Categoriearchief: pubilcatie

Over de papierknippers Cokart en Roemelé, Nieuwsbrief 2002-1

In de vorige nieuwsbrief (2001-4) hebben we werk laten zien van de ons onbekende papierknipper J.Cokart. Het ging om een spreukenknipsel uit 1786 en twee bavelaartjes uit 1796. Een korte zoektocht bracht ons in contact met mevrouw A. Cokart, die ons doorverwees naar haar broer, de heer H. Cokart. Hij beschikte over een gepubliceerde genealogie van het geslacht Cokart, van de hand van de genealogen Wijnman en Kits Nieuwenkamp, en verstrekte ons naam en adres van een familielid dat bijzonder in familieonderzoek geïnteresseerd zou zijn. Deze heer R. Cokart stuurde ons een volledig bijgewerkte genealogie Cokart waarin we verschillende Cokart’s met de voorletter J. vonden.

Vaak ging het daarbij om vroeg overleden kinderen, maar we troffen ook twee Cokart’s aan, die mogelijk de papierkunstenaar zouden kunnen zijn. Janneije Cokart (1737-1807) uit Amsterdam was getrouwd met de zilversmid Joost Meyer. Haar broer Jan (1739- na 3 aug. 1810) was, net als vader en grootvader “yvooren kammenmaker” van beroep en was getrouwd met de dochter van de glazenmaker Petronella Scholten. Van deze Amsterdammers is dus duidelijk dat zij zich bevonden in een ambachtelijk/kunstzinnige omgeving, maar van beiden is tot nu toe geen vermelding als papierknipper/-ster bekend. Dat bewijs moet dus nog worden gevonden en in dit opzicht is het Cokart-verhaal vergelijkbaar met dat van H.van Battum (zie nieuwsbrief 2001-2).
Met Cokart zijn we ons gaan bezighouden naar aanleiding van vragen van de heer Nystad en de heer en mevrouw Meijer.

Van de heer Havelaar van het Museum voor Communicatie in Den Haag ontvingen we een verzoek om informatie over de papierknipper W.P.A. Roemelé (1791-1833). Na toesturing van enige gegevens over deze knipper uit Paterswolde zond hij ons een mooie uitdraai van de website van februari 2002 van zijn museum.

Het knipsel van Roemelé wordt daarop uitvoerig besproken in de rubriek “Object van de maand” onder de titel “Bruilofstfeest in knipselkunst”. Het gaat om een stuk van groot formaat (ca. 80 x 100 cm) dat is gemaakt ter gelegenheid van het 20-jarig huwelijk van Benjamin Donker Curtius (1790-1863) en Christophora Josina van Harn (1790-1845) op 14juni 1829.

Donker Curtius was onder meer inspecteur-generaal van de Dienst der Posterijen en vanaf 1822 directeur van het Postkantoor in Amsterdam. Over het knipwerk vermeldt de tekst van de website: “…Centraal in het grote knipsel, dat in totaal zo’n 80 bij 100 cm meet, is een soort altaar geplaatst waarop een tekst met onder meer de namen van beide partners is gekalligrafeerd. In de tekst wordt het een “echtaltaar” genoemd. De letters zijn overigens allemaal uit papier geknipt en daarna opgeplakt op de blauwe ondergrond. (dus geen kalligrafie maar knipwerk, red.) De tekst luidt: “Uit byzondere hoogachting opgedragen aan den hoogedele geboren heer, Benjamin, Donker, Curtius. Directeur der Kon: Nedl: Posterijen der stad Amsterdam. enz: enz: enz: en deszelfs hoogedele geboren echtgenote mevrouwe, Christophora, Josina, van Harn. Door H: Hooged.geb: dienaar. steeds gehoorzame W.P.A. Roemelé” en “Gods zegen ruste steeds op ‘t heilzaam trouwverbond Van dit gelukkig paar. Een stoet van hemellingen ziet men met Mirth en Palm, het echtpaar omringen; Terwijl hun juichend lied toekomstig heil verkond. Lang moge ‘t achtbre Paar, hier keur van bloemen plukken. En ‘t Elf-tal lieflyk kroost hun deugdzaam voetspoor drukken. Dees’ Eerzuil zy gewyd aan DONKER’s rijk geslacht, Welk deugd, in d’ eeuwigheid, een’ schooneren tempel wacht”.

Aan beide zijden van dit tekstpaneel is een pilaster geplaatst. Deze zijn opgebouwd uit diverse lagen papier en krijgen daardoor ook enige ruimtelijkheid. Boven het altaar een decoratief stuk met aan de uiteinden ranken en bovenin een portret van het laatstgeboren kind van Donker. In het midden een Latijnse tekst, die vrij vertaald luidt: “zij worden beloond, die zich welwillend jegens ons hebben getoond”. Vlak boven het altaar een fraai soort “bovenschoorsteenstuk” met putti (kleine engeltjes) waarin de kunstenaar zich bijzonder heeft kunnen uitleven. Op de blauwe cartouche staat dan ook vermeld “schaarkunst”. Aan zowel de linker- als de rechterrand is een guirlande met portretten te zien.

Linksboven is Donker zelf geportretteerd. Onder hen de kinderen. Ze hadden er elf in totaal. Boven zijn nog wolken geknipt in reliëf en de familiewapens, die worden gedragen door putti. Het kunstwerk werd vervaardigd door W.P.A. Roemelé (1791-1833), een toen bekende papierknipper, die dit in opdracht van het personeel heeft vervaardigd…”.

