen, in ‘t onderzoek van waarheden en de naspeuringen van deugd en wetenschappen te werk wil stellen, als een pyp tabak”. Verder geneest tabak tandpijn en “raauwheid en pyn in de keel”. Met een vooruitziende blik merkt hij op dat het zelfs voor vrouwen dienstig kan zijn dat ze roken en mogelijk zal hij die tijd nog beleven. Hij heeft het zelfs een keer gezien in de trekschuit. Het derde deel bevat een uiteenzetting over de ziekteleer of pathologie en in deel vier komt de geneesmiddelenleer met een beschrijving van de producten uit de apotheek aan bod.

Blankaart bevorderde met dit soort publicaties de democratisering van de wetenschap, wat hem niet door al zijn tijdgenoten in dank werd afgenomen. Wetenschap moest tot een kleine selecte kring beperkt blijven, vonden zij. Bovendien vonden zijn collega’s zijn theorieën met wetenschappelijk genoeg, omdat veel van zijn werken gebaseerd waren op ervaringen en observaties in zijn eigen praktijk. Zo schreef hij een verhandeling over de pokken nadat een zoontje op 4-jarige leeftijd aan die ziekte overleden was en in het voorwoord van “Verhandelinge van de opvoedinge en ziekten der kinderen” (1684) vermeldt hij het boek pas te hebben kunnen schrijven nadat hij zelf kinderen had. Aan alle aspecten van de opvoeding, beginnend bij de geboorte, wordt aandacht besteed. Direct na de geboorte moest met borstvoeding begonnen worden wat toen door de meeste artsen juist niet verstandig gevonden werd. Blankaarts commentaar luidde: “Men moet niet wijser wesen als den Maeker, welke een eerstgekraamde Vrouw de borsten met melk geladen gegeven heeft”. Ook in andere kwesties trok hij zich weinig aan van afwijkende (lees: ouderwetsere) opvattingen van zijn collega’s. Hij betitelde hen -met enige arrogantie- als “naamdokters“. Vrouwen die een min voor hun baby willen krijgen van hem ook de wind van voren: “… ‘t Is dikwijls datse aan de kinderen niet verbonden willen sijn, en geern geselschappen frequenteeren, of andere jufferlijke besoingies willen waarnemen, waar door se anders van de kinderen werden gefrustreert. Sulke Moeders sijn seker geen kinderen waart“. Een voedster is alleen in geval van nood toegestaan. Zo’n vrouw moet aan talloze voorwaarden voldoen wat betreft haar lichamelijke conditie, het voedsel dat ze gebruikt en de hoeveelheid, haar gedrag en ze moet bovenal godvrezend zijn, want “alle slechts komt met de melk mee“. Verder geeft Blankaart voorschriften over de bereiding van de pap, het wassen van de kinderen, het bedje, het verschonen (hygiëne vond hij erg belangrijk), het leren lopen, de noodzakelijkheid van speelgoed, het gebruiken van de rechterhand (desnoods de linker vastbinden!), het nut van spelen en praten met de kinderen. Dat leidt volgens hem tot latere studie. Zo gaat het tientallen bladzijden door. Leuk om te lezen en in die tijd waarschijnlijk revolutionair, maar slechts weinig mensen zullen in de omstandigheid verkeerd hebben om hun kinderen zo’n ideale opvoeding te geven, laat staan een boek te kopen en het ook nog te kunnen lezen. Het tweede deel van dit boek is een verhandeling over de kinderziekten en het genezen ervan. Vrijwel elke ziekte werd in die tijd beschouwd als een strijd tussen zouten en zuren in het lichaam. Die strijd woedde in de “pijpen en vaten of huisjes, groote en kleene zeer van elkander verschelende” waaruit het lichaam is opgebouwd. Verder kon het bloed te dun of juist te dik zijn, evenals het slijm. Veel medicijnen werden van planten gemaakt, maar ook gedroogd en daarna fijngemalen dierljk materiaal werd toegepast. Zo kon de strijd tussen zouten en zuren in het lichaam het best bestreden worden met fijngewreven kreeftenogen. Zoals dit boek een vroege voorloper lijkt te zijn van de 20ste eeuwse dokter Spock, zo lijkt Blankaarts “De borgerlyke tafel om lang sonder ziekten gesond te leven” (1683), dat het vorige boek gedeeltelijk overlapt, wel een vroege uitgave van het Voorlichtingsbureau voor de voeding. Men dient voortdurend alert te zijn op koude, zure en zoute spijzen. Voorts geeft Blankaart allerlei informatie over levensmiddelen, de voedingswaarde ervan, de bereiding van gerechten, de samenstelling van de maaltijden, de manier van slachten (voor elke diersoort apart beschreven), het belang van hygiëne bij de bereiding van voedsel en de noodzaak van drinken -liefst water- bij het eten.

Zelfs voorschriften over de wijze van opdienen, het aansnijden van groot vlees, zoals speenvarken of de kop van een wild zwijn, de zithouding tijdens het eten en de tafelmanieren ontbreken niet. Dat Blankaarts theorieën bij de bevolking aansloegen blijkt wel uit het grote aantal herdrukken, vaak met aanvullingen, dat zijn boeken beleefden en de vele vertalingen vooral in het Duits. In het voorwoord van de Duitse vertaling van de “Nieuw-ligtende Praktyk der Medicijnen en Verhandeling van de nieuwe Hedendaegze Chymia”, een standaardwerk destijds, heet het dat dit werk van Steven Blankaart “von grosser Curiositüt und Nutzbarkeit, dergleichen niemahien, so lange die Welt gestanden, an das Tagelicht gekommen is!”. Hij wordt daarin “weltberühmt” genoemd. Dit werk verscheen voor het eerst in 1678 en werd tot 1735 regelmatig herdrukt. Tot 100 jaar na zijn dood werd het nog gebruikt. Het werd evenals veel van zijn andere boeken uitgegeven door Johannes (Jan) ten Hoorn, boekverkoper over ‘t Oude Heeren Logement in Amsterdam.

Andere medische onderwerpen waar hij over schreef waren o.a. scheurbuik, jicht, legerziekten, chirurgie, het balsemen van lichamen en geslachtsziekten (Venusqualen). Daarnaast hadden ook de plant- en dierkundekunde zijn belangstelling, een arts in de 17e eeuw was meestal ook botanicus. In “Herbarium of Kruid-Boek” (1698) bespreekt hij maar liefst 510 mossen, hogere planten, heesters en bomen en hun betekenis voor voedsel en medicinaal gebruik.

In 1688 schreef hij “Schouwburg der rupsen” naar aanleiding van het geloof in de “zelfwording” van kleine diertjes in water of bedorven voedsel. De gangbare opvatting was, dat wonnen, rupsen en maden daarin vanzelf ontstaan. Hij verwierp die theorie en bewees in een wetenschappelijke redenering, dat onder andere menselijke wormen kunnen ontstaan door het eten van rauw (ongewassen) voedsel of zoetigheid waarop vliegen of andere insecten hun eitjes gelegd hebben. Bacteriën en andere ziekteverwekkers kende men nog niet. Behalve over dit onderwerp vertelt hij ook over de ontwikkeling van spinnen, torren, vliegen, bijen, kevers, slakken, aardwormen en vlinders, wier levenswijze en levenscyclus hij nauwkeurig bestudeerd en getekend heeft. Hij kweekte veel van deze diersoorten zelf op en correspondeerde over zijn bevindingen met andere geleerden. Hij betreurde het dat hij van Surinaamse vlinders, die hij waarschijnlijk alleen van afbeeldingen gekend heeft, niet de eieren en rupsen had om ze op te kweken en dat hij geen tijd had dat land te bezoeken. Het is niet onwaarschijnlijk dat dit boek Maria Sybilla Merian aangezet heeft tot haar reis naar Suriname in 1700.

Hij was ook de uitgever van het eerste medische tijdschrift, het “Hollands Jaar-Register der genees- en natuurkundige aanmerkingen van gantsch Europa”. Het verscheen van 1680-1688.

Over Blankaarts persoonlijk leven, bijvoorbeeld waar hij woonde, met wie hij bevriend was of beroepsmatig contact had, tot welke kerkelijke gezindte hij behoorde, heb ik niets kunnen vinden. Over zijn kunstzinnige uitingen wordt alleen melding gemaakt in biografische naslagwerken. De authentieke bronnen die deze gegevens geleverd hebben heb ik met kunnen achterhalen. Desondanks vonden we het de moeite waard om u met deze interessante 17 eeuwse arts kennis te laten maken

door Atty Broer

Geraadpleegde literatuur:
– “Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek”, P.C. Molhuysen en K.C. Kossman, Leiden, 1911-1937
– “Biografisch woordenboek der Nederlanden”, A.J. v.d. Aa, Haarlem, 1852-1878
– “Geletterd Zeeland”, De la Rue in “Levensberichten van Zeeuwen”
– “Bijdrage tot de studie der werken van Stephanus Blankaart”, Prof. Dr. J.J. Vandevelde, Gent, 1924
– “Stephanus Blankaart, Medicyne doctor, en Praktizyn”, door A.J.J. v.d. Velde, bij het derde eeuwgetij zijner geboorte, 1950
– Alle in de tekst genoemde boeken van Steven Blankaart zelf

Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 2005-3/4, een uitgave van Stichting W.Tj. Lever.

Elk mens is uniek en zo is zijn profiel, Nieuwsbrief 2007-1


Er bestaat een foto van een zestienjarig meisje dat poseert in een zelfgemaakt ensemble, waarvan de donkerpaarsre rok geappliqueerd is met grote, witte viltfiguren: “silhouetten” dus. Dat meisje ben ik.

Toch was ik de veertig al gepasseerd toen ik voor het eerst kennismaakte met échte knipkunst. Tijdens een demonstratie van mevrouw Irma Kerp (toen 81 jaar!) raakte ik zo enthousiast, dat ik besloot les bij haar te nemen. Deze lessen resulteerden in een hechte vriendschap tussen haar en mij en veel later in een jubileum “Portretknippen”. Mevrouw Kerp was 84 jaar oud toen ze mij verzocht haar taak betreffende les geven over te nemen. Zestien woensdagen liep ik bij haar “stage” om dat te leren en al die tijd dacht ik: “Waar haal ik die humor en wijsheid vandaan?”. Aan het eind van die periode zei ze: “Lieve kind, je moet het me maar niet kwalijk nemen…ik vind het nog veel te leuk…ik houd er nog niet mee op!”. Het duurde nog twee jaar voor ik les ging geven onder andere aan de Volksuniversiteit van Woerden en Lelystad.

