Categoriearchief: pubilcatie

Jan Goeree en Joanna Koerten, Papyria 10

Tot het Stamboek van Joanna Koerten behoorde een blad met een gedicht van Johannes Vollenhove en een tekening van Jan Goeree. Dit blad is bekend geworden omdat Catharina van de Graft de tekening heeft gebruikt als illustratie bij haar artikel “Papieren knip-en snijkunst, vroeger en nu” in het tijdschrift Historia (jrg.13, nr. 7). Zij gaf deze tekening het onderschrift “Het kabinet van een knipprentenverzamelaar” mee, maar Robert-Jan te Rijdt heeft in 1997 duidelijk gemaakt dat deze tekening, die gevat is in een vignet en als onderschrift heeft “Uit kleine arbeid, grote roem”, weergeeft hoe geleerden opgezette insecten bestuderen, de kleinste en meest wonderlijke creaties van de Schepper [1]. Volgens Te Rijdt is dat geen directe verwijzing naar de knipsels van Koerten, maar indirect is dat natuurlijk wel zo. Die kleine insecten zijn namelijk heel goed vergelijkbaar met het ragfijne werk van Koerten waarmee zij ook grote roem wist te verwerven en daarmee ook de Schepper eerde. Dat geleerde heren in antieke gewaden die wonderlijke diertjes (en in wezen dus ook het werk van Koerten) nauwkeurig en bewonderend bestudeerden, was precies wat Koerten en haar man wilden. Het was de religieuze en wetenschappelijke wereld waarin zij graag verkeerden.

Jan Goeree (1670-1731) was een tekenaar en graveur die vrijwel uitsluitend voor uitgevers van boeken en prenten werkte. Als ontspanning maakte hij gedichten in een vaak uitgelaten-luimige stijl en in puntdichten. Het is dan ook niet verwonderlijk dat hij zijn portret (door Valkenburg en J. Houbraken) voorzag van een eigen onderschrift. Dit luidt:

Wie vragen mogt naar JAN na dat hij was verdweenen,
En in een Geest herschept die spieren heeft noch beenen,
Dus was hij van postuur, van oogen, neus en mond
Gelooft dit schilderij, ‘t is of hij voor uw stond”.
[2]

De aanleiding voor zijn tekeningen was bijna altijd een prent en het is daarom opmerkelijk dat zijn meest ambitieuze en historisch interessante tekening ontworpen werd als titelblad, waarvan vast stond dat dit nooit als gravure zou worden uitgebracht.

Daarom maakte hij gebruik van een meer uitgewerkte, op uiterlijke effecten gerichte techniek die bestond uit een schilderachtig samenspel van bruine en grijze wassingen van inkt tussen de partijen op voor- en achtergrond. Van Eijnden en Van der Willigen schrijven hierover: “Goeree was rijk in vinding, verstandig in het ordonneren en schikken der deelen van Zijne onderwerpen, en kende de uitwerking van het licht en bruin zeer wel, waardoor zijne voorstellingen behagen en krachtig uitkomen: maar de omtrekken zijner beelden zijn veeltijds onnauwkeurig van teekening en koel van uitdrukking, de plooien der kleeding gemanierd en onachtzaam behandeld; doch Zijne uitvoering met het graveerijzer en de etsnaald is vrij en meesterachtig”.

De tekening was al wel bekend, maar kwam pas goed in de aandacht door de vondst van een beschrijving, gemaakt door David van Hoogstraten, waarschijnlijk kort na het overlijden van Koerten. Deze beschrijving wordt door Te Rijdt als volgt weergegeven:

