Auteursarchief: admin

To van Waning, Knip-Pers 1983-3

To van Waning-Mijnlieff (geb. 1924) uit Arnhem kwam in 1948, na het behalen van de acte voor handenarbeid, voor het eerst met de papierknipkunst als zodanig in aanraking. Dat gebeurde op een zgn. “Mooimakerscursus” in het Openluchtmuseum in Arnhem, waar onder leiding van Hil Bottema, allerlei versieringstechnieken werden geleerd, o.a. ook het knippen. Hil wilde To graag als assistente houden, maar aangezien er alleen maar een vacature was op de klederdrachtenafdeling, is zij op die plaats terecht gekomen. Toch heeft To gedurende de 12½ jaar dat zij in het “Rijksmuseum voor Volkskunde, het Nederlands Openluchtmuseum” werkte, ook veel samengewerkt met Hil Bottema, die een zeer inspirerende figuur voor haar was. Na haar huwelijk in 1961 verliet zij het museum. Zij gaf toen hier en daar handenarbeidlessen, maar heeft het kontakt met Hil steeds behouden. Vanaf 1963 geeft zij lezingen met dia’s over de “Papierknipkunst van vroeger tot nu” en cursussen in het knippen. Het: begin hiervan, was het verzoek uit Alkmaar voor een cursus, gericht aan Hil Bottema. Hil wilde dit werk echter aan To overdragen, omdat zij zelf zoveel andere zaken onder handen had. Mevrouw de Jong- Brouwer uit Sneek bezocht deze cursus en hierdoor ontstond er een levendig kontakt tussen Hil en Jantje III -zoals Hil haar noemde- over de knipkunst. Van Jantje III leerden Hil en To weer leuke dingen, die zij op hun beurt weer aan anderen doorgaven. Zij maak ten gedrieën een opzet voor een boek over de knipkunst, maar door het overlijden van Hil Bottema is van een uitgave niets gekomen.

Hil stierf in 1968 en heeft aan To van Waning haar knipwerk nagelaten. To geeft nog steeds veel lezingen en cursussen. Aanvankelijk deed zij dit door het hele land, thans echter hoofdzakelijk in Gelderland, voornamelijk Volksuniversiteit en verenigingen, zoals Plattelandsvrouwen, huisvrouwen, N.C.V.B. en dergelijke. Zij leert de deelnemers de grondprincipes van de kniptechnieken waardoor verschillende effecten ontstaan, waarmee men dan zelf verder kan. To is, evenals Hil Bottema, een voorstandster van het decoratieve symmetrische knippen.. Een specialiteit van haar is het knippen van gelegenheidsprenten voor bv. geboorten en huwelijken, waar allerlei gegevens van de betrokken personen in verwerkt worden De bijgaande illustraties kunnen dit verduidelijken.

De eerste tentoonstelling waar To zelf aan deel nam, was in 1959 in het museum “De Princetuin” in Leeuwarden. Hierna zijn er nog meerdere gevolgd. Leerlingen van To, die inmiddels in de knipwereld ook bekend werden door eigen exposities en dergelijke zijn onder meer Wil Ahlrichs en Loes Ruules uit Utrecht, Gré van der Maas uit Apeldoorn, Miep van Stokkum uit Ruurlo, Nienke Otten en Suus Houtman uit Arnhem en nog vele anderen van de ca. 1100 leerlingen die zij in de loop der jaren heeft mogen lesgeven. To vindt het leuk dat de Vereniging ter bevordering van de Papierknipkunst er komt en de “Knip-pers” verschijnt, waardoor er onderlinge kontakten ontstaan of verstevigd kunnen worden, ook tussen professionals en amateurs, en je op de hoogte gehouden wordt over tentoonstellingen of evenementen in de knipwereld.

Mien Schaminée

  1. Huwelijksknjpse] voor Frans Wackers en Marjan Meyer op 29 september 1972. Zij hadden een botter, de ‘EB 43’. Hij was bij de Paratroepen en is hartspecialist; hun beider hart ging uit naar de bergen (vandaar hart met cardiogram in bergvorm). Ze trouwden in Hoorn, reden beiden paard, enz. (ware grootte 20 cm)

  2. Geboorte] voor de zoon van een fruitkweker. Hun huis heette ‘Het Klokhuis’ en zij hebben bovendien een klok op hun huis. (ware grootte 13 cm)

 

 

 

 

 

3. Verjaarsknipsel voor een kantklosster. (ware grootte 20 cm)

4. Dit geknipt portretje werd gemaakt door Jeanet Speydel Willems en toont To van Waning met haar hondje en haar verzameling: schelpen, stenen, fossielen, hanen, paaseieren en haar favoriete schermbloemen. (ware grootte 7 cm )

Knipsels uit Groningerland, Nieuwsbrief 1997-3

Tentoonstellingen
 In het museum zijn deze zomer twee Groningse exposities te zien.

Tot 15 juni 1997 ‘Knipsels uit Groningerland’ (titel ontleend aan een publicatie van mw E.J. Huizinga-Onnekes in Oud Nederland van 1950), een presentatie van Gronings werk uit eigen museumcollectie. De meeste knipsels zijn bijeengebracht door Lever, maar er zijn ook recente aanwinsten, zoals het knipsel gemaakt voor L. Schotto Rengers, heer van Farmsum, door J. Walrecht in 1764.
Van 8 september tot en met 9 november volgt dan de expositie ‘Uit de koffer van Wiecher Lever’, een tentoonstelling naar aanleiding van zijn tachtigste geboortedag. Uit die koffer komt veel onbekend werk, zoals de verschillende bedrijfsopdrachten en bijzondere familieknipsels.
Het Nederlands Museum van Knipkunst, Schoonhoven.