Ondertussen had ik ontdekt een goed gelijkend portret te kunnen knippen en dat werd binnen een jaar mijn beroep. Al gauw maakte ik deel uit van een groep “Oude Ambachten”. Een heerlijke tijd! We trokken door het hele land, beleefden veel en ik leerde de mooiste verborgen stadjes en plaatsen in Nederland kennen. Natuurlijk raakte ik geïnteresseerd in portretknippers van voor mijn tijd (o.a. Klaas Bakema en W.Tj. Lever). Zij moesten toch ook veel beleefd hebben. Helaas nergens kon ik iets op schrift gesteld vinden. Besloot het toen zelf te doen, materiaal genoeg! De titel had ik ook al: mijn “documentatie” zou “Profiel van een dwarskop” heten. Dat werd door Simon Carmiggelt een ”dijk” van een titel genoemd!. Nu nog een uitgever vinden. Na de zesde benaderd te hebben en ik de moed opgegeven had, zei de zevende er wel iets in te zien, mits ik er een cursus sierknippen bij zou schrijven. Daar zag ik weer niets in, maar ja, je wilt je werk toch gedrukt zien… Na de lessen van mevrouw Kerp, had ik ook Pools knippen geleerd van Marianne Schagen en natuurlijk al die jaren niet stil gezeten en een eigen stijl ontwikkeld. “Papierknippen, van hart tot hartewens” ontstond, met daarin opgenomen: “Profiel van een dwarskop”. Het kwam in 1988 uit -een maand voor het overlijden van mevrouw Kerp- ik kon het haar nog laten zien. Ze was er trots op dat een leerling van haar dat gemaakt had, maar ze zei: “Nu is mijn boekje (“Leer knippende zien”, E.S.) overbodig geworden!”. “Natuurlijk niet”, riep ik, “dat is het bijbeltje van de knipkunst!”. Postuum gaf ze mij het grootste compliment dat ik ooit heb gekregen. Toen we na haar begrafenis in de koffiekamer stonden, kwam één van haar kleindochters naar mij toe en zei: “Weet u wat mijn grootmoeder over uw boek zei?… Ik mag dan wel de bijbel van de knipkunst geschreven hebben, maar zij heeft het Nieuwe Testament gemaakt! “.
Mijn vier kinderen zijn altijd het belangrijkste in mijn leven geweest, maar het knippen zorgde voor aardige “illustraties”. Eens werd ik uitgenodigd door een dierenarts om ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan van de Dierartsenij-kunde in haar praktijk profielen van haar “patienten” te knippen. Het werden 50 profieltjes van honden, die rustig werden gehouden door de assistente die ze steeds maar hondenbrokjes voorhield. Ze was aan het eind van de dag net zo moe als ik! De laatste was een teckel van het mannelijk geslacht en die knipte ik als extraatje in zijn volle pracht. Dat ontlokte de dierenarts de verbaasde uitroep: Zelfs het vosje staat er op!”. Denkend aan een ludieke benaming van het mannelijk geslachtsdeel, ze ik: Ja, en toch het is een reu!“. Waarop zij begon te lachen en uitlegde dat het “vosje” het plukje haar is dat elk mannelijk zoogdier op zijn buik heeft. Het is maar een weet!

De dag dat Fiep Westendorp (februari 2004) overleed, werd ik ‘s morgens om 10 uur gebeld door de redactie van “Man bijt hond”: of ik even Jip en Janneke treurend bij een grafkruisje kon knippen. Even? Ja, het zou over een uurtje opgehaald worden! Jip en Janneke boeken waren wel in huis, maar om de (getekende) creatie van iemand anders in knippen om te zetten, het lijkt eenvoudig, maar is het niet… Enfin, in de uitzending van die avond werd de uitvoering ervan, omlijst met een passend muziekje, toch in beeld gebracht.

Ondertussen was ik verslingerd geraakt aan heksjes. Het is een vrolijk volkje dat je aardige dingen kunt laten doen. Bij tentoonstellingen werden de heksjes altijd als eerste verkocht, Op een gegeven moment raakte ik een beetje “heksenmoe” en de bron dreigde op te drogen. Toen ontstond het idee om er een boek van te maken, dan konden meer mensen ervan genieten tegen een billijker prijs dan die betaald moest worden voor de originelen.

Tegelijk ontstond het idee om -20 jaar na de eerste grote knipkunsttentoonstelling in ‘t Spant (1982)- een tweede knipkunsttentoonstelling aldaar te organiseren. In 1982 was ook in ‘t Spant door Lies Markus de kiem gelegd voor de knipvereniging, die in 1983 haar vaste vorm kreeg. Na een jaar noeste arbeid had ik 23 knipkunstenaars bij elkaar, vanaf een aantal van het eerste uur tot en met hedendaagse knipsters en knippers.

Hendrieke Meursing knipt Tobia Lever en Elly’s heksen

De opening werd verricht door Tobia Lever en het boek “De Heksen uit de Gouden Bergen” werd gepresenteerd door een stoet van kleine heksjes (waaronder twee kleinkinderen) aangevoerd door de hoofdheks Dennis (oudste zoon en mime-speler). Het werd (na de eerste in 1982) weer één van de drukst bezochte tentoonstellingen in ‘t Spant. En nu, 25 jaar nadat ik mijn eerste portretje knipte en, meer dan 15.0000 portretjes verder, vind ik het nog steeds het mooiste beroep van de wereld!

Elly Stroucken-de Jager
Geboren te Amsterdam, 12 mei 1938

Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 2007-1, een uitgave vanStichting W.Tj. Lever.

Portretten van knipkunstenaars, Anna Maria van Schurman, Nieuwsbrief 2005-2

collectie Museum Catharijneconvent, Utrecht

De tweede knipster die onze aandacht verdient is Anna Maria van Schurman (1607-1678). Ze werd op 5 november 1607 in Keulen geboren. Haar grootouders waren oorspronkelijk afkomstig uit Antwerpen, maar omdat ze zich bekeerd hadden tot het calvinisme moesten ze na de bezetting door de Spaanse troepen onder leiding van Alva Antwerpen ontvluchten. Ze woonden enige tijd in verschillende plaatsen in Duitsland en vestigden zich tenslotte in Keulen. Daar trouwden in 1602 Frederik van Schurman en Eva von Harff de ouders van Anna Maria en haar drie broers. In 1615 verhuisde het gezin naar Utrecht waar Anna Maria het grootste deel van haar leven zou blijven wonen.

collectie Centraal Museum

 

 

Haar ouders waren beide van adel en waarschijnlijk zo bemiddeld, dat haar vader geen beroep behoefde uit te oefenen. Hij besteedde veel aandacht aan de ontwikkeling van zijn kinderen en gaf ze enige tijd zelf huisonderricht. De kleine Anna Maria bleek een buitengewoon getalenteerd kind te zijn. Op haar derde jaar kon ze de bijbel en de catechismus al lezen. Schrijven leerde ze spelenderwijs en na enkele jaren kon haar schoonschrift de vergelijking met dat van de beroemdste schoonschrijvers doorstaan. Ze calligrafeerde talloze Nederlandse teksten, maar ook Griekse, Hebreeuwse, Arabische, Syrische en teksten uit andere oosterse talen.

Later zou ze zich al deze talen door zelfstudie eigen gemaakt hebben, maar behalve de gecalligrafeerde teksten zijn er geen geschriften van eigen hand bekend. Veel van deze “schoonschriften” of “penneschriften” werden voor veel geld gekocht door kunstverzamelaars.

Behalve dat ze prachtig kon schrijven was ze op haar zesde jaar al zeer bedreven in het knippen en snijden van papieren afbeeldingen. Ze knipte naar voorbeelden, tekeningen of schilderijen, maar ook naar eigen fantasie. Dr. G.D.J. Schotel beschrijft in zijn biografie “Anna Maria van Schurman” (1853) enkele knipsels als volgt: “…bloemen in hare ware grootte, onnavolgbaar kunstig en natuurlijk geknipt, die vergeet-mij-nietjes, viooltjes, angelieren, astertjes, sterrebloempjes, kievietsgras en andere bloemen, elk met haar eigenaardig loof kunstig geschakeerd en gegroepeerd, en zoo uitvoerig behandeld, dat zelfs de meeldraadjes der planten niet gemist worden… “ Deze bloemen hangen boven en slingeren tussen de wapens van de families Van Schurman, Van der Haer, Graphens en Van Kinschot. Later onderzoek naar dit knipwerk heeft uitgewezen dat het hier beschreven knipsel niet door Anna Maria gemaakt is, maar door Otto van Voorst. Schotel vermeldt verder een knipwerk, “een boschje of heestergewas, geheel uit takken en bladeren bestaand, met het naamcijfer onzer jonkvrouw erboven, en eene ster er onder”.

collectie Museum Martena Franeker

Een derde knipwerk laat vergeet-mij-nietjes, korenbloemen met een musje en een puttertje zien. Haar “penneschriften” versierde ze soms ook met knip-en snijwerk. Ze bootste niet alleen de natuur na, maar “hare schaar gaf ook onsterfeljkheid aan vorsten, vorstinnen en geleerden. Haar afbeeldsels waren van een sprekende gelijkenis en wedijverden met die van Johanna Koerten.“ Schotel schrijft, dat er nu (in 1853 dus) “slechts weinige proven van deze brooze kunst meer voorhanden zijn”. Dat klopt ook wel, want Anna Maria heeft heel veel van dit werk -wat zij zag als kinderspel- verbrand. Over de enkele werkjes die nog aan haar toegeschreven worden bestaat tegenwoordig twijfel of ze niet vóór haar in plaats van dóór haar gemaakt zijn. Haar kunstzinnige bezigheden bleven niet beperkt tot het knippen en snijden van papieren voorstellingen. Met acht jaar begon ze met tekenen en schilderen, wat ze niet onverdienstelijk deed, hoewel ze er volgens eigentijdse kunstenaars niet die hoogte in bereikte als in andere kunsten. Er zijn hoofdzakelijk miniatuurtjes van familieleden en zelfportretten bewaard gebleven.