“Hoofdfiguur van de voorstelling is Minerva als beschermer van de Kunsten, toepasselijk vergezeld door een papierknippende putto. Ze wordt geflankeerd door reliëfs met afbeeldingen van de riviergoden van IJ en Amstel, en heeft zojuist de tekst geschreven van het titelblad van het bezoekersboek “dat melt den aert der dingen/Van allerlei soort gebooren in verstand/Van edle Geesten en verheven Kunstenaeren“. De drie Kunstvormen waarin in zulks gebeurde, zijn de andere hoofdfiguren op de tekening: Apollo als god van de Dichtkunst, de personificatie van de Schrijfkunst- het Stamboek bevatte van meet af aan blijkbaar vele calligrafieën!- en Pictura als godin van de Teken- en Schilderkunst. Met haar penseel wijst ze laatste op een tondo met een afbeelding van Fenix die uit zijn as verrijst ten teken dat een kunstenaar door zijn werken eeuwig zal voortleven. Links daarvan een afbeelding van Pygmalion geplaatst als zinnebeeld van kunst die zo levensecht kan zijn dat men er door begoocheld wordt. Rechts is een zinnebeeld van Kunst die de Natuur vervolmaakt, geïllustreerd door Minerva die met de schaar een in een haag geschoren vaas bijknipt. Door de lucht wordt een portret van Joanna Koerten gesleept, voorafgegaan door de Faam die de lof over de schaarkunstenares voortbazuint. Centraal in de voorstelling hangt het object waarom alles hier draait, de schaar, omlijst door het zinnebeeld van de eeuwige roem, een slang die in zijn start bijt en omwonden is door lauwertakken. De Schrijfkunst wijst op het bijschrift, ongetwijfeld een puntdicht van Goeree zelf “Wat denkt u kunstenaars/Valt deeze kunst niet schaars“. Op de voorgrond zijn enkele van Johanna ‘s knipsels afgebeeld: het wapenschild van haar zo geliefde Amsterdam dat “haar wieg en graf” was, daarboven een ovaal portret van koning-stadhouder Willem III; rechts in de hoek-onder de afbeelding van de riviergod van de Amstel- een portret van Frederik III van Brandenburg, geheel vooraan een half zichtbaar allegorisch knipsel dat niet thuis te brengen is, en een rol met, volgens David van Hoogstratens gedicht knipsels die in de voorstelling geen plaats meer konden krijgen. De ingelijste afbeelding van het scheeprijk IJ uiterst rechts is geen knipsel maar kan geïdentificeerd worden als het ingelijste kabinetschilderij door Abraham Storck dat in Koertens nalatenschap voorkomt, of als de weerga ervan door Adam Silo. Aan de voeten van Minerva ligt zeer herkenbaar een knipsel dat recent is opgedoken en daarom moet worden toegevoegd aan de relatief korte lijst van bewaard gebleven werken door Joanna Koerten. Het is de in de lofdichten meermaals bezongen afbeelding van de Romeinse Vrjheid zittende op een troon en omgeven door de portretten van de eerste twaalf keizers. In de (later aangeplakte) onderrand zijn twee verzen van Abraham Bogaert gesneden, één op de voorstelling en één op de kunstenares. Als een der weinige knipsels van Koerten is dit stuk gesigneerd en gedateerd “Joanna Koerten/Blok/Amsterd. 1697”. De keuze voor deze voortelling moet voortkomen uit de opmerkelijke fascinatie voor de Romeinse oudheid waarvan omstreeks 1680-1725 het Amsterdamse culturele milieu zo vaak getuigde, waar waarover we thans nog heel weinig weten. In Goeree ‘s tekening blijkt deze fascinatie ook uit de aanwezigheid van portretmedaillons van Julius Ceasar en keizer Augustus links en rechts bovenaan in de verder geheel op Amsterdam toegesneden voorstelling. Op de achtergrond links is een hofgezicht te zien dat in dezelfde geest aangeeft hoezeer verbeeldingen van grootse klassicistische praalgebouwen de Amsterdamse kunstenaars in die tijd voor ogen zweefden. Rechts op de achtergrond ten slotte ziet men een scene die aangeeft waarvoor het bezoekers boek eigenlijk bedoeld was: een exotisch geklede heer betreedt met zijn gevolg een zaal, geleid door de Nieuwsgierigheid die herkenbaar is aan de oren op haar kleed omdat zij opvangt wat door anderen verteld is. Over de identiteit van de vorst die Koertens papieren schaarjuwelen komt bewonderen, doet het gedicht geen uitspraak. Het ligt uiteraard voor de hand om aan de boomlange tsaar Peter de Grote te denken. Hij verbleef immers in 1697 ruim acht maanden incognito in Amsterdam en bezocht in de vermomming van een Rus van lagere adel diverse kunst- en rariteitencollecties, waaronder die van Joanna Koerten“.

Net als de illustratie bij het gedicht van Vollenhove heeft Goeree tekeningen gemaakt als illustratie bij zinspreuken met betrekking tot Joanna Koerten. Zoals twee illustraties bij inscripties van twee Hoornse bezoekers.