Na restauratie door Art Conservation uit Vlaardingen kon het knipsel definitief in de collectie van het Museum voor Communicatie worden opgenomen. Een schitterende aanwinst.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 2002-1, een uitgave van het museum van Knipkunst en Stichting W.Tj. Lever.

Gerrit Konsé, een onbekende silhouetteur, Knip-Pers 1992-1

Tijdens een onderzoekje naar silhouetknipsels en de achtergronden daarvan in Noord-Holland, werden enige advertenties uit de Hoornsche Courant 1800-1805 gevonden, waarin:

“G Konsé Stempelsnyder aan ts Lands Munt te Hoorn, heeft vervaardigt en is by hem te bekomen het Extra Welgelykend pourtrait van den Wel Eerw: en zeer Geleerde Heer C v d Leeuw, gelieft leeraar by de Hervormde Gemeente te Hoorn, beroepen by de Gemeente Utrecht, konstig in wit papier uitgedreven.
De prys is in een fraai vergulde lystje 2 Guldens.’

In andere advertenties biedt G. Konsé nog twee van dergelijke portretjes aan. In de collectie van het Westfries Museum bevinden zich twee in wit papier gedreven silhouet portretjes in vergulde lijstjes, waarbij op de achterzijde ge schreven staat:
“Wel eerw Heer v d Leeuw” en “Wel Eerw Heer Van Kersten”.

Beide portretjes komen uit een Hoornse verzameling en zijn gedateerd rond 1800. De maker was niet bekend.
Gezien de manier waarop deze twee portretjes “konstig in Wit papier uitgedreven” zijn en het feit dat de naam van n van de afgebeelde personen dezelfde is als de door Konsé in zijn advertentie genoemde naam, wordt het erg aannemelijk dat Gerrit Konsé de maker van deze twee silhouetportretjes is geweest.

Gerrit Konsé,  zoon van de Amsterdamse goudsmid Joh. Christiaan Konsé werd geboren in 1751 te Amsterdam en is aldaar in 1826 overleden. Op 18 september 1775 werd “Gerrit Konsé Amstelodamensis (Amsterdammer) Pictars” (schilder, tekenaar) ingeschreven als student aan de universiteit te Leiden. Hij woonde toen “op den N. Rhyn by de Torenstraat”. De beroepen die hij nadien heeft uitgeoefend waren graveur, tekenaar van portretten, uitgever en metaalsnijder. In 1791 werd hij aangesteld als stempelsnijder “tot West-Vrieslands Munt” en werkte in 1795 te Enkhuizen. Zij jaarwedde was f. 700.-, wat voor die periode een goed jaarinkomen was. Rond 1800 verblijft hij in Hoorn. De hieronder genoemde munt [moet nog uitgezocht worden, red.] is door hem gesneden en werd in 1797 door de Westfriese Munt geslagen. (Collectie Westfries Museum.) Door zijn beroep van stempelsnijder was Gerrit Konsé kundig in het snijden van mallen en stempels (in spiegelbeeld) en zal hij voor het vervaardigen van zijn silhouetportretjes eenzelfde methode hebben toegepast. Het papier dat hij gebruikte is van een dikke kwaliteit.
Het graveren en etsel zat de familie Konsé in het bloed. Zo was broer Carel Fredrik wapengraveerder en stempelsnijder en bekwaamde zus Margaretha zich in het etsen.

Met dank aan Koninklijk Munt- en Penningenkabinet, Leiden.

DoorTonny Jurriaans, Westfries Museum
Dit artikel verscheen eerder in de Knip-Pers 1992-1

Reacties en vragen van museumbezoekers, Nieuwsbrief 2001-4

De laatste tijd wordt het museum regelmatig benaderd met vragen over vooral oude knipsels. Zo belde de heer Nystad ons enige maanden geleden of wij iets wisten over knipper J. Cokart. In zijn bezit was namelijk een knipsel van deze kunstenaar uit 1786 met een mooie tekst (“Wijsheid is beter dan robijnen;/Spreuke 8 Vs 11.”).

J. Cokart, 30,8 x 47,2 cm, part. collectie

Helaas, een knipper Cokart kenden wij niet en omdat de heer Nystad zelf ook al geprobeerd had gegevens over hem te achterhalen besloten we voorlopig hier niet verder aan te gaan werken. Echter, niet lang erna meldden zich de heer en mevrouw Meijer met een vraag over Cokart. Zij hadden twee bavelaars van deze knipper uit familiebezit, gesigneerd en gedateerd 1796.

J. Cokart, 24,5 bij 18,5 cm, part. collectie

J. Cokart, 24,5 bij 18,5 cm, part. collectie

Het knipsel van de heer Nystad heeft als afmetingen 30,8 x 47,2 cm en de twee kijkkastjes zijn 24,5 bij 18,5 cm met een diepte van 10 cm. We kennen nu dus werk van een knipper die zowel knipsels “in ‘t plat” en “in ‘t verheve” maakte. Het zal ons benieuwen of nog meer gegevens of werk van deze intrigerende papierkunstenaar zullen opduiken. Zegt u de naam Cokart wat, laat dat ons alstublieft weten.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 2001-4, een uitgave van het museum van Knipkunst en Stichting W.Tj. Lever.

Geknipt voor Schoonhoven, Nieuwsbrief 2001-4

Op verzoek van het organiserende comité hebben we dit jaar voor het eerst deelgenomen aan de Nationale Zilverdag, die traditie getrouw in Schoonhoven op 2e Pinksterdag wordt gehouden. We lieten in de museumetalage een kleine presentatie van twee knipsels zien die waren gemaakt voor inwoners van Schoonhoven. Deze stukken werden aangevuld met enige documentatie die is bijeengebracht door museummedewerkster Wil Stennekes en René Kappers, voorzitter van de stichting Nationale Zilverdag en enthousiast onderzoeker op zilverkunst gebied.