Meer waardering oogstte haar boetseer- en beeldhouwwerk. Ze sneed in hout, ivoor en marmer. Van was boetseerde ze bloemen en vruchten, die volgens Schotel niet van echt te onderscheiden waren. Toen ze op haar elfde jaar leerde borduren, had ze die kunst in drie uur onder de knie. Enkele bewaard gebleven werkjes bevinden zich in Museum ‘t Coopmanshûs in Franeker. Daar zijn een geborduurd anjertje en een borduursel met viooltjes, vogeltjes en fruitmanden en een geborduurd landschapje te zien, die alle drie aan Anna Maria toegeschreven worden. Verder zijn er een bijbeltje en twee boekjes met geborduurde omslagen afkomstig uit de nalatenschap van Anna Maria.

collectie Museum Martena Franeker

collectie Museum Martena Franeker

Of het borduurwerk door haar zelfgemaakt is, is niet helemaal zeker. In het Rijksmuseum bevinden zich twee geborduurde tasjes. Op het ene bestaat de versiering uit gestileerde bloemenranken van gouddraad, hier en daar ingevuld met pareltjes. Tussen de ranken zijn medaillons aangebracht waarin telkens een hart doorboord met twee pijlen staat, Op het tasje zijn monogrammen aangebracht die staan voor de namen van een oom en tante. Het lijkt waarschijnlijk dat Anna Maria het voor haar tante gemaakt heeft, vooral daar het tasje uit haar nalatenschap afkomstig is.

collectie Rijksmusem en Centraal Museum Utrecht

In het Rijksmuseum heeft men twee glazen die door haar gegraveerd zijn. Graveren had ze geleerd van Magdalena van der Passe, een dochter van de bekende graveur Crispijn van der Passe. Ze gaf de door haar met opschriften en afbeeldingen versierde glazen cadeau aan familie en vrienden. Alsof het allemaal nog niet genoeg was leerde ze ook nog musiceren. Ze zong verdienstelijk en speelde luit, cimbaal en viool. Doordat sommige van haar kunstwerken voor vrij veel geld verkocht werden, soms ook aan buitenlandse bezoekers, kreeg ze een grote bekendheid en werd veelvuldig geroemd. Ze werd onder andere “een tiende muze”, een “kunstorakel” of “Schmuck der Welt” genoemd.

Haar vele kunstzinnige activiteiten verhinderden haar geenszins om tegelijkertijd haar andere studies ook voort te zetten, die naarmate ze ouder werd de overhand kregen. Naast dit kinderspel, zoals ze deze bezigheden later betitelde, bestudeerde ze vanaf het moment dat ze lezen kon de meest uiteenlopende vakgebieden. Op haar zesde jaar kon ze het Oude Testament in de oorspronkelijke taal, het Hebreeuws lezen. Ze leerde daarnaast Latijn, Frans en Grieks, de talen van de wetenschap in de 17de eeuw, maar ook Spaans, Italiaans, Engels en Duits. De overlevering wil, dat ze dat allemaal op eigen kracht deed aan de hand van geschriften uit binnen en buitenland. Er was geen onderwerp of vakgebied, dat haar niet interesseerde. Maar of het nu om aardrijkskunde , meet- of rekenkunde, geschiedenis en staatszaken, anatomie, botanie of astrologie ging, de letterkunde, wijsbegeerte en vooral de theologie kwamen voor haar op de eerste plaats en vooral dat laatste slokte tenslotte al haar aandacht op.

collectie Rijksmuseum

Ze schreef in het Latijn of Frans commentaren op wat ze las, maar schreef zelf ook artikelen, veelal in dichtvorm. Ze trok hiermee al vroeg de aandacht van diverse geleerden. Op haar 14e jaar had ze al zoveel bekendheid gekregen, dat Jacob Cats haar een waarderende brief schreef Ze beantwoordde die met een lang Latijns gedicht waarin ze zijn werk als staatsman en als letterkundige bewonderde. Het was het begin van een jarenlange briefwisseling en vriendschap met de 30 jaar oudere Cats. Zijn lange gedicht “Trouringh” (1637) droeg hij aan haar op met de woorden: “Aen ‘t wonderstuk van onsen tyt, dat ghy, ô jonck-vrou Schuermans, syt.” Cats maakte zijn vrienden op haar attent en zo kwam ze in contact met de bekendste Nederlandse geleerden van de 17 eeuw, zoals Huygens Barlaeus, Heinsius, De Groot, Voet en Rivet. Met de laatste twee disputeerde ze jaren over de interpretatie van bijbelteksten.

Voet, collectie Rijksmusem

In 1623 verhuisde het gezin Van Schurman naar Franeker waar haar vader aan de universiteit de godsdienstcolleges van de puriteinse leraar William Ames wilde volgen en haar broer Johan Godschalk medicijnen ging studeren. Helaas overleed tot haar groot verdriet haar vader al kort na de vestiging in Franeker. Op zijn sterfbed zou hij haar “ernstig en vurig” gebeden hebben niet te trouwen, “opdat zij zich niet onvoorzigtig in de strikken der wereld mogt wikkelen“. Of ze dat beloofd heeft is niet bekend, maar ze is in ieder geval nooit getrouwd. Johan Godschalk had naast zijn medische studie net als zijn zuster grote belangstelling voor letterkunde en theologie en hij kende veel geleerden. Door hem breidde Anna Maria’s vriendenkring zich verder uit. Ze leerde onder andere de Dordtse arts Beverwijck kennen en zijn twee dochters, die een soortgelijke opvoeding gekregen hadden als Anna Maria. Ze raakte met hen bevriend en de dames bezochten elkaar regelmatig. Zodra Johan Godschalk zijn studie beëindigd had keerde het gezin terug naar Utrecht waar het zich vestigde in het huis ‘De Lootse” op de hoek van het Domkerkplein samen met enkele, in verband met de dertigjarige oorlog, uit Duitsland gevluchte familieleden.

In 1636 werd de universiteit van Utrecht geopend. Ter gelegenheid van die gebeurtenis schreef Anna Maria een lang feestgedicht. Ze werd beloond met de toestemming om -weliswaar vanuit een speciale ruimte, afgescheiden met een gordijn- de colleges te volgen. Na een jarenlange briefwisseling met de theoloog Rivet over de positie van de vrouw verscheen in 1641 haar “Dissertatio” waarin ze het recht van de (christelijke) vrouw bepleitte om de wetenschap te beoefenen. Voor haar gold wel dat deze studies gericht moesten zijn op een beter begrip van de bijbel en de godgeleerdheid. Daartoe diende haar eigen studie van Hebreeuws, Latijn, Grieks, Chaldeeuws (Aramees) en andere talen van het Midden Oosten ook in de eerste plaats. Het boekje werd door een groot aantal geleerden met instemming begroet. Het werd in het Frans en Duits vertaald en raakte zo tot ver over de grenzen bekend.

Behalve veel positieve reacties onder meer van andere geleerde vrouwen uit het buitenland die haar stimuleerden op de ingeslagen weg verder te gaan, viel ook negatieve kritiek haar ten deel, vooral van theologen die niets wilden weten van vrouwen die wetenschap beoefenden. In felle geschriften waarin ze nogal eens tamelijk onchristelijk te keer gingen bestreden voor- en tegenstanders elkaar. Ook haar “Over den paelsteen onzes levens” had de pennen van voor- en tegenstanders van haar opvattingen in beweging gebracht. Daarin beweerde ze dat de levensloop van de mens vanaf zijn geboorte tot zijn dood vast staat. Gezien de stijl en de schoonheid van haar taalgebruik werd het artikel door letterkundigen en rechtzinnige godgeleerden hogelijk geprezen, maar bij remonstranten en lutheranen viel het allerminst in de smaak. Zij vonden juist dat de levensloop van de mens door allerlei invloeden van buiten aan verandering onderhevig kon zijn.

Vanaf 1637 veranderde haar leven drastisch. Haar moeder overleed en nu kreeg zij de verantwoordelijkheid voor de huishouding, de tuin en de verzorging van de twee ziekelijke tantes, Sybilla en Agnes von Harff. Voor wetenschapsbeoefening en kunst was weinig tijd meer. Het contact met haar vrienden verminderde, maar ze beklaagde zich er niet over. Integendeel, ze zag het als een plicht die God haar voorschreef en ze beperkte haar zorg niet tot de eigen huishouding, maar ondersteunde tevens zieken en behoeftigen in haar omgeving. Ze nam afstand van haar vroegere leven. Ja, ze verweet zichzelf dat ze “niet nederig en ootmoedig geweest was en niet ongevoelig voor de stem des lofs“, de lof die haar zo veelvuldig toegezwaaid was: “het puik en de kroon aller geleerde vrouwen“, “de waarachtige zon der geleerden“, “een phoenix in geleerdheid” zijn maar enkele van de loftuitingen. De eerste tien jaar bezocht ze nog wel eens vrienden en ze reisde zelfs nog met haar broer en de beide tantes naar Keulen om bezittingen van de Von Harffs die hen onrechtmatig afgenomen waren terug te vorderen. Het verblijf duurde ruim anderhalf jaar en Anna Maria ervoer het als een ballingschap, vooral omdat ze de gereformeerde geloofsgemeenschap miste. Keulen was rooms-katholiek en alle protestante kerkdiensten en andere bijeenkomsten waren verboden. Ze maakte tijdens het gedwongen verblijf in Keulen een lang gedicht, waarin ze Utrecht met Keulen vergeleek. De eerste regel luidt: “0, Utrecht, lieve stadt, hoe soud ick U vergeeten” . Het hele gedicht ademt heimwee uit. De vergelijking tussen de beide steden viel in het voordeel van Utrecht uit. Terug in Utrecht kwam ze terecht in felle kerkelijke twisten die zelfs een scheuring in de kerk tot gevolg hadden. Verbitterd besloot Anna Maria met het gezin de stad te verlaten en zich op het platteland te vestigen. Lexmond, een klein dorp aan de Lek werd de nieuwe woonplaats. Ze bleven er twee jaar. Beide tantes stierven er en werden er begraven, 89 en 91 jaar oud. De laatste tien jaar waren ze vrijwel blind en bedlegerig geweest.