Knipwerk van Walrecht
Naar aanleiding van de serie artikelen over de Utrechtse knipkunst tentoonstelling van 1946 ontvingen wij van het Zaans Historisch Museum een foto van het knipsel voor Barbertje Taan dat op deze expositie te zien is geweest. Het stuk is gemaakt, zoals in het knipwerk staat, door J. Walrecht te Groningen in 1768. Het bekijken van deze afbeelding maakte ons duidelijk dat wij twee knipsels van dezelfde hand in onze museumverzameling hebben. Allereerst het knipsel gemaakt voor de heer van Farmsum, Lammeraal Schotto Rengers in 1764 dat wij vorig jaar konden aankopen.

Ten tweede een door Wiecher Lever in 1953 vervaardigde kopie van het knipseltje voor Gerrit van Trojen Junior, eveneens uit 1764 [3]. Mogelijk is Walrecht een Gronings knipper geweest en ook omdat het Fries Museum over werk van hem (of haar) zou beschikken willen we graag meer weten over de maker van deze fraaie naamknipsels. Helaas is bij de archieven in Groningen niets over deze knipper bekend.

In Memoriam Freerk v.d. Wal: ’de Printsjeknipper’ Knip-Pers 2014-2

Op 9 februari overleed in Appelscha Freerk van der Wal. Hij was de zoon van Hindrik de printsjeknipper een tijdgenoot van W.Tj. Lever en Hil Bottema. (Zie Knip-Pers maart 1992) Hier in het Noorden, vooral in Friesland was Freerk een bekende knipper die het knippen promootte bij de vrouwenverenigingen of zoals hij zelf zei “frouljusferienings”. Soms wel twee of drie avonden per week. Het liefst vertelde hij zijn verhaal in het  Fries. Hij begon de avond met dia’s en in bloemrijke taal en met veel humor vertelde hij over zijn heit Hindrik, die evenals hij van beroep stratenmaker was en een van de eerste kunstknippers in Friesland. Verder liet hij dia’s zien van antieke en hedendaagse knipkunst, waarna hij een demonstratie gaf van zijn kunnen en tot slot knipte hij op verzoek nog enkele portretjes van de dames. Hierna mochten de dames zelf in actie komen, maar de meesten hadden zoals hij zei “net sa folIe talint”. Hij knipte met een gewone huishoudschaar waar hij de punten extra scherp had geslepen de fijnste knipsels, zo uit de hand. Ook maakte hij veel gelegenheidsknipsels in opdracht. Freerk, ‘de Printsjeknipper’ is 68 jaar geworden.

Door Marietje Jorna-Krol

 

Inventaris in dato 20 February 1796

Inventaris in dato 20 February 1796 voor de inboedel van Hendrik Voerman.

Inventaris van al het geene door Hendrik Voerman in leven Gaarder van den Impost op de Tabak, Groove Waaren, en Gedrukte Papieren alhier, gewoond hebbende op den Eersten van November des Jaars 1795 overleden zijnde, ten huize van Louis Lequesne, op de Prinsengracht, bij de Leidschekruisstraat nagelaten is, welke Inventarisatie is gescheid door mij Anthony Mylius, Notaris en Translateur, behoorlijk aangesteld, geadmitteerd en beedigd te Amsteldam resideerende, ten verzoeken van Hendrik Voerman, woonagtig te Rotterdam en Johannes Ratelband Mitsgaders den Advt Silvester Amilius Verburg, Wonende alhier in Qualiteit als bij appointement van het Committé van Justitie dezer Stad, in dato 24 November 1795 en geregistreerd in het 4e Register van hetzelve Committé folio 144. Gecommitteerd tot Curateuren en Sequesters in den Boedel van wijlen voornoemde Hendrik Voerman, om dezelve te beredden en tot liquiditeit te brengen en deswegens als het nodige te verrigten, en zulks op aanwijzing van genoemde Louis Lequesne en is hetezlve bevonden te bestaan in het volgende, te weten:
Een Mahoniehouten Bureau
Een Tafel Pendule gemaakt door Dutestre a Paris met deszelfs Glaze Stolp;
Henry Quatre en de Coligny van Compositie met een Galze Stolp
Frederik de Tweede te Paard van Compositie met een Glaze Stolp
Het portrait van den overleedenen in Olieverf en in Silhouette
Een gecouleurde Houtten Boeken Kast met twee Gaaze Deuren met diverse Boeken
Een Lavantsche Rok met Pluis
Een Blaauwe Lakensche Jas,
Een Half Lakensche gebandeerde dito
Een Oude Grijze dito,
Een Blaauwe Grijze Overrok
Drie diversche Rokken
Twee Roode Wolle gedrukte Japonnen
Een Chitse dito met een Vestje
twee Cattoenen Vesjes
Twee Zwarte Sattinette Broeken
Een drapde Soye en Zes oude dito diversen
Een Zwart Lakensche Carmesool en twee gecouleurde dito
Twee gebandeerde Fluweele Vesten en Een Zwart Sattyn dito
Twee paar Zilvere Schoen & Twee paar dito Kuit Gespen mitsgaders een dito Strop Gesp
Een paar dito Mouw Knoopjes ieder met een Steentje, drie diversche Ringetjes en Een Pinsbekker Zak Horlogie
Een Blaauwe Lakensche Rok,
Een Zwarte Lakensche dito,
Een Zwart Sattyne Vest
Een dito Gilet
Een gebandeerde vouleurde dito
Een Bruin Lakensch en een Zwart Grijn Carmisool
Een Zijde gevouleurde gebandeerde Gilet
Elf Mans Mutsen diverser
Tien paar Zijde koussen diversch
Negen paar Zayetten dito
Agt paar zo Cattoene als Wolle Koussen
Vier paar Handschoenen diversch
Twaalf boven Hembden
Twaalf Stroppen
Veertien paar Mouwen met Lubben
Vijftien Dassen
Vijf Neteldoeksche Halsdoeken
Twee en Twintig Blaauwe Zakdoeken
Twee Paarsche en Vijf oude dito Diversch
Toen onder Hembden
Zeven Witte Cattoenen Hembdrokken
Een Blaauwe Wolle Damaste
Een Baaye en Een geele Ledere dito
Agttien Servietten
Een Gordel van Rood Vlaggedoek
Zes Paruiken en drie dito Doesen
Twee Hoeden Twee Rottingen
een groene Zijde Paraplue eenige Paaren Schoenen en Twee Paar Pantoffels.
Een Paraquit met twee blikke Kooyen
Vier Comptoir Leesenaars met een Comptoir Balie
Vier dito Bankjes en Stooven
Een IJzere Kaghel en Pijp
Drie Geld Gewichten
Twee Tafeltjes
Een Tafeltje voor Bloemen met diverse Bloem Potjes
Een Carthegiaansche Lamp defect, In Een Vaste Kast
Eenige Boeken en Pacquetten met Papieren mitsgaders Een Deegen met Staal Gevest.
Diversche Boeken Staande op eenige Planken.