H.J. de Jongh

Het eerste knipsel is een gedenkstuk gemaakt ter herinnering aan de zilversmid Dirk Hendrik Greup (1803- 1883).

Dit erg fraaie knipsel bevindt zich in het Streekarchief Krimpenerwaard in Schoonhoven en het is vervaardigd door de Haarlemse papierknipper H.J. de Jongh, van wie nog enig ander werk (afb 3 en 4) bekend is. Zijn vader was Thomas de Jongh (1818-1881), eveneens knipper. Bij dit knipsel hoorde een pendantstuk dat werd gemaakt voor Greups vrouw Maria Lazonder die eveneens in 1883 is overleden. Dat knipsel is omstreeks 1985 geveild en de verblijfplaats is helaas niet bekend. We weten dat Dirk Greup in 1863 op Haven A319 in Schoonhoven woonde, dat is aan de oostzijde. Hij was medeoprichter en bestuurslid van de “Nijverheidsvereeniging van Goud- en Zilversmeden in Schoonhoven”, diaken van de Nederlands Hervormde Kerk en bestuurslid van verschillende liefdadigheidsverenigingen in de stad.

anoniem

Het tweede knipsel is een dubbelportret en profil van broer en zus Hein (1888-1959) en Gerrarda Verroen (1887-1973).

Het is in 1931 te Parijs geknipt door Paul Krüger, een uit Wenen afkomstige silhouettist die in diverse landen werkzaam is geweest. Hein Verroen was zilversmid en graveur en woonde met zijn zus aan de Oude Haven nr. 8   Aan de achterzijde van dit mooie pand is nog steeds de vroeg 19de eeuwse zilversmidswerkplaats met oven aanwezig. Hij was medeoprichter van de R.K. Toneelvereniging “De Zonnebloem”, waarvan ook Gerrarda deel uit maakte.

Toneelvereniging Schoonhoven

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 2001-4, een uitgave van het museum van Knipkunst en Stichting W.Tj. Lever.

Twee “nieuwe” werken van Jan Cornelisz. Den Bl(e)ijker, Knip-Pers 1991-3

“Amor Vincit Omnia”, 1748. Liefde overwint alles.

Een huwelijksknipsel dat in vergelijk met latere werken van Jan Cornelis den Blijker vrij eenvoudig van indeling is en zonder de voor zijn werken zo kenmerkende bijbelse voorstellingen. Als teken van verbondenheid heeft hij in het medaillon boven de initialen KK en LV nog eens samengevoegd en in het medaillon beneden gekroonde ineengeslagen handen geknipt.

Het andere werk heeft hij 29 jaar later gemaakt, toen hij 70 jaar oud was. Het heeft de bekende bijbelse taferelen. De twee nieuw testamentische afbeeldingen in de medaillons boven vertellen het verhaal van de Apokalyps (12:1-3 en 12:13) en in een zevende deel van het medaillon onder de boog schreef hij het Onze Vader. Met potlood en Oost-Indische inkt tekende hij zijn knipwerken in, waardoor een reliëf-effect ontstond. De doopsgezinde predikant Jan den Blijker maakte zijn knipwerken in opdracht. Zijn tractement dat hij in Alkmaar ontving -hij werd in 1747 aldaar benoemd- was niet toereikend om in het onderhoud van zijn gezin te kunnen voorzien. Hij was niet de enige predikant met financiële problemen. Reeds in 1658 werd te Dordrecht een werkje uitgegeven met de titel “Bewys dat het een predicant met zyn huysvrouw Alleen niet mogelijck en is op vijfhondert guld. Eerlijck te leven”.

Werken van Jan Cornelisz. de Bleijker bevinden zich onder andere in de collecties van het knipselmuseum te Westerbork, het Frans Halsmuseum te Haarlem en in het Westfries Museum te Hoorn.

Onderschriften bij de afbeeldingen:
Amor Vincit Omnia 1748, Huwelijksknipsel Jan Corns. den Blijker. Afm. 17.6 x 26 cm
Collectie Westfries Museum

Knipsel, 1777. 14 aug. Jan de Bleijker. Menn. Leer in Alkmaar, oud omtr. 70 jr. Afm. 18 x 25 cm.
Collectie M. Douma Amsterdam.