In zijn artikel bespreekt Te Rijdt verder kort nog enige tekeningen van Goeree die te duiden zijn als losgesneden Stamboek-illustraties, de inscripties, gedichten of andere teksten zijn verwijderd.

 

Het zijn emblematische voorstellingen die geen enkele verwijzing bevatten naar de schaarkunst, maar wel handelen over kunst, de bewondering die zij oogst en de arbeid die zij kostte. Kortom een perfecte verwijzing, net als “kleine arbeid, grote roem” bij het gedicht van Vollenhove, naar het werk van Koerten en de waardering en bewondering daarvoor.

Door Henk van Ark

Noten

  1. Robert-Jan te Rijdt, ”Jan Goeree, het stamboek van Joanna Koerten en de datering ervan: Delineavit et Sculpit, nr.17 (1997), p. 54.
  2. van Eijnden/A. R. van der Willigen, Geschiedenis der Vaderlandsche Schilderkunst (…), Haarlem 18 16-1840, deel 1 p.2 44-247.
  3. Te Rijdt, c., p. 49-51.

Afbeeldingen:
Papyria
dbnl.org

De Buitenplaats de Aemstelhoek, Papyria 10

De edele knipkunst of “conste der schaer” die nog veel meer beoefend is. Niemand knapper daarin dan Johanna Koerten, die op haar buitentje Amstelhoek tegenover de Utrechtschepoort beroemde kunststukken maakte en Vorsten met de schaar portretteerde”. [1]

Dit door Ter Gouw bedoelde “buitentje” van Koerten is afgebeeld en besproken in het prachtwerk “HOLLANDS ARCADIA. Of de vermaarde Rivier DEN AMSTEL” van Abraham Rademaker uit 1730 [2].

Het kwam in de 17de en 18de eeuw veel voor dat bemiddelde inwoners van Amsterdam een buitenplaats aankochten of lieten bouwen om vooral de zomertijd zich te kunnen onttrekken aan de drukte en de stank van de stad. Zo ontstonden buitenplaatsen in de Beemster, het duinengebied, langs de Vecht en de Amstel. In 1719 verscheen de uitgave “De zegenpralende Vecht”, een verzameling van 98 gravures door Daniel Stoopendael van meer dan 44 buitenplaatsen, huizen en hofsteden aan de Vecht. Het is een trots vertoon van luxe en bezit van rijke burgers aan het grote publiek. Doopsgezinden namen onder de eigenaars van deze gebouwen een prominente plaats in. Te Nieuwersluis lag een rij aaneengesloten buitenplaatsen waarvan de eigenaars allen doopsgezinden waren, waardoor deze streek ook wel de “Menniste Hemel” werd genoemd. Een hofstede met land bij Loenen aan de Vecht werd in 1670 gekocht door Agnes (Agnetha) Block (1629-1704), die wij kennen uit de geschiedenis van de Nederlandse knipkunst. Block trouwde in 1649 met de doopsgezinde zijdekoopman Hans de Wolff. Deze was een neef van Vondel, Agnes raakte met deze schrijver innig bevriend. Na Wolffs dood hertrouwde zij met de eveneens doopsgezinde zijdehandelaar Sybrand de Flines.

Buitenplaats de Vijverhof

Op het aangekochte terrein liet Block de fraaie buitenplaats de Vijverhof aanleggen, met hoofd- en bijgebouwen, een orangerie en boomgaarden, vijvers en weelderige sier- en moestuinen. Agnes wijdde zich vooral aan de botanie, zij huurde een twintigtal kunstenaars in om haar omvangrijke collectie zelfgekweekte bloemen en planten te vereeuwigen. Ze verwierf faam door als eerste in de Republiek een ananas te kweken. Deze activiteiten zorgden voor haar bijnaam Flora Batava (Bloemengodin van Holland). Maar Agnes hield zich ook bezig met papierknippen. In diverse gedichten is dit vermeld, al is tot nu toe geen bewaard gebleven werk van haar hand bekend. Ter gelegenheid van haar tweede huwelijk schreef Joost van den Vondel over haar botanie, maar ook over haar knipwerk:

d’Een schept zomwyl lust op ‘t lant,
daer zy bloemen zaeit en plant,
Of de bloemgodin helpt vieren,
En het loofwerk op papieren,
Uitgesneden met de schaer,

Offert op het huisaltaer:
d’Ander heeft Natuur getroffen,
als hy net in zyde stoffen,
Loof en schoone bloemen weeft,
Schooner dan de lente ons geeft”.