Konststukken door den Overleedenen van Papier gemaakt:
Afbeelding van de St. Pieters Kerk te Romen
Idem van de St. Paulus Kerk te London
Idem van het Stadhuis te Amsteldam in zijn geheel, heel uitvoerig met een Papieren Kast.
het zelven in Kleinder formaat op eene Papiere Consolen met Glas overdekt.
Idem van het Gemeene Lands Huis te Rotterdam met een Glaze Kas
Idem van de Nieuwe Hoofd Poort te Rotterdam
Idem van de Beurs te Rotterdam
Idem van de Groote Kerk te Rotterdam
Deze drie in Glaaze Kasten
idem De Lutersche Kerk te Rotterdam met Predikstoel, Kroonen en Banken, etc.
Idem van het Huis van Hoope in den Haarlemmer Hout
Idem van het Stadhuis te Weesp in een Glaze Kas
Een Vesting Werk van Papier in een dito Doos
Afbeelding van een Egyptische Tempel op deszelfs Console met Glas overdekt
Idem van de Graftombe van den Admiraal de Ruiter ut supra
Idem van de Graftombe van Willem den Eersten te Delft ut supra
Idem van de Voorgevel van Felix Meritis ut supra
Zeven Colommen verbeeldende de differente Bouwordens op deszelfs Console met een Glaze Kas
een Monument van Boerhaven
Een dito van Joost van den Vondel
Een Huis van Papier met een beweegend Mannetje aan de Deur,
Een dito verbeeldende Een Hoekhuis met meubilen van Papier van binnen.
de Afbeelding va der Tuin van den Ouden Schouwburg gecouleurd in een Glaze Kast.
Een Moolen Gezigt ut supra
Een gezigt van de Hooge Sluis te Amteldam heel klein ut supra
de afbeelding van den Engelschen Bates met een Paard ut supra
Een Moolen Gezigtje
Twee Braselet Stukjes en
Een dito voor een Ring
de Muiderpoort in het Klein
Twee Kleine Gezigtjes in Papiere Lijstjes
Een Fiool met een Strijkstok en een Dwarsfluit van Papier
Eeen Poort Gezigtje en Vier differente Wapentjes
Twee Geschilderde Wapentjes in Lijstjes
Een Porcelaine Snuifdoos met een Gezigtje van Papier gecouleurd – binnen in het Dekzel
Een Lioneur Keldertje van Papier met Zes Glaze Flesjes en twee kelkjes
Een dito Thee Kistje met drie blikken Doosjes
Een dito Tabak kistje en Een dito Tafel Tabaks Doos
Veertien Papiere Kandelaars en Twee dito Blakertjes
Een Papiere ToverDoos
Vier differende Pleister Beeldjes
en Een dito Groepje in Glaze Stolpen
Zeven Jagtpartijtjes en Vijftien Stuks zo Beeldjes als Beestjes mitgaders een Vaasje van Hout
Zeven Pourtretjes van Gisp en een dito van Lood,
Eenige Differente Prenten in Papiere Lijsten en Sommige met Glas ervoor
de afbeelding van alle de gedeeltens van de St. Pieters Kerk te Romen in Prentwerk en eenige losse Prenten
Een Kist met Papieren Diversche Planken-Kistjes en Kassen tot de Konstsukken behoorende, mitgaders Gereedschappen etc.