Jean de Labadie, collectie Rijksmusem

In 1662 keerde ze alleen naar Utrecht terug. Haar broer Johan Godschalk (de enige die nog leefde) was het jaar daarvoor naar Duitsland en Zwitserland vertrokken om er collega’s te ontmoeten en aan hogescholen redevoeringen te houden. Na zijn medicijnenstudie had hij zich niet als arts gevestigd, maar had hij zich geheel aan de letteren en aan geloofszaken gewijd. In Genève maakte hij kennis met Jean de Labadie (1607-1673) een zeer rechtzinnig predikant die streefde naar een (nieuwe) kerkhervorming. Door sommigen werd hij verafgood als een groot kerkhervormer, maar door velen verguisd als de “ergste ketter en scheurmaker”. Hij werd de stichter van een piëtistische sekte, die de nadruk legde op de praktijk van het christendom. Zijn hoogste ideaal was een groepsleven zoals de eerste christengemeenten geleid hadden. Jan Godschalk raakte diep onder de indruk van deze charismatische prediker. Bij zijn terugkomst in Holland maakte zijn verslag over De Labadie zo’n indruk op Anna Maria dat ze deze man beslist wilde ontmoeten. Dat gebeurde enige tijd later toen De Labadie door bemiddeling van Jan Godschalk in de Waalse gemeente in Middelburg beroepen werd. Met een vriendin bracht ze enkele keren geruime tijd in Middelburg door om De Labadies preken te horen en met hem van gedachten te wisselen. Al vrij snel kreeg men in Middelburg genoeg van het extremisme van de nieuwe predikant en toen hij zich na herhaalde waarschuwingen niet matigde, werd hij uit zijn ambt gezet. Daarop scheidde hij zich af van de gereformeerde kerk, ging met enkele aanhangers en studenten naar Amsterdam en begon er een huisgemeente. De leden ervan distantieerden zich van alle “ongelovigen“en “naam-christenen” om besmetting te voorkomen. Anna Maria sloot zich als een van de eersten bij hem aan. Smeekbeden en raadgevingen van haar vrienden om haar van gedachten te doen veranderen mochten niet baten. Ook de kritiek van haar vrienden en van de officiële kerk op de sektevorming van De Labadie legde ze naast zich neer. Samen met een vriendin, een elfjarig neefje, twee vrouwen met hun kinderen en twee dienstmeisjes nam ze haar intrek in het grote pand dat De Labadie in Amsterdam bewoonde. Ook daar waren ze niet erg welkom en in 1670 moesten ze er weg. De groep kreeg onderdak in Herford in Westfalen bij prinses Elisabeth van de Palts, een vriendin van Anna Maria. Vandaar verhuisde de groep naar Altona bij Hamburg en tenslotte vond ze een vaste woonplaats op het landgoed Thetinga (Waltha state) bij Wieuwerd in Friesland.

Het was bezit van Cornelis van Aersen, gouverneur van Suriname, wiens drie zusters ook tot de labadistengemeente behoorden. Het laatste werk dat van Anna Maria’s hand verscheen en waar ze tien jaar aan gewerkt had was “Eucleria, of Uitkiezing van Het Beste Deel” (1673) waarin ze terugkijkt op haar jeugd en de periode van studie en haar leven in de huisgemeente van Jean de Labadie, wat zij als Het Beste Deel beschouwde.

Op 4 mei 1678 overleed ze in Wiewerd en werd er in de kerk begraven. Enkele jaren voor haar dood had ze al haar brieven en waarschijnlijk ook teken-, borduur- en knipwerk verbrand.

Zoals Mirjam de Baar terecht stelt was Anna Maria van Schurman “een uitzonderlijk geleerde vrouw”, die al meer dan 300 jaar regelmatig een historica(-cus) beweegt haar leven en werk tot onderwerp van studie te maken.

Geraadpleegde literatuur:
– ‘De Groote Schouburgh der Nederlandsche Kunstschilders en Schilderessen”, A. Houbraken, 1753 (1943)
– “Biografisch Woordenboek der Nederlanden” dl. 17, A.J. van der Aa, Haarlem, 1874
– “Anna Maria van Schurman”, Dr. G.D.J. Schotel, ‘s Hertogenbosch, 1853
– “Anna Maria van Schurman, een uitzonderlijk geleerde vrouw”, Mirjam de Baar e.a., Walburgpers, 1992
– “Utrechtse biografleën”, dl.1, J. Aalbers e.a., Utrecht, 1994
– Artikel uit een “Kölnische Zeitung” van 1916
– Artikel op internet van Mirjam de Baar

 

door Atty Broer
Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 2005-2, een uitgave van het museum van Knipkunst en Stichting W.Tj. Lever.

Portretten van knipkunstenaars, Agnes Block 2, Nieuwsbrief 2005-2

Links zit de godin Flora. Achter haar staat op een zuil een beeld van Aesculapius, een verwijzing naar de geneeskrachtige kruiden in Agnes’ tuin. Links van Flora en onderaan zijn de vier werelddelen uitgebeeld. Azië door een kind op een kameel, Amerika door een jongetje met een Indianentooi op zijn hoofd. Onder de koepel symboliseert een negerjongetje Afrika en Amor met zijn pijlenkoker stelt blijkbaar Europa voor. Alle kinderen hebben potten met exotische planten, die ze naar Vijverhof brengen o.a. weer een ananasplant. Vanuit de hemel doet een nimf met haar adem de bloemen ontluiken. Op de voorgrond ligt een opgerolde tekening en enkele ronde dozen.

Hoewel we dus geen knipwerk van Agnes Block meer terugvinden in musea of andere verzamelingen weten we toch vrij veel van haar levensloop en haar interessen. Maar hoe was ze als mens? Hoe was bij voorbeeld de relatie tot haar (stief)kinderen? Pieter was een baby toen zij de zorg voor hem kreeg en de dochtertjes van De Flines waren ook nog maar 12 en 13 jaar toen Agnes met hun vader trouwde. Ook over familiegebeurtenissen en bezoeken over en weer wordt nergens een woord gerept. Het enige wat ze nagelaten heeft zijn een aantal testamenten waaruit misschien iets over haar karakter valt te concluderen.

In 1694 maakte Agnes een testament dat twee eerdere uit veel vroeger jaren verving. Ze bepaalde er in welk nichtje onder haar erfgenamen -eigen kinderen had ze niet- op door haar gestelde voorwaarden Vijverhof “moest” kopen voor f 13.000 (in mindering te brengen op haar erfportie) en daarbij zou verkrijgen: “alle haer konst van vogeltjes, planten en kruiden, en andere gewassen”, met waterverf gedaan of geschildert, om by de voorsz.hoffstede te verblijven“. Verder bepaalde ze dat Sybrand de Flines na haar dood nog 1 à 2 jaar op Vijverhof mocht blijven wonen tegen een huur van f 300,- , maar hij moet dan wel eventuele reparaties zelf betalen! Hij was op het moment dat Agnes dit schreef al 71 jaar en woonde al meer dan 20 jaar met haar op Vijverhof. Gelukkig voor hem heeft hij de vernedering het huis te moeten ontruimen niet mee hoeven maken. Hij overleed in 1697 op 74-jarige leeftijd. Agnes maakte een nieuw testament en beschreef nog uitvoeriger dan de vorige keer welke stiefkinderen, (achter)neven en nichten en hun kinderen wat zouden erven en vooral ook wie niets mocht krijgen. Ze hield de handel en wandel van alle familieleden nauwlettend in de gaten en als die haar niet zinde kreeg de betreffende niets. Zo had ze een neef een zekere Ameldonck Blok, die meer geïnteresseerd was in de wetenschap dan in de handel of de kunst. Hij vertaalde onder andere het boek “Medicina mentis” van de Duitser Tschirnhaus waarin duidelijk de invloed van Descartes en Spinoza te bespeuren viel in het Nederlands. Het boek verscheen in Amsterdam. Verder vertaalde hij een handboek over natuurkunde uit het Frans. Deze activiteiten konden in Agnes’ ogen geen genade vinden en dus werd hij onterfd. Zo ging het met nog -in haar ogen- enkele zwarte schapen. In 1700, 1702 en 1703 maakte ze nieuwe testamenten en werd een codicil toegevoegd of een eerder vernietigd, sommige begunstigden vielen af, andere kwamen erbij. Er waren ontelbare wijzigingen en voorwaarden. Slim (of sluw?) was de bepaling in haar laatste testament dat Jacob de Flines, die haar geld schuldig was, de legaten aan zijn kinderen en enkele neven en nichten uit dat bedrag moest betalen. Het lijkt er op dat Agnes de laatste jaren van haar leven voortdurend angst gehad heeft haar bezit teloor te zien gaan. Uit de eindeloze lijst van voorwaarden en bepalingen blijkt dat ze zelfs na haar dood de touwtjes nog in handen wilde houden. Ook tijdens haar leven was al gebleken dat ze een zeer verstandelijk ingestelde vrouw was bijvoorbeeld bij de aan- en verkoop van percelen land waarmee ze zich naast de aankoop van Vijverhof bezig hield. Had misschien de aarzeling om met De Flines te trouwen daar ook iets mee te maken? De bepaling in haar testament dat hij na haar dood het huis zou moeten ontruimen lijkt ook meer te wijzen op liefde voor haar bezit dan voor haar man.

Agnes overleed zelf op 20 april 1704 in haar huis op de Herengracht waar ze altijd een kamer voor zich zelf behouden had. Ze werd tot haar dood verzorgd door een nichtje en haar man die het huis al jaren bewoonden.