Door Tonny Jurriaans
Dit artikel verscheen eerder in Knip-Pers 1991-3

Een 17de eeuws ruiterportret, Knip-Pers 1991-3

anoniem

Zijn ruiterportretten in de schilderkunst vanaf de 16e eeuw een veel voorkomende manier van portretteren, in de knipkunst zijn dergelijke portretten vrij zeldzaam. Jammer dan ook dat we van dit 17de eeuwse, in velijn gesneden ruiterportret de geportretteerde niet hebben kunnen achterhalen en ook de maker niet bekend is. De manier waarop het gesneden is doet sterk denken aan het werk van Frederik Hendrik van Voorst, maar volgens kenners heeft hij dit werk niet gemaakt.
Wat geldt voor ruiterportretten in de schilderkunst zal ongetwijfeld ook van toepassing zijn op dit snijwerk. In het begin kunnen we dergelijke portretten zien als statieportretten van regerende vorsten of andere hooggeplaatste personen. Veelal hadden deze portretten een militair karakter en dragen de afgebeelde personen een wapenuitrusting. Soms zijn het herinneringen aan een bepaalde gebeurtenis, een overwinning, al of niet voorzien van allegorische elementen.
In de loop van de 17de eeuw en vooral in de 18de eeuw krijgen de ruiterportretten een ander karakter. Ze geven bijvoorbeeld de geportretteerde weer tijdens de jacht. De portretten krijgen hierdoor een wat minder officieel karakter.
Maar bij alle ruiterportretten en vooral die waarop de ruiter in het zadel zit, speelt het paard een statusverhogende rol. Het feit dat persoon hooggezeten is verhoogt zijn waardigheid.
Verder was het zo dat in de 16de en 17de eeuw het beoefenen van de rijkunst op een aristocratische opvoeding duidde en verwees het ruiterportret als het ware naar een de geboorte en de educatie i de geportretteerde. Aan eind van de 18de eeuw neemt het statuselement van de ruiterportretten af, doordat paardrijden bij een bredere laag van de bevolking populair wordt. In dit anonieme 17de eeuwse snijwerk zijn alle kenmerken het statusverhogende element aanwezig. Tevens heeft de maker in de guirlanderand, verschillende symbolen verwerkt, zoals de ‘wildemannen’ het symbool van de wijnkopers uit die tijd en putti met harnas en helm, een militair symbool.

Afm. 22.5 x 18 cm. Het werk bevindt zich in een particuliere collectie.

Door Tonny Jurriaans
Dit artikel verscheen eerder in Knip-Pers 1991-3

Huizenga-Onnekes over knipsels en Jan de Bleyker, Nieuwsbrief 2001-2 en 3

In september 2001 worden de resultaten van het De Bleyker Onderzoek, uitgevoerd door Atty Broer, in het museum gepresenteerd. Er zal een kleine tentoonstelling van het werk van de Alkmaarse knipper te zien zijn, in de nieuwsbrief verschijnt een artikel over het verloop van het onderzoek en er verschijnt een brochure over leven en werk van Jan de Bleyker (1707-1783). Uitgangspunten voor het onderzoek waren het knipsel uit 1777 (vergezicht met tuinarchitectuur) in onze collectie en het artikel van E. Huizenga-Onnekes over De Bleyker in het tijdschrift “De Speelwagen” van 1953. Deze Groningse “folkloriste” schreef al eerder artikelen over knipkunst en stelde zelfs een, niet uitgegeven, manuscript onder de titel “Juweeltjes van Knipkunst” samen. In deze en de komende nieuwsbrief schrijven we over Line Huizenga en haar belangstelling voor papierknipkunst.
Eilina Johanna Huizenga-Onnekes (Vierhuizen 1883-Groningen 1958) was de dochter van Klaas Onnekes en Dievertje Brongers. Vader was Hervormd predikant in Vierhuizen-Zoutkamp, om die reden werd Line altijd “Dominees Lientje” genoemd. In 1909 trouwde zij met landbouwer Jan Hendrik Huizenga uit Ten Boer. De “weem” (pastorie) van Vierhuizen en boerderij “ ‘t Lutje Waskhoes” onder Ten Boer hebben, zo schrijft Tjaard de Haan, de sfeer van haar leven en denken bepaald. Hij vermeldt: “…In dankbare herinnering zal zij blijven door het feit dat zij als een der allerbesten hier te lande de boer opgegaan is ter verzameling van het levende volksverhaal. Modern in haar werkwijze is haar aandacht voor de vertellers, onder wie dragers van het mondeling overgeleverde sprookje voorkomen zo als men ze tegenwoordig na toch maar weinige decenniën nergens meer op het Groninger platteland zal aantreffen. De jongeren benijden en bewonderen haar om het kostelijk volksgevoel dat zij in duizend bezoeken door het hele gewest heeft weten te vergaren…”. De Haan is wel zo eerlijk later te melden dat natuurlijk niet iedere onderzoeker (waaronder hij zelf) zich altijd kon vinden in haar werkwijze en vooral de interpretatie van de vele verzamelde gegevens. Huizenga-Onnekes eerste publicatie in boekvorm waren de sprookjes van “Trijntje Soldaats”, alias de huisnaaister Trijntje Wijbrands, tussen 1800 en 1804 aan haar betovergrootvader en diens broer verteld en door de laatste op papier gesteld. Het werd een mooie bibliofiele uitgave, mede door de prenten en initialen van Johan Dijkstra. Andere, door haar samengestelde, werken zijn: “Het Boek van Minne Koning”(1930), “Groninger Volksverhalen”(1930) en “Het Menschelijk Leven in ‘t Groninger Land” (1939).

foto: bladzij20.nl

Line Huizenga ging na de oorlog door met het verzamelen van gegevens over volksverhalen, maar publiceerde ook verschillende artikelen over het onderwerp papierknipkunst. Dit naar aanleiding van knipsels in haar eigen en familiebezit. Twee stukjes in het Groninger Dagblad (15 en 22 maart 1947) leidden tot vele reacties en hierna volgden er artikelen in “Hobby” (Over knipsels en schaduwbeelden, 1947), “Oud Nederland” (Knipsels in Groningerland, 1950) en vele andere bladen.

In die periode kwam zij ook in contact met knipper Wiecher Lever, die zich vanaf 1946 mocht verheugen in een steeds groeiende belangstelling voor zijn werk en die ook grote interesse had voor knipkunstenaars uit heden en verleden. Lange tijd werkten zij min of meer samen met het doel een boek over knipkunst te schrijven en te doen uitgeven.