Vergelijkbaar met “De zegenpralende Vecht” is het al genoemde “HOLLANDS ARCADIA”, een boek dat in honderd afbeeldingen van “alle deszelfs LUSTPLAATSEN, HERENHIJIZEN en DORPEN toont, zig uitstrekkende van AMSTERDAM af door OUDERKERK, ABCOUDE, BAEMBRUG tot LOENDERSLOOT.”

De eerste door Ramaker gemaakte gravure is op het titelblad van het boek te vinden. De beschrijving van G. Tysens vermeldt daarover ondermeer:

ô Magtig Amsterdam! ‘tgeen zo wyd langs den zoom
Van ‘t Y legt uitgestrekt, en spiegeld in den stroom
Uw spitse Torens, en roemwaardigepraalgebouwen,
Het lust my eens u van d’Amstelkant te aanschouwen,
En op uw trotse sluis uit ‘t water opgehaald,
waar in de kunst en vlyt met vollen luister praald
Die haren grondslag vestte op vyfendartig bógen
De schoonheid van uw stad en grootheid te beogen
“.

Hierna volgt een loflied op de stad met al zijn gebouwen, kerken en poorten om vervolgens over te gaan naar de beschrijving van de lusthuizen enzovoort aan de Amsteloevers (Amsteldijk en Weesperzijde).

De hoek van d’Amstel geeft ons ‘t eerste Tuingezicht,
Het lugtig zomerhuis, agtkantig opgerigt,
Verheft zyn hoge kruin uit ‘t zagtjes vloeijend water
‘t Geen langs zyn boorden ruisd met lieffelyk geschater,
Daar het een uitzigt op de gróte Koopstad heeft,
Of weer aan d’and’ren kant langs ‘t slak des Amstels zweefd”.
De Kunstbeminnaar Blok hier zyn welbehagen,
als hy in eenzaamheid by zoele zomerdagen,
zig aan de stad onttrok om hier de zoete rust Te vinden,
als de dauw de frisse bloemen kust.
Maar ach, hy zal geen vreugd meêr op deez ‘plaats bekomen,
Die Kunstbeminnaar is ons door de dood ontnómen;
Zyn brave Weduwe vind nu nog haar vermaak In ‘t buiten leven,
daar gèen nyd geen list geen wraak
”.

Het “lugtig zomerhuis” waar het hier om gaat is de buitenplaats Aemstelhoek van Adriaan Blok en Joanna Koerten. Het was de eerste van een grote reeks buitenplaatsen aan de Amstelzijde van de rivier De Amstel.

Het is meer een buitenplaatsje dat de vorm heeft van een behoorlijke, achtkantige tuinkoepel. Met aan beide zijden een schuttingachtige opbouw waarin aan de Amstelzijde een dienstvertrek lijkt te zijn opgenomen. Hoe groot het gehele buiten is geweest is niet helemaal duidelijk. Op een latere kaart is te zien dat voor andere bouwwerken op het perceel maar weinig ruimte was. Het was een bescheiden lusthuis aan de rivier.

Vanaf de rivierkant kijken we waarschijnlijk in de richting van het Saagmolenpad met in het verschiet twee molens. We zien Aemstelhoek afgebeeld in de rechterhoek van de gravure op het titelblad en groter als afzonderlijke gravure van een lusthuis aan de Amstel met als tekst: “Maison de Campagne DE MADlle LA VEUVE/de feu Mr ADRIEN BLOCK//Hofstede van MEJUFFROUW DE WEDUWE/van den HEER ADRIAAN BLOCK”. De afbeelding is genummerd 3, maar in feite is het de vierde afbeelding in het boek, na het gezicht op de stad (titelblad) en gezichten op de Buiten-Amstel (nrs. 1 en 2).

Aemstelhoek was dus gelegen direct aan de rand van de toenmalige stad, ter hoogte van nu de Govert Flinckstraat. In de buurt van de Hoge Sluis, de Utrechtsepoort en maar liefst drie herbergen.