Al een jaar na haar dood verkochten de erfgenamen “Alle haer konst van vogeltjes, planten en kruiden en andere gewassen, met waterverf gedaan of geschildert” voor een paar honderd gulden aan Valerius Röver, een kunstverzamelaar, die Agnes’ driedelige Memorie gelukkig in zijn Catalogus overnam, maar ook haar boeken bewaarde. Na zijn dood verkocht zijn weduwe zijn kunstkabinet voor f 40.000 aan landgraaf Willem VIII van Hessen-Kassel waardoor de hele kunstverzameling in het museum van Kassel terecht kwam waar ze nog steeds een belangrijk deel van het bezit uitmaakt. De tekeningen en aquarellen en Agnes’ “konstboeken” zijn er helaas niet meer. De inhoud kennen we dankzij het feit dat Röver die overschreef in zijn eigen Catalogus. Bekend is dat Jérôme Bonaparte in 1813 op de vlucht naar Frankrijk een groot aantal tekeningen en gravures meegenomen heeft. Nasporingen hebben uitgewezen dat het spoor van dit transport bij Giessen dood loopt. De kunstschatten waaronder waarschijnlijk Agnes’ “konstboeken” zijn nooit in Parijs aangekomen.

Zo is er dus niets tastbaars van deze knipster bewaard gebleven, zelfs niet de afbeelding van een schaartje.

Bronnen:
– “Agnes Block, Vondels nicht en vriendin “, Dr. C.C. van de Graft, (Bruna & zn.,, Utrecht, 1943
– “Papieren knip- en snijkunst, vroeger en nu “, artikel van Dr. C.C. van de Graft in Historia,13 (1948)
– “Papieren knipwerk”, artikel van Dr. C.C. van de Graft in Historia, 11 (1946)

door Atty Broer
Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 2005-2, een uitgave van het museum van Knipkunst en Stichting W.Tj. Lever.

Expositie Januszewski, Nieuwsbrief 2005-1

In 2003 ontvingen we in twee fasen een belangrijke schenking van het klooster Bethanië in Venlo (zie Nieuwsbrief maart 2003). In januari overhandigde zr. Imelda Blom ons 75 knipsels (waarvan 4 ingelijst), 36 schetsontwerpen (waarvan een deel al gedeeltelijk met de schaar uitgewerkt), 226 (professie)prentjes naar geknipt ontwerp, 182 uit publicaties geknipte illustraties, enige boeken en tijdschriftartikelen met geknipte afbeeldingen, kaarten, foto’s een tekening van Bethanië in kersttijd en een door zr. Imelda samengesteld plakboek met biografische informatie over knipster Gertrud Januszewksi (1911-2001). In het najaar kwamen nog eens 15 ingelijste knipwerken, afkomstig uit de kruisgang van het klooster, naar Schoonhoven. In maart en april van 2003 toonden we al een keuze uit deze nieuwe museumaanwinst, van 1 maart t/m 29 mei 2005 exposeren wij nagenoeg de gehele schenking.

Om twee redenen is het werk van Januszewski voor ons museum van belang. Allereerst om de kwaliteit van haar knipwerk. De knipsels -die Jugendstil invloeden verraden- zijn soepel, met vloeiende en ronde vormen, geknipt en zeer delicaat uitgewerkt. In de tweede plaats om de uitgebeelde onderwerpen. Dit geldt zowel voor de schitterende kindervoorstellingen (zie voorpagina) als voor de indrukwekkende religieuze stukken. Tijdens de voorbereiding van deze expositie kwamen wij in contact met de Stichting Kerkelijk Kunstbezit in Nederland. Deze instelling heeft enige jaren geleden een inventarisatie verricht in Bethanië men kende daar dus ook het werk uit de kruisgang. Op hun website (www.skkn.nl) is onder de noemer “Object van de Maand” in maart aandacht besteed aan Gertrud Januszewski, met verwijzing naar de tentoonstelling in ons museum.

door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 2005-1, een uitgave van het museum van Knipkunst en Stichting W.Tj. Lever.

Werk van Januszewksi, voor de museumverzameling, Nieuwsbrief 2003-1

In de nieuwsbrieven van september en december 2002 hebben we al de nodige aandacht besteed aan het werk van knipster en beeldend kunstenaar Gertrud Januszewski (1911-2001). Aanleiding was de schenking van een deeltje uit de driedelige reeks “Buiten Spelen”, dat door Gertrud werd geïllustreerd met knipwerk. Hierdoor kwamen we in contact met zr. Imelda Blom van het klooster Bethanië in Venlo, waar nog veel werk van Januszewski aanwezig is in de kruisgang van het klooster. Zr. Imelda stuurde ons diverse prentjes en ook enige knipsels en schetsontwerpen en we beschouwden deze gift al als een prachtige uitbreiding van onze museumverzameling. Het was dus een enorme verrassing dat we eind van het jaar vanuit Venlo te horen kregen dat zr. Imelda het door haar bijeengebrachte materiaal van en over Gertrud aan ons museum wilde schenken. De overdracht van deze nieuwe aanwinst heeft op 7 januari 2003 in Venlo plaatsgevonden, hierbij was ook knipster Netty Huberts-Haanen aanwezig. De omvangrijke schenking bestaat uit maar liefst 75 knipsels (waarvan vier ingelijst), 36 schetsontwerpen (waarvan een deel al gedeeltelijk met de schaar uitgewerkt), 226 (professie)prentjes met afbeeldingen van knipwerk, 182 uit publicaties geknipte afbeeldingen, enige boeken en tijdschriftartikelen met geknipte illustraties, kaarten en foto’s, een tekening van Bethanië en een door zr. Imelda samengesteld album met alle biografische gegevens van Gertrud.

Hierin vonden we dat Gertrud Januszewski uit Poolse ouders in 1911 te Berlijn is geboren. Aanvankelijk werkte ze als beeldend kunstenaar en illustratrice in Duitsland en in 1934 won ze een afficheprijsvraag van Propagande Fide in Rome. Met het geld van die prijs kon zij gaan reizen en kwam ze uiteindelijk in Nederland terecht. Daar nam zij haar intrek bij de zusters Dominicanessen in Venlo en later bij de zusters in Sittard. In Venlo maakte zij vele knipwerken met religieuze onderwerpen en kindervoorstellingen. Zij illustreerde diverse religieuze bladen met haar knipwerk en zorgde ook voor de illustratie van de drie deeltjes van “Buiten Spelen” die in 1946 werden uitgegeven door klooster Bethanië. Door haar werk kwam zij in 1955 in contact met de graficus Huub Levigne en door hem met de Jan van Eyck Academie in Maastricht, waar zij een opleiding beeldhouwen ging volgen. Daar heeft Januszewski zich verder ontwikkeld tot een gewaardeerd kunstenares, bekend onder andere door haar Ezeltje op de Ezelmarkt en Kruiswegstaties in de Sint Servaas. In 1960 ontving zij de Prijs der Stad Maastricht voor haar werk.

Conservator Tobia Lever heeft er de afgelopen tijd hard aan gewerkt een belangrijk deel van het knipwerk van Gertrud in passepartouts en lijsten te zetten, zodat dit, aangevuld met prentjes, boeken en documentatiemateriaal in vitrines, in de maanden maart en april in het museum kan worden gepresenteerd. Aansluitend bij de thema’s van de Culturele Zondag (6 maart en 20 april) ligt in maart de nadruk op de kindervoorstellingen en komt het religieuze werk in april meer aan bod.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 2003-1, een uitgave van het museum van Knipkunst en Stichting W.Tj. Lever.

Gertrud Januszwski, Nieuwsbrief 2002-4

Zr. Imelda van het Klooster Bethanië in Venlo stuurde ons een reeks prentjes van het religieuze werk van Gertrud Januszewski, nadat wij telefonisch met haar contact hadden over een boekje uit de serie “Buiten Spelen”. (zie Nieuwsbrief 2002-3) Voor deze nieuwsbrief hebben we daaruit een keuze gemaakt. Hierna ontvingen we van haar nog een dikke verrassingsenvelop met nog meer prenten, het boekje “In het lentezonnetje” (deel 1 van “Buiten Spelen”) maar ook twee originele, voltooide knipwerken van Januszewski, enige getekende ontwerpen, waarvan een gedeelte al met de schaar uitgewerkt, en nog enige andere zaken. Vanwege de verhuizing van de zusters uit Venlo ontvingen wij onlangs het bericht dat nog meer knipsels aan ons museum zullen worden geschonken. De schenking zal in januari in ontvangst worden genomen. Deze onverwachte ontwikkelingen hebben ons doen besluiten, ter gelegenheid van ons “Souvenirproject”, ruime aandacht aan het werk van Gertrud Januszewski te besteden en wel in de maanden maart en april van 2003. Er zullen presentaties van haar knipsels en ontwerpen worden gehouden over “lente” en “religie”. Dit sluit natuurlijk uitstekend aan bij de thema’s van de Culturele Zondagen.

uit de rubriek aanwinsten van de Nieuwsbrief van het Nederlands Museum van knipkunst en de Stichting W. Tj. Lever 2002-4

Portretten van knipkunstenaars, Agnes Block 1, Nieuwsbrief 2005-1

Nu verder onderzoek naar het Zeeuwse knipwerk niet door kan gaan, hebben we besloten dat ik me de komende tijd in dit nieuwe onderwerp zal gaan verdiepen. Het zal waarschijnlijk geruime tijd een vaste rubriek in de Nieuwsbrief gaan vormen. Ik zal proberen een beeld te schetsen van leven en werk van diverse knippers (-sters) van wie we wel de naam en een enkele keer ook werk kennen, maar van wie verder weinig of niets bekend is. Het eerst komen enkele knipkunstenaars uit de 17e eeuw aan bod, de periode waaruit de oudste Nederlandse knipsels bekend zijn, onder andere van Joanna Koerten over wie Henk van Ark al verschillende keren in de Nieuwsbrief geschreven heeft. Een tijd- en stadgenote van haar was Agnes (Agneta) Block. Hoewel van haar geen knip- of andere kunstwerk bewaard gebleven is, weten we uit mededelingen van tijdgenoten dat ze knipte, borduurde, tekende, schilderde en boetseerde. Kortom een veelzijdig talent.