Het contact tussen Lever en Huizenga-Onnekes is er altijd gebleven, maar uit de bewaarde correspondentie tussen beiden blijkt dat zij een verschillende opvatting over de inhoud van het boek over knipkunst hadden. Lever zag in die uitgave de gelegenheid om zijn opvattingen over volkskunst en papierknippen als volkskunst te promoten. Verder had hij uitgesproken opvattingen over het werk van papierknippers/sters en sommige museummedewerkers. Dit leidde er ook toe dat hij in 1953 kwam met een eigen uitgave, de brochure “Op nieuwe wijs, naar oude trant”, die later werd omgevormd tot een vijfbladige lesmap. Het doen verschijnen van het boek “Juweeltjes van Knipkunst’ bleek, onder andere om financiële redenen, een moeizame onderneming. Uiteindelijk bleef het bij een niet uitgegeven manuscript. Een integrale uitgave van dit manuscript zou een prachtig eerbetoon zijn aan Line Huizenga en haar werk en zou ook van belang zijn voor de bestudering van de geschiedenis van de Nederlandse papierknipkunst. Hier ligt dus een schone taak voor de Landelijke Vereniging voor Papierknipkunst. Zo’n uitgave zou kunnen worden aangevuld met een essay over de periode 1945-1955 en een overzicht van de huidige stand van zaken op het gebied van onderzoekswerk.

In haar artikel in “Hobby” schrijft Line Huizenga over de geschiedenis van de papierknipkunst in Nederland en noemt dan kunstenaars als Anna Maria van Schurman, Johanna Koerten, Neeltje Prijs, Elisabeth Rijberg, Gilles van Vliet, Willem Eigeman en Jan de Marker (= Jan Visscher). In haar eigen bezit zijn knipsels van Trijntje Hiddes Werda (die zij toeschrijft aan Helena Leen) en Wilhelm Müller. In verband met het werk van deze Duitse kunstenaar vermeldt zij ook werk van R.W. Huss uit de 17de eeuw en knipwerk van Hans Chr. Andersen. Als eigentijdse knipkunstenaars noemt zij Gretha Zijl (een mooie dans om de Oranjeboom is bij het artikel afgebeeld), Wiecher Lever, Geert Boswijck en Levers leerlinge Antje Pronk. In de volgende nummers van “Hobby” schrijft Lever overigens over “Knipsels en hun vervaardiging” en “Knippen als volkskunst”, hij gaat dan in op de praktische gang van zaken.
Het artikel in “Oud Nederland” moet gezien worden als vervolg op het stukje in “Hobby”. Huizenga-Onnekes bespreekt hierin de reacties die zijn op het eerste artikel heeft ontvangen. Zo wees Mw. Weevers-de Graaff haar op het bestaan van knipster “nicht Schippers”, of wel Barbara de Graaff (1804-1884), geboren te Sommelsdijk. Catharina van de Graft had haar attent gemaakt op twee artikelen in “Historia” (in 1948 volgde nog een derde artikel in dit tijdschrift). Huizenga somt op welke knippers Van de Graft daarin behandelt: Van Schurman, Johanna Koerten, Elisabeth Rijberg, Geert van Vliet (dit moet zijn Gilles van Vliet), Steven Blankaart, Agnes Block, J. Kopper, Willem Eigeman en Cornelis Bavelaar. Van de Graft noemt ook Maria Elisabeth van den Brink (1824-1904) en dat maakt het Huizenga mogelijk haar werk te vergelijken met dat van Afina Annette Riekels (1825- 1894). Zo belandt ze bij het echte onderwerp van haar artikel “Knipsels in Groningerland”. Riekels zou het knippen van haar grootvader Willem Georg Nuitz, een Duitse arts die zich in Groningen had gevestigd, hebben geleerd. Van hem was tot nu toe geen werk bekend, maar Huizenga-Onnekes acht het mogelijk dat een reliëfknipsel in privébezit (mensen en paarden aan weerszijden van een boom met op de achtergrond een standaardmolen) aan Nuitz kan worden toegeschreven. Wij weten echter nu dat dit stuk moet zijn gemaakt door Pieter Reynders, van wie Huizenga in eigen bezit een knipwerk (sjees) had.

Afina Riekels

Behalve het werk van Afina Riekels wordt uit eigen streek nog het werk Eppo Brongers, onderwijzer te Thesinge (gem. Ten Boer) genoemd, namelijk een gedenkstuk ter herinnering aan de restauratie van de kerk in 1786 en een geknipt en getekend, opengeslagen gezangboek. Verder komt het werk van W.P.A. Roemelé (1791-1833) aan de orde. Huizenga schrijft over een 25-jarig huwelijksstuk (Busscher/ Hopkes) uit 1806 en over Geert Jager (1823-1916), een knippende landarbeider uit Hellum, in wiens werk Wiecher Lever sterk geïnteresseerd was. Zij noemt van hem enige knipsels en sluit af met het knipsel van de familie Gort, dat in 1953 door Lever werd gekopieerd. Dit knipsel werd gemaakt door Theodoor Nieuwland, en niet door Gort, een Groningse schipper, zelf zoals Lever veronderstelde.