Een Recepis uit de Negotie volgens decreet van de Provisioneele Representanten van het Volk van Holland in dato 17 July 1795 ten Comptoire der Stad Amsteldam staande de Naam in Blanco groot Honderd Agttien Guldens in dato 27 Augustus 1795 No 4293
Een dito, groot, Honderd Zestien Guldens in dato 12 October 1795, No 9214
Een Recepis uit de Negotiatie ten behoeven der Stad Amsteldam Ingevolge Publicatie van de Representanten van het Volk van Amsteldam, gearresteerd den 10e en gepubliceerd den 13 julij 1795. Staande aan Toonder groot Vijfen Twintig Guldens in dato 31 Julij 1795. No 1101
Een dito groot Dertig Guldens in dato 16 september 1795 No 5150
Een onderhandsche Quitantie of schuldbekentenis ten lasten van D. Smagge en ten behoeven van den overledenen groot Vijftig Guldens in dato 18 october 1795 om Maandelijks uit deszelfs tractement af te lossen. Vijf Guldens en waar op den 31 October laatsleden bereids Vijf Guldens afgelost is.
Een dito ten laste van de Weduwe W.G. Bouscholten & zoon in dato 17 junij 1791 groot Hondert Vijftig Guldens dog nu Pro Resto groot Agt en Veertig Guldens en Vijftien Stuivers.
Volgens de Reekening Courant van B. van Bemmel Boekhouder van het Comptoir van den bovengemelden Impost in dato 30 November 1795 Competeerd den Boedel van den Overleedenen van het zelve Comptoir de Somme van Twee Honderd Een en Zeventig Guldens Twaalf Stuivers en Twaalf Penningen.
Aan Contanten op het overlijden in diversche  Spetien bevonden de Somma van Twee Honderd Twee en Vijftig Guldens Vijftien Stuivers en Agt Penningen.
De Schulden en Lasten des Boedels mirsgaders de Dood.
Schulden en gegraaffenis kosten worden alhier gebracht…pro memorie Aldus geinventariseerd en bescheeven ter requisitie en invoegen als in den hoofde dezes is gemeld, en verklaarde de Rendante Louis Lequesne ten dien en in de voor mij Notaris-
Compareerende op de hier voorenstaande Inventaris te hebben gebragt en doen Stellen al het geene tot den Boedel van voornoemde Hendrik Voerman eenigszins behoord, voor zo verre hem, bewust is, zonder iets daarvan versweegen ontvreemd ofter kwader trouwe achter gehouden te hebben direct noch indirect belovende indien in het vervolg door hem nog iets mogt woorden ontdekt dat tot den gene Boedel en Nalatenschap behoord, hetgeen hier voren niet is gebragt, zulks insgelijks te zullen op geeven en dezen Inventaris daarmede ten allen tijden te zullen doen beried zijnde de Deugdelijkheid van zijnde gedaane aanwijzing des gerequireerd met Solemneelen Eede te bevestigen.

En is deze Inventarisatie begonnen den Een en twintigsten November des Jaars Zeventien Honderd Vijf en Negentig en voltrokken des Jaars Zeventien Honderd Zes en Negentig binnen Amsteldam, in presentie van Theodorus Jan Brooks en Joseph Osborn als Getuigen.

Bron: Stadsarchief Amsterdam: SAA 5075 inv 15666 akte 86

 

 

 

 

Knipwerk als illustratie II, Nieuwsbrief 1998-2

De tweede boekenpresentatie van dit jaar staat in het teken van het werk van Hans Detlev Voss (1907-1977). Voss illustreerde diverse boeken en brochures met zijn knipwerk, hierover zijn opmerkingen te vinden in het “Grafisch werk van H.D. Voss” van Johan Schwencke (Zaandijk 1951), waarvan nr.30 uit een oplage van 220 zich in onze museumbibliotheek bevindt en in Johan Schwencke’s “Portretten in Silhouetten” (Zaltbommel 1966). Interessant is verder het artikel in het tijdschrift “Vizier” (11 maart 1950) dat door silhouettist Klaas Bakema (1882-1958) aan Wiecher Lever werd toegestuurd. Bakema voorzag dit stuk, dat in deze nieuwsbrief is opgenomen, van niet al te lovende opmerkingen over het werk van Voss, hierover later meer. Schwencke schrijft in 1951 over Voss: “…Hiermede zijn wij tot een andere belangrijke bezigheid van deze kunstenaar genaderd, het knippen van silhouetten. In ruime zin opgevat behoort dit tot het grafisch werk van Voss, weliswaar niet tot dat van een grafische techniek (of toch wél, namelijk die van de schaar?), maar het behoort toch zeker tot de kunst van de lijn, al is deze hier uitsluitend de contour. Hij is met knippen van schaduwbeelden reeds op zijn  tiende jaar begonnen.

Doordat men het maken van zulke figuren en taferelen wel eens spelenderwijs bij Openbare vermakelijkheden kan gadeslaan, zou men geneigd zijn het niet hoog genoeg aan te slaan. Met oefening, handigheid en volharding kunnen velen ongetwijfeld in deze richting iets bereiken. Evenmin als men alleen met die facto ren een waar violist of pianist kan worden, evenmin bereikt men er in de silhouetkunst een waarlijk artistiek peil mede. Het gaat ook hier weer om de vorm. Voss is ontwerper van silhouetten een kunstenaar en hoe kan het anders, wanneer men zijn karakteristieke eigen schappen in aanmerking neemt.