Agnes Block (1629-1704) werd op 29 oktober 1629 in Emmerik (D) geboren uit doopsgezinde ouders. Haar grootvader van vaders kant was aan het eind van de 16e eeuw vanwege geloofsvervolging -de zuidelijke Nederlanden waren weer Spaans en dus katholiek geworden- met zijn gezin vanuit Antwerpen via Keulen en Haarlem in Amsterdam terechtgekomen. Agnes’ vader, Arend Block, vestigde zich met zijn vrouw, Ida Rutgers, in Emmerik waar hun 5 kinderen geboren werden. Beide ouders stierven jong en de kinderen werden na hun dood bij familie in Amsterdam ondergebracht. Agnes kwam – waarschijnlijk met haar twee zusjes – in huis bij haar oom en tante David Rutgers en Susanna de Flines, evenals haar ouders en andere familieleden behorend tot de rijke doopsgezinde handelaren uit de hoofdstad. Ze kreeg een opvoeding zoals die voor meisjes uit de gegoede stand gebruikelijk was in die tijd met aandacht voor kunst en cultuur, maar ook voor pleziertjes zoals wandelen in een doolhof waarvan er meerdere waren in het toenmalige Amsterdam, bezoek aan de oude, over de Amstel gebouwde, beurs waarin allerlei winkeltjes waren of een vaartochtje op de Amstel. ‘s Winters werd er geschaatst en was er tijd voor schouwburgbezoek.

Op 2 mei 1649 trouwde ze met Hans de Wolf, een zijdehandelaar in de Warmoesstraat. Hij was evenals Agnes een telg uit een Vlaams doopsgezind geslacht. Hij was kort daarvoor weduwnaar geworden van Neeltje Block, die overleden was bij de geboorte van hun eerste kind, Pieter. Hans’ moeder was een zuster van Vondel. Vondel en Hans waren zeer op elkaar gesteld en ook Agnes mocht haar nieuwe oom graag en dat was wederzijds, misschien mede door Agnes’ liefde voor de literatuur. De families zijn levenslang bevriend gebleven en hebben elkaar in moeilijke tijden altijd ter zijde gestaan. Ter gelegenheid van het huwelijk werd er een gouden huwelijkspenning vervaardigd waarbij Vondel een toepasselijk gedicht maakte:

“De Vredetijt, die lang moet duren,
Vereenight strydige naturen,
Het woudt vergeet zijn’ wilden aert.
De macke kudde is niet vervaert
Noch schuw. Onnoosle en wilde beide
Verzamen in een zelve weide;
Daer leit de Liefde met haar hant
Den WOLF en ‘t LAM aen eenen bant.”

Met het lam verwijst Vondel naar de heilige Agnes wier attribuut altijd een wit lam is. Enkele maanden later schrijft hij op haar naamdag, Sint Agnes (21 januari), weer een gedicht voor haar waarin hij haar in de laatste regels met de woorden:

“Godt wil u zijn ‘zegen geven
Dat sinte Agnes, ryk van glans
U onthaele in ‘s hemels trans.”

aanbeveelt in de bescherming van deze heilige die door hem hoog vereerd werd.

Het jonge echtpaar gaat wonen in Hans’ huis ‘De vergulde Wolf?’ in de Warmoesstraat, de voornaamste straat van Amsterdam waar veel handelshuizen van hervormde en doopsgezinde kooplieden, vooral zij de handelaren, gevestigd waren en waar de aanzienlijksten van de stad woonden en bij tijden buitenlandse gasten verbleven. Mensen als Philips de II en de aartshertog van Oostenrijk verbleven er tijdens hun bezoek aan Amsterdam en Alva woonde er in “t Huis van Doornik”. Vondel woonde maar enkele huizen van Hans en Agnes vandaan in “De Kraak”, waar hij een kousenhandel dreef. Later, nadat hij door het wangedrag van zijn zoon Joost in grote financiële moeilijkheden geraakt was en failliet verklaard werd, moest hij naar een kleiner huis verhuizen. Hans de Wolf en enkele andere notabelen hebben toen bewerkstelligd, dat burgemeester Cornelis van Vlooswijk hem benoemde tot boekhouder van de Amsterdamse Bank van Lening, zodat hij weer een bron van inkomsten had. Tientallen jaren bezocht Vondel de familie De Wolf elke vrijdagmiddag, ook toen ze allang verhuisd waren naar het huis “Messina” op de chique Herengracht.

De eerste keer dat we iets vernemen van Agnes’ kunstzinnige bezigheden is in een gedicht van Vondel, dat hij schrijft ter gelegenheid van Agnes’ 39e verjaardag in 1668:

(…)“AGNES, staek nu ’t onderzoeken
En gesprek met stomme boeken.
Teken bloemperk noch prieel.
Besigpotloot, noch penseel,
Pen, noch int, noch waterverven:
‘t Is nu tij t de kunst te derven.
Zet bootseeren aen een zy,
Want uw vrolijk jaergety
Lijdt geen kunstige oeffeningen,
Daer wy dertigh zonneringen
En noch negen, hant aen hant,
Sluiten met een ‘tafeltrant.”(…)

Hier is dus sprake van lezen (studeren), tekenen, schilderen en boetseren, maar nog steeds niet van knippen. Daarover lezen we pas in een later gedicht van Vondel.

In februari 1670 was Hans de Wolf overleden en enkele maanden later had Agnes “een hoffsteede groot omtrent veertien en een halve morgen, leggende aan de Vecht in de jurisdictie van Loenen” gekocht. Het bezit bestond verder uit “hoff berghen (opslagplaatsen voor hooi of graan), schuere, stalingen ende vordere getimmert ende plantagie“. Agnes kende de geneugten van het leven buiten de stad, want Hans de Wolf had een deel van het buitenverblijf in de Purmer bezeten, dat zijn moeder, Clementia van den Vondel, na haar dood aan haar kinderen nagelaten had met de bepaling dat het onverdeeld zou blijven zolang er nog een van haar kinderen of kleinkinderen in leven zou zijn. Na Hans’ dood erfde zijn zoon Pieter zijn deel. De familie zal ongetwijfeld menige mooie zomer in de Purmer doorgebracht hebben. Nu had Agnes dus haar eigen buitenplaats aan de Vecht. Ze was daarmee niet de eerste, want veel van de rijke doopsgezinde zij de handelaren belegden hun geld in land en buitenhuizen. De streek tussen Breukelen en Loenen kreeg naar hen zelfs de bijnaam de Mennistenhemel. Ze begon met de aanleg van een boomgaard, een moes- en bloementuin en het graven van vijvers evenals met de bouw van een huis naast de boerderij die er al stond. De buitenplaats kreeg de naam Vijverhof.

Nog voor het geheel voltooid was brak de oorlog van 1672 (het Rampjaar!) uit. De Franse troepen hielden behoorlijk huis in de Vechtstreek en hoewel het huis gespaard bleef viel na hun vertrek in 1674 veel te herstellen aan de vernielde tuinen. Op een portretpenning van Agnes is te zien dat de tuin in Lodewijk IV stijl aangelegd werd.

By Jan Boskam – Own work, CC BY-SA 3.0, commons.wikimedia.org

Het is waarschijnlijk dat Agnes bekend was met de ontwerpen van de bekende tuinarchitecten van die tijd zoals de Franse tuinarchitect Daniel Marot. Bovendien had Sybrand de Flines in Parijs contact met de hortulanus van de Franse koning. Met deze Sybrand was Agnes na lang aarzelen op 9 september 1674 getrouwd. Hij was na het overlijden van zijn vrouw op 11 oktober 1672 met zijn twee dochtertjes van 10 en 11 jaar achtergebleven. Hij stamde evenals Agnes af van uit Antwerpen afkomstige doopsgezinde vluchtelingen en had ook in de Warmoesstraat gewoond. Ze hebben elkaar ongetwijfeld van jongs af aan gekend. De doopsgezinde gemeenschap telde maar zo’n 1000 mensen en bovendien was het verplicht binnen de gemeenschap te trouwen. Wie dat niet deed werd “afgesneden”. Binnen de betrekkelijk kleine kring van rijke kooplieden kende iedereen elkaar dus wel. Ter gelegenheid van dit tweede huwelijk maakte de 86 jarige Vondel weer een gedicht en daarin vermeldt hij Agnes’ knipkunst en de fraaie stoffen die De Flines maakt en verhandelt:

(…) d’Een schept zom lust op ‘t lant,
Daer zy bloemen zaeit en plant,
Of de Bloemgodin helpt vieren,
En het loofwerk op papieren,
Uitgesneden met de schaer,
Offert op het huisaltaer.
D ‘Ander heeft Natuur getroffen,
Als hy net inzyde stoffen,
Loof en schoone bloemen weeft,
Schooner dan de lente ons geeft (…)

Maar Vondel spreekt ook over (…) “FLINES, die door stadigh minnen ‘t Onvermurwde hart kost winnen”. Vondel bleef ook op Vijverhof een graag geziene gast. Toen hij in 1679 overleed zorgde De Flines voor een gedenkdienst in de Nieuwe Kerk. Na hun huwelijk zullen Agnes en Sybrand de winters waarschijnlijk in Agnes’ huis aan de Herengracht doorgebracht hebben, maar de zomers zullen ze op Vijverhof gewoond hebben.

Met Vijverhof lijkt Agnes er een nieuwe levensinvulling bij gekregen te hebben. Haar buitenplaats werd haar grote liefde. Vastberaden nam ze samen met haar man de aanleg van de tuin ter hand. Ze liet een theekoepel bouwen, decoreerde de tuin met beelden en ze ging zich enthousiast bezighouden met de studie van de botanie en het kweken van in- en uitheemse gewassen waarbij ze opmerkelijke resultaten behaalde, zodanig dat haar tuin een voorbeeld voor anderen werd. Het lukte haar als eerste in Nederland een rijpe ananas te kweken. Ze bood hem aan aan de Staten van Utrecht die haar als dank een gedenkpenning schonken waar aan de ene kant haar beeltenis staat en aan de keerzijde een afbeelding van Vijverhof met de godin Flora die een hoorn van overvloed in haar arm houdt. Naast haar staat een bloempot met een ananasplant.
Maar haar belangstelling hield niet op bij de botanie. Ze had ook een volière met vogeltjes, ze verzamelde schelpen, opgezette vlinders en andere insecten, porselein, mineralen, tekeningen en allerlei snuisterijen. Zo ontstond haar rariteitenkabinet, de grote mode van de 17 eeuw, die ontstaan was na de grote ontdekkingsreizen van de 16 en 17e eeuw en de daaruit volgende handelsreizen van de VOC en de WIC. Behalve allerlei handelswaar brachten deze schepen ook exotische planten, zaden en dieren mee. De rariteitenkamers of -kabinetten vormden de voorlopers van onze musea. De prachtige ovale zaal van het Teylers Museum in Haarlem (geopend 1798) was ooit de rariteitenkamer van de heer Teylers.
Veel van haar bloemen en planten heeft Agnes zelf getekend en geschilderd, maar zij en haar man nodigden ook schilders uit op Vijverhof om voor hen te werken. Omdat Agnes in haar “bloemboeken” optekende wie ze opdracht gaf, weten we dat ze een groot aantal schilders op deze manier ondersteunden. Saftleven, Willem de Heer, Pieter en Alida Withoos, Henstenburg, Bronkhorst, Maria Sibylla Merian, Nicolaas Juweel, Philips Tideman en vele anderen hebben ongeveer 400, meest aquarellen, van haar planten, vogels en insecten vastgelegd. Ook op andere buitenplaatsen werden kunstenaars voor dit doel uitgenodigd. Zo vormde de groep van rijke kooplieden een belangrijk mecenaat.