Tijdens haar onderzoek naar het werk van Groningse en andere knippers zag Line Huizenga-Onnekes een knipsel van ds. Jan de Bleyker bij de doopsgezinde predikant ds. Michiel Onnes in Veendam. Het was het prachtige huwelijksknipsel gemaakt voor Pieter Koekebakker en Maartje Dirks Kok uit 1761. Van hem hoorde zij ook dat De Bleyker knipwerk als dit maakte als bijverdienste, omdat zijn tractement als predikant/leraar niet toereikend was om in het onderhoud van zijn gezin te voorzien. Na de dood van ds. Onnes kocht de Amsterdamse antiquair Leo Bisterbosch dit kunstwerk. Over ds. Jan de Bleyker schreef Line Huizenga een artikel in “De Speelwagen” (8e jaargang, nr.10, 1953). Bij de tekst zijn afgebeeld het portret van De Bleyker (geschilderd door Van Horstok) en twee knipsels, de huwelijksstukken Koekebakker/Kok en Berkhout/Verlaan.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 2001-2 en 3, een uitgave van het museum van Knipkunst en Stichting W.Tj. Lever.

Bram Bosch: schipper en knipper, Knip-Pers 1991-1

Al jaren weet ik dat mijn overgrootvader Bram Bosch (1865-1943) schipper en knipper was. Boven mijn bureau hangt een wat vergeeld stukje uit het Rotterdams Nieuwsblad van 20 maart 1931, met foto van opa Bosch -zoals we hem in onze familie noemen- plaatjes knippend op de schippersbeurs. “Een kunstenaar op zijn gebied”, kopte de krant, precies zestig jaar geleden.

“Velen komen bij hem staan kijken als zijn rappe schaar door het witte papier scheert en de typische tafereeltjes voor den dag komen. Het kort het wachten op de schippersbeurs in dezen tijd van malaise”, zo schreef de verslaggever bij de foto.

Jaren lang hebben we in de familie ook een pagina uit het septembernummer 1962 van het weekblad “Schuttevaer” in ons bezit, met een verhaal over het Knipselmuseum (toen nog in Roden) van de in knipperskringen bekende heer W.Tj. Lever, die inmiddels overleden is. Deze heer Lever vroeg daarin informatie over Bram Bosch. Een paar weken later bracht het weekblad Schuttevaer een portret van Bram Bosch, met een van zijn knipsels.

Bram Bosch, een scaape slagter zoo men ziet het is een moordenaar of gloof ge het niet.

Mijn moeder kon mijn interesse voor zo’n boeiend familielid met een martiale knevel in het begin alleen maar voeden met verhalen. Hij had zijn hele leven gevaren door Nederland op allerlei soorten schepen met graan, hout, steenkolen, Steen en suikerbieten. Maar in de zomer voer hij ook met kermis artiesten de kermissen af. Opa Bosch was een geweldige verteller en grappenmaker. Hij was zeer goed in allerlei dialecten en imitaties. Hij vroeg aan zijn toeschouwers een stuk papier en knipte van een envelop of brief voor de vuist weg een voorstelling met verhaal. Gezegdes en volkswijsheden, de scheepvaart en wat hij langs de kant zag, maar ook de actualiteit volgde hij. Soldaten en gevechten in de Eerste Wereldoorlog, de werkverschaffing, de sprong van Vlasblom van de Hefbrug in Rotterdam, de terechtstelling van Van der Lubbe (van de Rijksdagbrand). Hij knipte ze voor je ogen, kleurde ze in en schreef daar later soms een tekst bij. Thuis hadden wij geen knipsels omdat mijn oma en moeder hun huis en bezittingen in vlammen zagen opgaan tijdens een bombardement in mei 1940 in Rotterdam. Ook het schip van opa Bosch werd zwaar beschadigd in dat bombardement. Pas in recente jaren heeft mijn moeder van haar tantes wat knipsels van opa Bosch gekregen. En pas verleden jaar werd de cirkel helemaal rond toen ik een artikeltje uit het Rotterdams Nieuwsblad van 1989 onder ogen kreeg, waarin meer informatie over Bram Bosch gevraagd werd door de Stichting W.Tj. Lever in Rotterdam.

Bram Bosch, de wint die is net van pas vrouw die brengt ons geit in de kast.

Inmiddels heb ik 20 knipsels van mijn opa Bosch. En van de Lever stichting kreeg ik kopieën van de brieven die in 1962 naar Schuttevaer waren gezonden. Die brieven waren in het bezit geweest van de oude heer Lever, in zijn Knipselmuseum. De collectie van dat museum is in 1987 bij Christie geveild. Een dochter van de heer Lever en haar man, de historicus van Ark, zijn er in geslaagd met subsidie van het Prins Bernhardfonds een deel van die collectie te kopen, met daarin de Rotterdamse knippers onder wie Bram Bosch.

Eindelijk heb ik de brief van mijn tante uit Haarlem, die ze in 1962 naar Schuttevaer schreef en die zij ons tot haar en onze spijt bij haar leven niet kon geven. “Hij was zo trots als een pauw toen hij in 1932 met zijn plaatjes in het Rotterdams Nieuwsblad kwam te staan. Hij is toen naar een fotograaf gegaan en heeft een foto laten maken met een stuk papier en schaar in de hand en diverse plaatjes op een bord geprikt”, schreef mijn tante. Dat moeten er minstens twee geweest zijn, want wij hebben een foto in bezit uit dezelfde serie, vanuit een andere hoek genomen.

Bram Bosch, de zellfermeeuw en Rijger zijn op de wal zoekenaar votsel overal.

De knipsels op de hier afgebeelde oude foto’s zijn niet in ons bezit. De vraag is of ze vernietigd zijn of toch nog ergens in een envelop zitten.