Een erg rustige locatie zal het dus niet geweest zijn, vooral ook omdat de Amsteldijk de drukste toegangsweg tot de stad was, en een prettige omgeving voor wandelaars. Dat wandelen was in de 17de en 18de eeuw een veel beoefend tijdverdrijf en de Amsteloevers waren geliefd. Men kon er terecht in talloze uitspanningen, zoals de Ijsbreker, de Beerebijt en de Pauwentuin. De IJsbreker was de eerste bebouwing buiten de stad aan de Weesperzijde, Beerebijt en Pauwentuin volgden aan de Amstelzijde op de Aemstelhoek.

Door Henk van Ark

Noten

  1. ter Gouw, De Volksvermaken, Amsterdam z.j. (repr.) p. 686-687.
  2. Henk van Ark, “Maria, Adriaan en Joanna”, Welkom in Papyria, nr.5, Rasquert 2013, p. 9-13.
  3. Henk van Ark, “Doopsgezinden en knipkunst”, Welkom in Papyria, nr. 2 , Rasquert 2011, p. 33.

Afbeeldingen:
noord-hollandsarchief.nl
Allard Pierson Museum
Stadsarchief Amsterdam

Wat de la Rue in Amsterdam zag, Papyria 10

In de Lofdichten uitgave van 1736 is een gedicht opgenomen dat niet voorkomt in de roofdruk van 1735. Het gaat om:

“OP ’t GEZICHT
Der weergadelooze Papiere Snykunste, en heerlyke Cieraadjen des Stam-
boeks van de alom beroemde Juffer
JOANNA KOERTEN,
In haar leven Huisvrouwe van wylen de Heere/ADRIAAN BLOK
Is Godlyk iets uit niet te maaken:
Daar naast volgt uit geringe stoff
te vormen zulke schoone zaaken,
Die waardig zyn den hoogsten lof
Otfangen zoo door mond als pennen
Van hen, die edle Kunst erkennen.
Met regt dies pronkt dit Stamboek van
Deez’ Kunstenaaresse, zonder gade,
Met al wat treflyk heeren kan,
Met blyk van Vorstelyke Genade,
Met Puikschrift keur van Beeld en Bloem,
En veeler braafste Digteren roem.
”Gezigt dier onderscheiden dingen,
Zoo fraai, zoo ryklykgeschakeerd my wel ruime stof tot zingen;
Maar KOERTENS Schaar word best vereerd
Door Vollenhove, Brandt en Moonen.
Myn rym zwigt voor hun’ heldetoonen“.

Het gedicht is ondertekend met: “Pr. DE LA RUE
In Amsteldam, den 19den van
Oogstmaand des Jaars 1735”
.

Dit gedicht werd geschreven door Pieter de la Ruë (1695-1770) daags nadat hij een bezoek hand gebracht aan Maria van Arckel, de weduwe en tweede echtgenoot van Adriaan Blok. Deze De la Rue was een doctor in de rechten, advocaat te Middelburg en aldaar schepen, raad, thesaurier en voorzitter van het college van kleine zaken. Na een inzinking in 1720 was hij vanaf 1725 tekenmeester van Zeeland. In 1759 ontslagen uit zijn functie vanwege zijn sinds 1741 teruggekeerde ziekte. In 1802 liet Daniel Rademachter een portret van zijn oom door Georges Kockers graveren. De la Rue had een rijke bibliotheek met vele kostbare en zeldzame werken en schreef over vele zaken, gebundeld tot een “Mengeling van aanteekeningen”. [1]