By Jan Weenix – www.ahm.nl, commons.wikimedia.org

Op een familietafereel , geschilderd door Jan Weenix zien we Agnes als middelpunt van haar gezin en haar kunstwerken. Ze heeft een geschilderde vogel in de hand. Aan haar voeten ligt een map waarin ze haar teken- en schilderwerk bewaarde – en misschien ook wel knipwerk- vooral van bloemen. Tegen enkele boeken staat een schilderij. Het kan door Agnes gekopieerd zijn, want het schilderen van amateurs was vaak kopiëren. Sybrand, gekleed in een wijd gewaad houdt een beeldje in zijn hand, dat door Agnes geboetseerd zou kunnen zijn. Op tafel zien we voorwerpen uit Agnes’ rariteitenkabinet: opgezette vlinders, schelpen en een cupidootje met een grote, vreemd gevormde schelp. Het stiefdochtertje naast haar biedt een schaal met op Vijverhof gekweekte druiven en andere vruchten aan. Het andere meisje zit tussen een ananasplant met een volgroeide ananas en een petunia(?) plant. Alles in het tafereel getuigt van Agnes’ interessen. Op een bruggetje met boog staat de naam Vijverhof, er achter hebben we zicht op de tuinen.

Op een later portret (1693) van Adriean van der Werff staat Agnes afgebeeld met een bloeiende tak in haar hand. Dit portret is een pendant van het portret van Sybrand de Flines die een zelfde soort wijde mantel draagt als op het schilderij van Weenix. Naast hem staat een bloempot met een acanthus.

Al Agnes’ liefhebberijen zijn ook bezongen in het lange lofdicht “Vijverhof van Agneta Blok” (1702) van haar achterneef Gualtherus Blok. Hij wandelt als het ware met de lezer door de tuin, wijst op de exotische gewassen en de producten die ze opleveren: “die goud-geele Ananas” en “de soetste most van muscadel”, komt langs de volière met “ ‘t sweevend pluimgediert” en langs de perken met “Amaranth, Passi-bloem, Oleander en Catoenboom“. Dan gaat hij het huis binnen naar de rariteitenkamer “waar in seer konstig, net in lysten sijn geplaatst, in Doosen opgeset, uit beide de Indiën de bloedeloose dieren, En teder afgemaalt die door de Myt ontcieren; En onder dien behaagt de Paauw-oog, een Capel, Uit Suriname van de grootste, wonder wel”. Verder is er sprake van “Scorpioenen uit Ceilon” en “de Worm, die Sijde aan ons verschaft “. Maar ook de papierkunst ontbreekt niet in het kabinet, getuige de regels: “Doch Bloemen wonderlyk in Potten te schakeren, Kan uwe Sny-konst in Papier, uw Schaar ons leeren“ Over de bibliotheek zegt hij: “De Boeksaal eindelijk bint ons wel allermeest, Hier toont gy wys-beleid, een mannelijke geest”.

Jan van Goeree tekende en graveerde een toepasselijk titelblad bij het gedicht. In het midden staat in een cirkel een koepel aan het water. Rechts van de cirkel zit de Vechtgodin met in haar linkerhand een vaas waaruit water stroomt, aan haar voeten ligt wat visgerei. In de verte is de Utrechtse Dom zichtbaar (als de Amsterdamse kooplieden op hun buiten verbleven waren ze burgers van Utrecht). Links zit de godin Flora.

door Atty Broer
Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 2005-1, een uitgave van het museum van Knipkunst en Stichting W.Tj. Lever.

Zeeuwse knippers en hun werk, deel 2, Nieuwsbrief 2004-4

Als vervolg op mijn artikel in de vorige nieuwsbrief over Jan de Prentenknipper en het Zeeuwse knipwerk in ons museum stond een verhaal over het knipwerk in het Zeeuws Museum in Middelburg gepland. Helaas kan het onderzoek daar geen doorgang vinden om diverse redenen. De voornaamste hiervan betreft de hoge kosten die betaald moeten worden voor foto’s van het knipwerk plus daarbij nog het copyright om ze te mogen publiceren. Deze kosten zijn voor ons museum niet op te brengen en dat is jammer omdat hierdoor ons verdere onderzoek wordt geblokkeerd. We hebben het Zeeuws Museum niet kunnen overhalen een uitzondering te maken voor een niet commerciële uitgave en in ruil voor onze onderzoeksgegevens. Volgend jaar gaan we daarom verder met een ander onderzoek, maar over papierkunstenaar Reygers, die ik in mijn vorige bijdrage al even noemde, heb ik wel voldoende informatie en afbeeldingen van zijn werk in andere musea weten te vinden om toch een goed idee te geven van zijn kunnen.

Johannes Hubertus Reygers werd op 1 mei 1767 geboren in Gorinchem en verhuisde in 1787 naar Middelburg waar hij als huisleraar de kost verdiende. Hij trouwde in 1796 met Catharina van der Krap en kreeg met haar 8 kinderen. Naast zijn werk als huisleraar volgde hij tekenlessen aan de Middelburgse Teeken Akademie en hij blijkt daar een talentvolle leerling te zijn geweest, want in 1796 werd hij bij de jaarlijkse tekenwedstrijd “primus” bij het schilderen naar “het naakt levend mensbeeld”. In 1817 en 1822 was er werk van hem te zien op tentoonstellingen. In 1814 werd hij tot lesgevend meester tekenkunde benoemd aan de Academie waar hij onder andere les gaf aan de later beroemd geworden schilder B.C. Koekoek. Tot 1845 hield hij het lesgeven vol. Op 11 maart 1849 overleed hij, 82 jaar oud.

Naast zijn lesgevende taak was hij al eerder ook tot Inspecteur der Landsgebouwen benoemd. Als leraar heeft Reygers een grote bijdrage geleverd aan de modernisering van het teken- en schilderonderwijs aan de academie. Hij schreef daartoe een fraai geïllustreerd manuscript over de ontleedkunde. Volgens hem was een grondige kennis van de anatomie van het menselijk lichaam onontbeerlijk voor een schilder. Tot die tijd werden de anatomielessen gegeven door heelkundigen (artsen), die naar Reygers’ mening de leerlingen veel te veel irrelevante informatie bezorgden, terwijl ze aan hoofd, handen en voeten – de moeilijkste lichaamsdelen voor een schilder – nauwelijks aandacht besteedden.

Reygers was een zeer veelzijdig man, want behalve tekenaar, schilder en leraar was hij ook nog etser (o.a. van zeegezichten), stempelsnijder, modelleur en maker van knipwerk, bavelaars en objecten van papier, karton en hout. In die laatste hoedanigheid is hij voor ons van belang. Bij zijn dood op 11 maart 1849 schreef een journalist van de Middelburgse Courant: …“Niet alleen zijne geestige en weldoorwerkte teekeningen, bestaande meerendeels in voorstellingen van schepen en afbeeldingen van land- en stadsgezigten, bij de liefhebbers gezocht, maar ook, en inzonderheid, maakte hij zich beroemd door het vervaardigen van kunstig snij- en boetseerwerk in papier, als basrelief opgewerkt, en die voortreffelijk schoon en rijk van ordonnantie zijn, en waarvan al de voorwerpen met de grootste naauwkeurigheid en bewonderenswaardigen smaak bewerkt zijn; waarvan niet alleen alhier zoowel als in andere Zeeuwsche plaatsen uitmuntende proeven voorhanden zijn, maar ook in publieke en particuliere kunstverzamelingen in Holland en elders gevonden worden; getuige onder anderen het zeer uitvoerige monument, hetwelk zich in het koninklijke kabinet van zeldzaamheden te ‘s Hage bevindt.“

Dit monument (48 x 39 cm) is een gedenkstuk dat herinnert aan de regeringsperiode van koning Lodewijk Napoleon Bonaparte en bevindt zich tegenwoordig in het Rijksmuseum. Het papierknipwerk zit in een ondiep kastje achter glas. In het midden staat in een halfronde nis een witte antieke vaas van hout, versierd met gouden banden. Op de vaas prijkt een “zonnehoofd” door stralen omgeven. Links en rechts van de nis hangen twee schilden, links met de vrijheidsmaagd en rechts met een anker, achter de schilden vlaggen en wapens. Boven de nis ligt een opengeslagen boek met daarboven het gecombineerde wapen van Holland en het Franse Keizerrijk met mantel, kroon en ordetekenen en links en rechts in de hoeken twee ovale schilden met de monogrammen van Lodewijk Napoleon ( LN) en Eugénie Hortense de Beauharnais (EHB). Dit gedeelte is in een gouden parelrand gevat. In een kooflijst eromheen zien we links en rechts elk 4 wapens, van het Koninkrijk Holland en van de 7 provinciën van de voormalige republiek. Beneden op een rechthoekig schild staat de tekst:

Aan Zijne Majesteit!
Den KONING van HOLLAND!
Word dit Gedenkstuk met alle Hoogachting door
Deszelfs Onderdanige en Gehoorzame dienaar
J.H.Reygers Eerbiedig Aangeboden.