Hij gaat uit van een schetsmatige tekening in spiegelbeeld, die aan de witte achterkant van zwart papier wordt aangebracht. Hij ontgaat daarbij zelfs niet de grootste moeilijkheden, waarvoor hij straks, bij het hanteren van de schaar, zal komen te staan. Wel is hij erop bedacht, dat de prent, eenmaal geknipt zijnde, levendig moet zijn. Wij herkennen daardoor bij figuren de wijze, waarop het haar wordt gedragen, de mode in de kleding en met enige voorkeur toont hij ons mensen uit lang vervlogen tijdperken, met zwierige klederdrachten, hoepelrokken en pruiken.

                                        

(…) Behalve het reeds genoemde “De Muze op Reis” heeft Voss, om nog enkele werken te noemen, voor de Wereldbibliotheek met silhouetten geillustreerd “Michael Kohlhaas” van Heinrich von Kleist en “Maarten Harpertz’ van Potgieter, voor de uitgever Thieme “Geldersch Sagenboek” en “Gijsbrecht van Aemstel” van Vondel voor een Kerstnummer van Panorama. Aan de illustraties van Michael Kohlhaas” is een bijzondere geschiedenis verbonden. De Wereldbibliotheek-Vereniging wenste dit boek als Sinterklaaspremie in 1940 aan haar leden aan te bieden, in een vertaling van Nico van Suchtelen; zij kwam daartoe doordat zij in Oktober 1939 kennis had gekregen van veertig prachtige silhouetten, die door Voss waren geknipt aan de hand van de tekst van dat boek. De vertaling was tijdig gereed. In April 1940 werden de silhouetten voor de tijd van enkele maanden afgestaan voor een tentoonstelling van het werk van H.D. Voss te Rotter dam. Op 14 Mei 1940 gingen zij door het bombarderen van die stad verloren. Reeds enkele weken na die ramp begaf Voss zich naar de uitgever om hem voor te stellen zijn jeugdwerk (hij had de silhouetten reeds vijf jaar geleden gemaakt) opnieuw te knippen. Drie maan den later was het eerbiedwekkend werk, in vele delen zo uiterst fijn, gereed en naar de Wereldbibliotheek getuigde nog “gerijpter” en “in menig détail nog beter dan de verloren silhouetten”. Zijn laatste grote prestatie van deze aard vormt de illustrering van de feestuitgave van “De Witte” door Ernest Claes, ter gelegenheid van diens 65ste verjaardag. Wie de silhouetten van Voss oordeelkundig beschouwt, staat versteld van de kunde en het geduld, waarmee de prenten zijn geknipt. Niet alleen dat een voorstelling tot in rag fijne bijzonderheden tot haar recht komt, niet alleen dat zijn knipwerk technisch schier volmaakt is, hij weet van leven trillende beelden op te roepen. Spelende kinderen, vechtpartijen, brandende huizen, vluchtende honden, veulens, bomen, kantwerk, gezichten die boos kijken door gefronste wenkbrauwen of die lachen door de even geopende mond, ja eigenlijk heeft deze opsomming geen zin, want hij kan alles sprekend ten tonele voeren. Het wonderlijke daarbij is, dat de contour het niet tot uiting gebrachte schijnt op te roepen; men betrapt zich erop de ogen werkelijk te zien, ja het hele gelaat. Menige pentekening geeft minder actie dan deze schaduwbeelden. Deze kunst heeft voor hem bovenal grote aantrekkingskracht door de sterke zwart-wit-werking, een wisselspel, dat eigenlijk alleen in de zelfde sterke mate tot uitdrukking komt in houtsneden als die van een Masereel…“. Overigens vermeldt Schwencke in zijn boek uit 1966 dat Voss door de zwart-wit-werking zijn silhouetten niet geschikt achtte voor het illustreren van kinderboeken. Kinderen zouden liever kleur en detail, en niet het beknopte zwart-wit, zien. Schwencke beoordeelt het werk van Voss in zijn publicaties onverdeeld gunstig, knipper Klaas Bakema heeft er echter weinig goede woorden voor over. Ten dele komt dat waarschijnlijk omdat Voss niet reageerde op een poging van Bakema om, naar aanleiding van het Vizier-artikel, met een, in zijn ogen collega-silhouettist, in contact te komen. Gegevens hierover zijn te vinden in de brieven van Bakema aan Le ver uit de jaren 1950-1952, die zich in ons Leverarchief bevinden. Niettemin zijn er bij het werk van Voss wel kanttekeningen te plaat sen. Door de, zoals Schwencke het schrijft technische volmaaktheid van het werk, zijn de knipsels vaak levenloos, ondanks bv. de beweging die erin wordt gesuggereerd. De kantigheid en hardheid van de figuren werkt daar ook sterk aan mee. Er is daarom vaak juist helemaal geen sprake van “van leven trillende beelden”, maar eer der van technisch knap uitgewerkte kijkplaatjes, waarbij emoties en handelingen veelal worden getoond aan de hand van te dik aangezette gebaren. Dit valt vooral op bij het zien van meerdere afbeeldingen achtereen. Ronduit storend zijn vaak de halfopen monden van vele figuren, vooral bij de geknipte portretten (bv. de familie Westermann) geeft dit een merkwaardig onnatuurlijke indruk, het laatste dat men met een profielportret probeert te bereiken.