Een briefschrijver vermeldt dat Bram Bosch een keer in Amsterdam lag, waar over een van de grachten net een brug geverfd was. Bram Bosch ging toen een kat in het nauw nadoen en alle mensen gingen over de brug hangen om te kijken waar de kat in het water lag. Het resultaat was een heel stel mensen met verf aan handen en kleren. En een Amsterdamse binnenschipper roemde zijn fenomenale knipkunst. ”Aan de wanden van menig scheepvaartkantoor in Rotterdam prijkten destijds specimen van zijn meesterschap op dit gebied.”

Door dit soort proza gaat je overgrootvader nog meer voor je leven, wil je nog meer over deze kleurrijke opa te weten komen en hoop je dat zijn knipwerk niet per ongeluk bij het oud papier wordt neergezet. Dat is ook wat van Ark in de knipsels van Bram Bosch aanspreekt: er steekt een kleurrijke figuur achter die bovendien, als een van de weinige knippers, de actualiteit meeneemt in zijn knipwerk.

Bram Bosch, wij zijn niet zo jong meer dat ziet ge hier maar hoepelen toch met plezier

De knipsels zijn gedeeltelijk ingekleurd met potloden en verf.

Wie iets meer over Bram Bosch en zijn knipsels weet of in zijn bezit heeft, en die weer in het bezit van zijn nazaten wil brengen zodat er zo weinig mogelijk van zijn collectie verloren gaat, gelieve contact op te nemen met Dick de Jong te Amsterdam.

Door Dick de Jong
Dit artikel verscheen eerder in de Knip-Pers 1991-1

Veertig jaar Nederlands Museum van Knipkunst, Nieuwsbrief 2000-3

Op 19 december 1960 opende het Nederlands Museum van Knipkunst, een onderneming van knipper en verzamelaar Wiecher Tjeert Lever (1917-1981), zijn deuren in Westerbork, zoals veel wordt gedacht, maar in Roden, gelegen op de grens van Drenthe en Groningen. Lever kon het museum vestigen in het voorgedeelte van de Winsinghhof, de oudste boerderij van het dorp, die de gemeente voor een symbolisch bedrag had weten te verwerven met het plan daar een cultureel centrum van te maken. In de jaren vijftig woonde Wiecher Lever in Muntendam (Gr.), waar hij zijn atelier “De Meeuw” had. Sinds 1950 was hij papierknipper van beroep en gebruikte dat atelier als uitvalsbasis voor reizen door het hele land. Lever maakte knipwerk en profielportretten en verzamelde tevens antieke stukken en werk van knippers uit die tijd. Zo ontstond een collectie die zich er goed voor leende om uiteindelijk in een museum te worden ondergebracht.

In 1960 deed zich de mogelijkheid van de vestiging van zo’n museum voor in Roden en Lever maakte daarvan gebruik. In het plakboek van Lever over deze periode vinden we daarover een eerste aankondiging in een stukje in “Ons Noorden” ’van 22 augustus 1960. Na enige andere kleinere berichten, publiceert “Het Vrije Volk” op 23 september een groot artikel over het nieuwe museum in de Winsinghhof Daarna komt de publiciteit goed op gang, met als klapper een mooi stuk (3 december) in het “Nieuwsblad van het Noorden”, met foto’s van de (geënsceneerde) inrichtingswerkzaamheden, Tobia Lever die een bruidsmeisje knipt en Wiecher Lever aan het werk met een Poolse schaapscheerdersschaar; Burgemeester Bushoff van Roden opent op 19 december het museum en vanzelfsprekend knipt Lever bij die gelegenheid zijn profiel.

Ook de eerste secretaris van de Poolse Ambassade was bij de opening aanwezig, dit in verband met een schenking van knipsels. Dat Poolse werk zien we mooi in kleur afgebeeld in de “Libelle” van 21 januari 1961 , waarbij Lever poseert als inrichter van de hoek met Poolse volkskunst en Tobia en Wiecher met knipwerk in de weer zijn.
De start van het Nederlands Museum van Knip- kunst bleef beslist niet onopgemerkt en in de plakboeken van Lever treffen we nog vele informatieve stukken over de Rodense periode (1960-1965) aan. In 1965 verhuist Lever met zijn museum naar Westerbork, waar het ondergebracht wordt in een schoolbarak. Daarna vindt het zijn plaats aan het Gualthérie van Weezeiplein. Daar bleef het museum tot 1987 open en een jaar erna vond de veiling van Levers collectie plaats.  Met de op deze veiling aangekochte stukken en bibliotheek hield de stichting W.Tj. Lever in de periode 1988-1991 een depotmuseum in stand, van waaruit exposities in het land konden worden georganiseerd. Een (tijdelijke) expositieruimte werd in 1992 gevonden aan de Oude Haven in Schoonhoven; in 1995 kwamen museumdepot en expositieruimten weer bij elkaar in het huidige pand in de Stadhuisstraat. Voorzichtig wordt nu gedroomd over een nieuw, groter pand, waar de collectie nog beter tot zijn recht kan komen en er meer ruimte is voor groepsbezoek, vrijwillige medewerkers en het depot met knipsels, boeken en voorwerpen.

Het 40-jarig bestaan van het museum wordt van oktober t/m december 2000 in Schoonhoven onder andere gevierd met de wisselexpositie “Op eigen wijze” en de uitgave van een themanummer van de nieuwsbrief over Joanna Koerten.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 2000-3, een uitgave van Stichting W.Tj. Lever.