Links en rechts van de tekst en tussen. de wapenschilden zijn takken en in de vier hoeken palmbladeren ter versiering aangebracht. De achtergrond is lichtblauw. Het stuk is rechts onder de vaas gesigneerd met: J.H. Reygers, te Middelburg in Zeeland. Enige tijd nadat het stuk aangeboden was heeft de koning het bij Koninklijk Besluit van 30 maart 1808 voor f 400,- laten aankopen ter plaatsing in het Koninklijk Museum. (Ontleend aan “Herinneringen aan de Bonapartes in het Rijksmuseum”, van Dr. R. Van Luttervelt, Uitg. Sijthoff NV, Den Haag 1961)

Een stuk niet een soortgelijke opbouw bevindt zich in Zwolle in het Provinciaal Overijssels Museum. Dit werk maakte hij ter gelegenheid van de 60e verjaardag op 1 januari 1804 van een zekere heer Jan Meusel. Het werd hem geschonken door zijn drie kinderen. Het is ook een kijkkastje bavelaar, 40 x 31,5 cm). In het midden staat in een nis een sierlijk vaasje met een papieren bloemenkrans er omheen, daarboven hangt een geknipt schild niet franje en helemaal bovenaan op het fries dat de nis afsluit begint de verjaarswens:

Wij danken d’opper Zegenaar!
Wijl Gij! Dees Eersten dag van ’t jaar
0 Vader! Zestig jaren zijt
Ontvang dit stuk tot Dankbaarheid
Ter Gedachtenis op het Blij Verjaaren
Van Onzen Waardigen en Veel-Gelievden
Vader! Jan Meusel.
Den 1e Van Louw-md. 1804.

Op de zuiltjes ter weerszijden van de vaas hangen schilden, op het linker is de Tijd, een gevleugelde figuur met doodshoofd en zeis, afgebeeld en op het rechter Mercurius, god van de handel, onder en boven de schilden zijn papieren bloemen aangebracht. Onder de vaas staan de namen van zijn drie kinderen, Abraham, Hendrik Cornelis en Wilhelmina Aletta Meusel. Het geheel is achter glas in een vergulde lijst geplaatst. Het is gesigneerd met: J.H. Reygers f 1803.

Een derde gedenkstuk in de vorm van een bavelaar met een in een nis geplaatst vaasje is gemaakt voor Pieter Jacobus Serlé ter gelegenheid van zijn 50e verjaardag op 23 November 1810. Hij kreeg het van Jonathan Delzenne en Dirkje Hulst wier namen op een klein papiertje rechts onder op de zuil staan. De vaas staat op een halfronde zuil waarop Serlé’s naam en verjaardagsdatum staan. Boven in de nis hangt een ovaal met een mooie stralenkrans waarin een soort tuin te zien is. Mercurius, hier zo te zien in zijn functie als boodschapper van de goden met zijn gevleugelde schoenen en helm, plaatst met zijn rechterhand een lauwerkrans op het hoofd van een buste die op een zuiltje staat. In zijn linkerhand houdt hij zijn met slangen omwonden staf. Aan weerszijden van de nis hangen twee riemen gedragen door leeuwenkoppen. Op de riemen zijn alweer twee lauwerkransen aangebracht en er onder twee schildjes met cupido’s die aan komen vliegen met ook weer een krans. De heer Serlé moet wel een zeer gewaardeerd man geweest zijn. Op het ene schildje staat een L, waar die voor staat is me niet bekend. Onder aan de riemen zit een gesp met een soort kettinkje. Het werk zit in een mooie houten lijst met parelrand en houtsnijwerk. Het stuk behoort tot de verzameling van het Haags Gemeentemuseum.

Het Nederlands Scheepvaartmuseum in Amsterdam bezit sinds 1932 een bavelaar van Reygers van geheel andere aard. Hij stelt een Hollandse rede voor waar schepen liggen te wachten voor ze de haven in mogen varen. Op een tamelijk ruwe zee, gemodelleerd uit papier-maché, is het een drukte van belang. De wind komt van links en sommige schepen hangen behoorlijk scheef in de harde wind. Op de voorgrond links ligt een groot schip waar we in de spiegel raampjes zien. Aan dek zijn vijf mannen in de weer met de mast van het grote zeil. Wat verder naar achter ligt een schip waarvan de mast gebroken lijkt te zijn. Rechts op de voorgrond ligt een schip dwars op de golven, ook daar zijn enkele mensen bezig met de tuigage. Helemaal vooraan vaart een roeiboot met enkele mensen aan boord tegen de wind in. In deze prachtige bavelaar toont Reygers hoe goed hij met de wetten van het perspectief op de hoogte was. Het water lijkt eindeloos en de schepen in de verte worden steeds kleiner, van een enkel schip zien we slechts een zeil boven de horizon uitkomen, en toch is het kastje hooguit 5 cm diep. Rechts onder heeft hij zijn werk gesigneerd: J.H. Reijgers f. 1804 in Middelburg in Zeeland.

Reygers heeft heel veel in opdracht gewerkt, voor particulieren, maar ook voor de academie en de overheid. Voor de eerste maakte hij ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan in 1803 een ‘ boetseerwerk” voor de honoraire leden (de sponsors, die vaak ook bestuurder waren) van de Academie. Omdat er voor een zilveren penning -te doen gebruikelijk bij een dergelijke gelegenheid- geen geld was. In 1817 maakte hij voor de jaarlijkse schooltentoonstelling een knipwerk waarop o.a. figuren die de teken-, schilder- en bouwkunde symboliseerden. Deze werken zijn bij de brand na het bombardement in mei 1940 verloren gegaan. In datzelfde jaar maakte hij samen met zijn collega J.P. Boerjé een ontwerp voor een gedenkpenning ter gelegenheid van de opening van een nieuw havenkanaal.

Bronnen:
“Om prijs en plaats”, de Middelburgse Teekenakademie 1778-2003 red. C.E. Heijning en G. van Herwijnen uitg. in de reeks Grote Zeeuwse Katernen, Middelburg 2004
“Frappante gelijkenissen”, J.P. Boerjé (1774-1834) als beoefenaar van kunst en wetenschap.
A. Meijer in Zeeuwse Katernen
Informatie van de genoemde musea

door Atty Broer.
Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 2004-4, een uitgave van het museum van Knipkunst en Stichting W.Tj. Lever.

Het knipwerk van Stien Momber, Nieuwsbrief 2004-4

Naar aanleiding van een artikel in Cultuurbericht, het blad voor donateurs van het Prins Bernhard Fonds, over het Nederlands Museum van Knipkunst kwamen wij in contact met mevrouw Caland-Momber die ons schriftelijk liet weten dat zij knipsels, gemaakt door haar moeder ruim twintig jaar geleden, aan ons museum wilde afstaan. En op een van de Culturele Zondagen kwam ze het museum binnen met een blauwe map met prachtig ornamenteel knipwerk. Ook waren er enige mapjes bij met Chinees-knipwerk en een interview met Stien Momber uit een helaas onbekend tijdschrift. Hieruit citeren wij de volgende zinnen die een goed licht werpen op Stien Momber en haar werk. Het interview wordt gehouden aan de koffietafel: “…Fijn om te doen maar niets bijzonders, iedereen kan het”, zegt Stien Momber als we bij een heerlijk kopje koffie een babbeltje maken in het gezellige, sfeervolle en gastvrije huis in Wijdenes. Ze heeft vele tientallen – of zijn het er wel al honderd?- knipsels gemaakt, die als smaakvolle wandversiering in menig huis een plaatsje hebben gevonden. Hoe ze er toe gekomen is? “Och”, vertelt ze heel eenvoudig, je weet, mijn werkzaamheden liggen op administratief gebied, lettertjes, cijfertjes en alles wat er zo bij komt kijken en dat is een heleboel. Nu zocht ik, laat ik maar zeggen uit een soort liefhebberij, iets waarbij ik los kon komen van de dagelijkse dingen, iets waarop je je fantasie kunt botvieren zonder dat er al te veel kosten aan verbonden zijn, weet je. Maar toch iets dat je intensief bezig houdt en waar je je beide handen plus je hoofd bij moet houden”.

En verder: “Nu kan ik helemaal niet tekenen. Geen bloemen, laat staan dieren. Iets van dien aard tekenen en dan uitknippen, dat ging dus niet. Papier vouwen, nog eens vouwen en uit die vouwen wat uitknippen, dat ligt me niet, dat zou me beslist geen bevrediging geven. Nou, dan maar symmetrische figuren maken met wat eenvoudige hulpmiddelen: knoopjes, geldstukjes, kopjes, bordjes, schoteltjes, je kunt alles benutten. Met deze hulpmiddelen laat je al doende je fantasie de vrije loop, zo maar op z’n boerenfluitjes. En bij elk knipsel denk ik telkens weer: de volgende maak ik zo en zo”.

Ze vervolgt: “Waar je op moet letten is natuurlijk dat alles aan elkaar blijft zitten en je geen losse stukken in je handen houdt. Eerst maakte ik hoofdzakelijk ronde knipsels, dat is het gemakkelijkst en geeft een aardig effect. Nu heb ik dit uitgewerkt tot ook andere vormen, eigenlijk zonder vast omlijnd systeem, gewoon maar iets”.

Vervolgens vertelt de papierknipster over de afmetingen van het papier dat ze gebruikt en hoe ze een ontwerp maakt. De schrijfster van het artikel verzucht dat je daar maar fantasie moet hebben, maar Stien stelt kordaat: “Nee, helemaal niet, die moet en kun je aanwakkeren. Door op alle dingen die je om je heen ziet te letten, welke vorm iets heeft en hoe het in elkaar zit”. Op de vraag wat voor materiaal zij gebruikt geeft Momber als antwoord: “Als papier gebruik ik graag zwart tekenpapier, niet te dik, niet te dun, maar ik gebruik ook wel gekleurd sitspapier. Dan een schaartje. Een druivenschaartje bevalt mij het beste. Dat is een stevig schaartje met spitse punten en gelijke, grote ogen. Dat is gemakkelijk vast te houden en ligt prettig in de hand. Een gewoon borduurschaartje is al gauw gesneuveld. Een potlood en verder alles wat het huis oplevert”.

Tot zover het verhaal van Stien Momber. We zijn blij dat we haar knipsels (ook half uitgewerkte en getekende opzetten) in onze verzameling hebben mogen opnemen. Als alles meezit willen in 2006 hierover een expositie organiseren.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 2004-4, een uitgave van het museum van Knipkunst en Stichting W.Tj. Lever.