Hans Voss werd in 1907 te Sleeswijk (Dld.) geboren. In 1928 trad hij in dienst van de Rotterdamse uitgeversfirma Nijgh en Van Ditmar, sinds 1939 was hij werkzaam als Vrij kunstenaar. In de jaren vijftig emigreerde Voss naar Canada, waar hij in 1977 overleed.

De knipsels van Voss en zijn verzameling devotieprentjes zijn gelukkig bewaard en bijeen gebleven. Zij bevinden zich bij een vriend en verzamelaar te Bussum.

Artikel door Henk van Ark, verschenen bij de tentoonstelling in het Museum van Knipkunst in Schoonhoven van 14  juli t/m 30 augustus 1998.

Gysbreght van Aemstel, Knip-Pers 1997-4

Verlucht met silhouetten, geknipt door H.D.Voss

Op tweede Kerstdag 1637 zou te Amsterdam de nieuwe schouwburg geopend worden. Joost van den Vondel was uitgenodigd voor de plechtige inwijding een gelegenheidsspel te schrijven. Hij koos zijn stof uit de geschiedenis van de stad. Is het een wonder dat hij tegelijk ook aan de sfeer en de geest van het Kerstfeest een ruime plaats wilde verlenen?
De dichter heeft de verovering van Amsterdam op Kerstmis laten plaatsvinden. Daardoor heeft hij het accent even zwaar op de ‘benaeude veste’ als op de nacht ‘schoner dan de dagen’ gelegd.
Vondel’s Gysbreght van Aemstel, al meer dan drie eeuwen rond Kerstmis en Nieuwjaar in de schouwburg van onze hoofdstad ten tonele gebracht, is een Amsterdams spel bij uitstek en tevens een Kerstspel bij uitnemendheid geworden. De moeite waard hier eens aandacht te vragen voor enige geknipte taferelen uit Vondel’s drama. Voor degenen, die de illustraties en citaten in hun verband willen zien en lezen, wijzen de getallen onder de aanhalingen aan, welke verzen uit het treurspel door de silhouettist werden gekozen.

Gysbreght
Het hemelsche gerecht heeft zich ten langen leste
ontferremt over my, en mijn benaeude veste,
Is arme burgery; en, op mijn voix gebedt
En dagelijx geschrey, de bange stad ontzet.

De vyant, zonder dat wy uitkomst durfden hoopen,
Is, zonder slagh of stoot, van zelf het velt verloopen.
Mijn broeder jaeght hem na, zy neemen vast de wijck.
En vlughten haestigh langs den Haerelernmer dijck.(1-8)

Willebord (tot de vijandelijke hoofdlieden)
De tweedraght is een pest. die allen staet te schroomen.
Gedenckt dat u de stadt, die ‘t rieckt, op ‘t lijf zal koomen.
Wat middel is ‘er, om den Aemstel ‘t hooft te bien,
Nu elck, wantrouwigh, d’een naer d’ander om moet zien?
Gy zijt, eer’ iemant gist, geslagen of gevangen.
Wanneer de herder dwaelt, wat padt, wat rechte gangen
Kan d’arme kudde gaen? Dus maeckt een kort besluit;
Verdraegh het scheel, of schort den krijgh, en seheit’er uit.(265-272)

Willebord
lek merckte dat mijn raet niet weinigh hier vermoght.
Men nam mijn woorden in, zij kregen achterdocht. (275-276)

Gysbrecht
Gy hebt de stadt, en my geen’ kleinen dienst gedaan;
Een deught, die nimmer zal uit mijn gedachten gaen.
Gedenck my in ‘t gebedt voor uw altaer ten goede.

Willebord
De lieve Jesus neeme u eeuwigh in zijn hoede. (283-286)

Gysbreght
Wat vogel brengtge dus geknevelt, en gevleugelt?

Arent
Het is een uit de vlught van ‘t vlughtige geveugelt,
Gegrepen buiten dijx; daer stack hy in het slick.
Hoe heeft hy! ‘t aengezicht ziet doots en bleeck van schrick. (299-302)

Vosmeer
Gy ziet, hoe daer een schip het zeepaert leght vol rijs,
Het welck men door de vlught verzuimt heeft en vergeeten. (378-379)

Gysbreght
‘k Ontfang u in mijn’ dienst, en zal u wel betitelen.
Ga, help terstont het rijs en ‘t zeepaert binnen haelen. (407-408)

Vosmeer (tot Egmont)
De burgery heeft zelf het zeepaert ingehaelt,
Met zongen en triomf, als die van Troje deden.
lek stuurde en bid het roer: maer ‘t oorloghsvolk, beneden
In ‘t schip, liep groot gevaer, de bodem slorpte t nat,
Door ‘t stooten van een’ paal, waer door een yeder zat
In ‘t water tot de knie, en vreesde te versticken.

Het ongemack was groot, noch durfde niemant kicken:
Doch ‘t leek geraeckte dicht, en stopte wonderbaer
Van zelf: toen broght de hoest ons weder in gevaer;
Vermits men ‘t schor geluit bescheidelijck kon boren.
Hadt Godt niet zelf verdooft des Arnsterdammers ooren,
Wy waren van ons stem en eige keel verraên. (618-629)

Peter
De vyant is in stadt.
Het is met Amsterdam en zijne hooge wallen
Gedaen: zy is de wraeck in ‘t ent te buit gevallen.
De gruwelijcke reus heeft eene poort vermant.
Het zeepaert lost zijn vracht, en Vosmeer sticht den brant,
In ‘t barnen van ‘t gevecht, met schimpen en braveeren.