Het Album Amicorum van Jacob Heyblocq, Nieuwsbrief 2002-2

De facsimile uitgave van dit 17de eeuwse vriendenalbum uit 1998 is een van de nieuwste aankopen van het Nederlands Museum van Knipkunst. Het is een zeer verzorgde, kostbare uitgave, bestaande uit het album en een tekstboekje, ondergebracht in een cassette. Voor de bestudering van de geschiedenis van de Nederlandse papierknipkunst is dit album van belang omdat het drie papierknipsels bevat en omdat er een opmerkelijke passage over knippen in te vinden is. Hierover later meer.

 

Het album van Jacob Heyblocq is in 1901 terechtgekomen in de collectie van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, dankzij een schenking van de weduwe van de dichter Johannes Kneppelhout (bekend on der de naam “Klikspaan”). Jacob Heyblocq (1623-1690) studeerde o.a. theologie in Leiden en was vanaf 1648 onderwijzer en later rector van de Latijnse School aan de Nieuwe Zijde in Amsterdam. Heyblocq begon zijn album in 1645 in zijn studentenjaren, de laatste bijdrage dateert uit het jaar 1678. Het album bestaat uit 162 bladen van 92 x 153 mm, door diverse oorzaken is de met potlood in 1901 aangebrachte nummering niet geheel correct. Het bevat maar liefst 195 bijdragen van 155 verschillende personen, waaronder veel gedichten (122), enige gravures (2), tekeningen (43) en varia, zo als drie papierknipwerkjes. Heyblocq’s album was in eerste instantie niet bedoeld als vrienden- of studentenalbum, maar werd eerder gevormd om bijdragen van geleerde en nobele heren te verwerven om zo te dienen als herinnering aan hen na het overlijden. In dit rijke album vinden we inderdaad bijdragen van diverse grote geleerden, maar ook kleine kunstwerken van kunstenaars als Rembandt, Govaert Flinck en Gerbrand van den Eeckhout.

Ook Anna Maria van Schurman leverde een, in het Arabisch geschreven, bijdrage.Een portret van haar moet ook in het album aanwezig zijn geweest, samen met een gedicht in Latijn van professor A. Aemilius. Curieus is het blad van ene Cornelis van Halmael uit 1649. Wellicht gaat het hierbij om de Van Halmael van wie ook knipwerk bekend is.

De schrijvers van het tekstgedeelte bij deze facsimile uitgave gaan daar niet op in, het onderwerp papierknipkunst wordt, zoals helaas te verwachten was, wel heel summier behandeld. Heyblocq’s album heeft drie papierknipsels. Ten eerste op pagina 118 een geknipte cartouche, met daarin een opvallend stukje mica. Vervolgens op pagina 172 een zwaar beschadigde cartouche rond een schild.

De makers van deze knipwerkjes worden nergens vermeld, maar de knipper van de omlijsting van het stukje mica is waarschijnlijk Jacob Gort(t)er (overleden 1691). Hij knipte ook de gekroonde dubbele adelaar binnen een omlijsting van dieren en bloemen, die te vinden is op pagina 271. De datering van dit knipsel is 1660. Gorter maakte ook een tekening voor het album.

Interessant is de bijdrage van Gerard van Midlum op de pagina’s 185 en 186 uit 1662. Hij schrijft dat Heyblocq’s album bijdragen bevat van dichters, schilders én papierknippers, in feite teveel om op te noemen. Hij kan zich daar niet mee vergelijken, want hij is nu eenmaal geen dichter, papierkunstenaar of schilder, maar meer iemand van het midden of de middelmaat (“Midlum”).


De samenstellers van het tekstgedeelte stellen in hun introductie dat niet gestreefd is naar een uitgave met wetenschappelijke pretenties. De transcripties, parafraseringen en noten zouden slechts de geïnteresseerde lezer het makkelijker moeten maken van de uitgave te genieten. Dat klinkt op het eerste gehoor aardig, maar het is vreemd wanneer men bedenkt dat al vanaf 1975 aan deze uitgave is gewerkt. Van de Koninklijke bibliotheek en uitgeverij Waanders zou men een wat fundamentelere toelichtende publicatie mogen verwachten.

Hoe het met andere onderwerpen zit kunnen we niet beoordelen, maar van papierknippen hebben de schrijvers weinig kaas gegeten of, wat waarschijnlijker is, men heeft zijn onderzoekswerk gewoon niet goed gedaan. Met betrekking tot het knipsel van Gorter verwijst men slechts naar de goede, maar inmiddels zeer belegen uitgave van Thieme-Becker. Voetnoot 50 bij het inleidende tekstgedeelte over de drie knipwerkjes noemt slechts het werk van Joanna Koerten met een verwijzing naar NNBW X uit 1937. Dus helaas geen verwijzingen naar recentere literatuur, geen opmerkingen over eventuele knipactiviteiten van Van Schurman en Van Halmael en, en dat was in dit geval zeker op zijn plaats geweest, geen vermelding van de knipsels in het familieboek van Gesina ter Borch (1631-1690). Dat plakboek werd begonnen in 1660 en bevat knipwerk van Gesina, haar neefjes Cornelis en Gerrit Schellinger en Johannes van Achelom. Werk uit dezelfde tijd als de knipsels in het album van Heyblocq. Het album amicorum van Jacob Heyblocq is opgenomen in de museumbibliotheek en daar voor geïnteresseerde bezoekers te raadplegen. Begin 2003 maakt het deel uit van de presentatie “Rondom Koerten”, die gaat over de Nederlandse knipkunst in de 17de eeuw.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 2000-2, een uitgave van Stichting W.Tj. Lever.

Afbeeldingen: Wikimedia commons