De wachters vechten flaeu, en zien hen niet te keeren
Het leger treckt vast in met duizenden, een maght
Zoo groot als Waterlant noch oit te velde braght,
En Kennemer, en Vries, en Zeen en Hollant t’zaemen,
Met allen die, op ons gebeten, herwaert quamen,
De Kerstnacht heeft gedient tot dit verraeders werck. (832-843)

Gozewijn
Wy bidden u, sta op, gy doet ons ongelijck,
Dat gy ter aerde knielt voor sterfelijcke mnenschen.
Hoe zou ick schooner doot na’et lange leven wenschen,
Dan hier voor martelaer, op deze heilge steê,
Te offeren mijn bloot, in t vierighst van mijn beê,
Op ‘t allerhooghste feest van Godts geboortenisse! (1058-1063)

Arent
Dies Gysbreght liet gebiên, men zou in vaerdigheit
De bruggen, daer de stadt zich recht in ‘t midden scheit,
Verbranden, en vooral den Middeldam bezetten;
Om ‘s vyants overkomst, waer ‘t mooghtijck, te beletten,
En dat men d’oude zy moght vrijen voor gevaer,
Schoon of het krijgsvolck van de nieuwe meester waer. (1097-1102)

Arent
De kaerssen op ’t altaer
Zijn zommigen gebluscht, en zommigen die blaecken.
De kerreckschenners woên, en passen wat te raecken,
En vechten om den buit, en plondren ‘t al, oock zelf
Het Marianum, dat te proack hing aen ‘t gewelf,
Wort afgeruckt, men zet in ‘t glibbrigh bloet zijn stappen.
Men torst’er keicken uit, kassuiffelen, en kappen.
Die stijlstaen van gesteente, en parlen en root goot,
Om ‘t heerelijckst, als ‘t plagh, wanneer men hooghtijt houdt,
En koor-en outerkleên de Kerstnacht lagh in stucken. (1166-1175)

Gysbreght
Men voert den stormbock aen: men gaet de ladders rechten,
En klimt, met d’eene hant ten gevel uitgesstreckt,
In d’ander met den schilt, die hals en hooft bedeckt
Voor eene hagelhuy van steenen, hout en pijlen. (1318-1321)

Wy stelden flux in ‘t werek de dissels, en de bijlen,
En hieuwen In het ront in stucken alle stijlen,
En stieten spits en al ‘t gevaert van boven al;
Het welck een’ slagh en roock de merreckt over gaf,
En maeckte een vreeslijck toch in zoo veel ysre koppen. (1345-1349)

Gysbreght
Daer klom ick op een’ boom, nu dor en zonder lover,
En luisterde hoe ‘t met Godts klooster voort verging.
My docht dat ick ‘t misbaer met bey mijn ooren ving,
En zagh, toen ick een poos verbaest had zitten proncken,

Een’ dicken roock en smoock, en na den roock de voncken.
Ick hoorde paerdevolck, dat langs de Doelebrugh
Quam trapp naer ons toe, mijn voeten werden vlugh,
Men had, ó groot verzuim, dees brugh niet afgesmeeten. (1374-1381)

Vooren
Myn heer, uw ongeluck is ons van harte leet.
Wy staen voor deze graft tot storremen gereet.
‘T Waer tijt en meer dan tijt, dat gy u kort beraede,
En gaeft het huis voort op, met hope van genade,
En schutte d’ongena, ick eisch ‘tin ‘s granen naem,
Door veltheer Egmonts last.

Gysbreght
Gy eischt dat ick ‘t my schaem.
lek schey ‘er zs niet af, als met mijn eigen leven,
En eer ick sterref zal noch menigh met my sneven. (1551-1558)

Peter
Een vrouw gedijt tot last: zy weet niet uit te rechten.
Badeloch
Bestel me slechts een zwaert, ick ben bereit te vechten,
Te sterven aen de zy van mijnen vromen man.

Gysbreght
Gy hebt een vrouwenhart.

Badeloch
Neem eens de proef daer van
Heldinnen stonden eer als onbeweeghde posten.
De faem van vrouwen roemt, die stadt en volck verlosten. (1721-1726)

Rafaël
0 Gysbreght, zet getroost uw schouders onder ’t kruis
U opgeleit van Godt, ‘t is al vergeefs dit huis
Verdaedight: hadden wy ‘t in ons behoed genomen,
Het waer met Amsterdam zoo verre noit gekomen:
Dus wederstreef niet meer uw trouwe gemaelin
Verlaet nw wettigh erf, en quel u nergens in.
Al leght de stadt verwoest, en wil daer niet van yzen:
zy zal met grooter glans uit asch en stof verrijzen:
Want d’opperste beleit zijn zaecken wonderbaer. (1823-1831)

Uit: ‘Libelle Kerstboek’, jaartal onbekend. Het Museum van Knipkunst in Westerbork ontving dit tijdschrift van mevrouw J. Nijlunsing in Westerbork.

Reacties van museumbezoekers, 1, Nieuwsbrief 2000-3

De heer Metselaar bracht voor ons een foto van een knipsel uit familiebezit mee. Het is een kunstwerkje van klein formaat (ca. 20 x 15 cm) met vele, meestal Bijbelse voorstellingen. Het verhaal gaat dat dit knipsel moet zijn gemaakt door voorouder Neeltje Verboom (Zevenhuizen 1768-Zevenhuizen 1828) en inderdaad zien we in het knipsel de initialen NVB en de datering anno 1779. Neeltje was toen dus 10 of 11 jaar en als knipster er vroeg bij. Het is natuurlijk ook mogelijk dat het knipwerk niet is gemaakt door, maar voor Neeltje. Hoe dan ook, vergelijkbaar werk kennen wij niet, mogelijk komt de wijze van uitbeelden een of meer van onze lezers bekend voor. Reacties graag naar het adres van de nieuwsbriefredactie.

Door Henk van Ark.

Noord Hollands knipwerk in België. Knip-Pers 1990-1

De hier getoonde knipsels bevinden zich in een particuliere collectie in België. Door middel van een legaat zullen de knipsels te zijner tijd naar het Westfries Museum komen. De vier knipsels werden uit verschillende soorten sitspapier gemaakt door Aafje Vennik. Zij is geboren 26 maart 1870 te Limmen (N.H.), gehuwd 27 mei 1894 met Comelis Verweel Vooren en overleden 18 oktober 1951 te Beverwijk.
Haar knipsels vertonen grote overeenkomst met Westfriese knipsels van rond de eeuwwisseling.

Door Tonny Jurriaans, Westfries Museum

In Memoriam Jo van Velsen, KP 2007-4

Jo van VeIsen (1914 -2007)

Jo is met scharen opgegroeid, door het naaiatelier van moeder, de kapperszaak van vader. Zij heeft zichzelf het knippen aangeleerd. Zelf zei Jo: ‘ik schilder ook met veel plezier, maar het knippen vind ik enig om te doen’. Onderwerpen van haar knipsels waren, kleedjes, hartenbrieven, vogels, vlinders en bloemen. De natuur was haar liefde. Jo kwam in 1982 andere knippers op het spoor en exposeerde met 30 van hen in het Spant in Bussum. Ze werd meteen lid van de Vereniging die in 1983 is opgericht. Jo was toen 68 jaar. Zij heeft veel demonstraties en lezingen gegeven over papierknippen en met haar enthousiasme was ze een goede ambassadeur voor de Vereniging. In 1994 kreeg Jo het uitroepteken van de Vereniging.

Open deur, Knip-Pers 1994-3

Een daagse wandeling met de trouwe hond jn een planten- en bloemrijke. omgeving, met op de achtergrond de met kloosterstenen en siermetselwerk gebouwde kerk in Ten Boer. Afm. 32 x 41 cm.

Met een blik op de spiegel van het verleden zien we heel veel fraaie knipsels verschijnen, die herinneringen oproepen aan een. lang vervlogen tijd. De ‘goede oude tijd’ zoals wij die nu vaak prijzen. Maar toen en nu zijn niet meer met elkaar te vergelijken. Door de vele hulp- en gemakmiddelen is er veel tijd vrij gekomen, die onder meer ook aan het papierknippen kan worden besteed. Weliswaar niet meer onder het gouden schijnsel van de petroleumlamp. Maar, niet minder gezellig, is het papierknippen nu toch weer door de Knipkringen in de huiskamers teruggekeerd, gezien de grote aantallen afbeeldingen die we elk kwartaal in de Knip-Pers zien.

Aan de Stadsweg in Ten Boer grenst aan de met bloemen versierde tuin van mevrouw Kazemier-de Haan een weiland met enige Shetland pony’s. Afm. 43 x 31 cm

En ook nu weer zijn er knippers, die zelfs beweren een gevoel van rozijnenbrood-zonder-rozijnen te moeten onderdrukken als er geen schaartje in de buurt is! Jaren geleden werd mij tijdens een bezoek aan het knipselmuseum in Westerbork door de geroutineerde knipper Wiecher Tjeert Lever aangeraden zo’n schaartje letterlijk en figuurlijk goed in de gaten te houden.
Als sluimerende knipper, aarzelend op gang gekomen, was ik later eens met zo’n schaartje bezig maar had er even veel verstand van als een koe van eieren leggen. Na enige tevergeefse pogingen belandde mijn knipwerk dan ook prompt in de prullenmand. Ik ben het met van Gogh eens dat het gelukken het eindresultaat van een hele reeks mislukkingen is, dat is met alles zo. Telkens als ik het schaartje in het zwarte papier wilde zetten, hapte ik als een gestrande potvis naar lucht. Maar uiteindelijk bereikte ik een verrassend goed eindresultaat en met veel uithoudingsvermogen en geduld slaagde ik erin een eigen stijl te ontwikkelen, die herkenbaar is.
Ik hoop hiermee een deur te hebben geopend, die uitzicht biedt op de mogelijkheden van een hobby. En dat het eigen maken van deze bezigheid als vrijetijdsbesteding tot succes zal leiden. Na de spiegels, in het verleden ook op Nieuweschans, kijk ik nu door de ‘geknipte’ vitrages op Ten Boer. Kijk maar mee!

Door N.G. Terpstra, De Ten Boerster Knipper.