collectie Rijksmuseum

Belangrijker dan het gedicht uit 1735 is de beschrijving van wat deze Zeeuw bij Maria, toen woonachtig in de Utrechtsestraat in Amsterdam, had gezien. Het is een interessante notitie over Koerten’s knipwerken het zogenoemde Stamboek. De la Rue’s beschrijving, die opgenomen is in zijn “Mengeling van aantekeningen over zaaken en gevallen van verscheiden aardt” werd in 1880 voor het eerst gepubliceerd door Nagtglas [2] en veel later door Post in een breder kader geplaatst [3]. Bijna 1400 aantekeningen, geschreven tussen ca.1720 en 1742, staan in vijf banden bijeen, handelend over zaken als recepten en stadsnieuwtjes, persoonlijke zielenroerselen, opvattingen over dans en toneel, bibliografische checklisten, enzovoort [4]. Toen De la Rue het Stamboek inzag was het nog niet ingebonden. De erfgename wilde dat wel laten doen. Volgens De la Rue zou het wel drie grote folianten gaan omvatten [5].
De la Rue noteerde over zijn bezoek aan Van Arckel [6]:
“Ruim zozeer bezienswaardig, is de alomvermaarde Papiere Snykunst, endaaruit ontsprooten heerlijk Stamboek der beroemde juffrouwe Johcinna Koerten, eerste huisvrouwe van Adriaan Blok by wiens laatste huisvrouw, en (1735) woonagtig in d’utrechtsche straat dat beide nog te zien is. de snykonst hangt in eene Kamer byeen, en bestaat in plat en opwerk. Het opwerk hebbe ik veel fraaier te Rotterdam gezien, dog het platwerk is zeer fraai niet alleen, maar zoo het waarlyk met eene schaare gesneeden is, verwonderlyk kunstig. Het vertoont zig als net geschaduwd printwerk en bestaat de schaduw alleen in zeer fijne sneedjes of knipjes, zooals men mids die stukken tusschen twee spiegelglazen hangen, tegen het doorspeelend ligt, zien kan. De voornaamste dier nog overig zynde kunststukken zyn (hangende als schilderytjes van verscheidene grootte in zwarte lystten) Twee zeer uitvoerige landgezichten Het Ygezicht naar eene Schildery van Stork een keurlyk Bloemstuk met eene afhangenden spinnekop. Voorts de Portraiten van.

Czaar Peter            Balth. Bekker in zyne studeerkamer, zeer uitvoerig.
Koning Willem III
Prof Francius          Galenus Abrahamsen met een Grieksch testament
en
De Raadspens. J. de Witt, dog dit is wat geschonden

Haar zoogenaamd Stamboek zal, als ‘t met alle zyne fraayigheden saamgebonden is (zooals ‘t voorneemen van A. Blok was, en nu nog van zyne weduwe schynt te weezen) naar gissing uitmaaken drie groote folianten. Het bestaat uit [1] origineele handschrjften van hooge personalien keizeren, koningen, prinsen, graaven edelen enz

2 uit gedigten van meer en min beroemde digteren met eigene hand geschreeven. 3 uit zeer heerlyke zinnebeelden, portraiten en bloemstukken zoo getekend als in water- en olyvervye geschilderd door de voornaamste kunstenaars en kunstenaaressen. 4 en eindelyk uit d’allerkeurlykste staaltjes van schryfkunste door Gadelle, Krama, enz. s ‘anderendaags zond ik aan de Bezitster ook eenen geschreeven Rym, slaande op al dat fraai. ‘t staat onder myne gedigten“.

Om diverse redenen zijn deze aantekeningen van De la Rue interessant. Allereerst meldt hij de de papiere snykunst van Koerten (nog steeds) alom vermaard is en dat rechtvaardigt een bezoek aan de weduwe Blok in 1735, dus twintig jaar na het overlijden van Koerten. Mogelijk was dat ook de aanleiding om de Lofdichtenuitgave van 1735 uit te brengen, gekoppeld aan een hoeveelheid, door Moffit Peacock veronderstelde, Amsterdampromotie [7]. Bovendien was De la Rue bekend met papierknipkunst. Het papieren opwerk had hij in nota bene Rotterdam beter gezien. Het kon dan zijn gegaan om werk van Gillis van Vliet en nog meer waarschijnlijk papierkunst van Elisabeth Rijberg. Die was met meer ruimtelijk werk, ook gezien haar geknipte papieren bollen, tot veel in staat geweest. Het knipwerk van Koerten hing op een kamer bij elkaar, een mooi knipkunstkabinet, ongetwijfeld met oog op bezoek ingericht. De la Rue kon het platwerk zeer waarderen, hij beschrijft het als “geschaduwd printwerk” dat tussen twee glazen spiegelglazen is geplaatst waardoor het door het doorspelende licht bekeken kan worden. Het was één van de effecten die Koerten toepaste om met haar knipwerk indruk te maken [8]. De la Rue noemt als werken van Koerten het Gezicht op het IJ, naar een schilderij van Stork en een bloemstuk en de portretten van Peter de Grote, Koning-stadhouder Willem III, Professor Francius, Balthasar Bekker en Jan de Witt. Een beperkte keuze uit wat er te zien moet zijn geweest. Interessant is zijn opmerking over de enigszins geschonden staat van het de Witt portret. Het zogenaamde Stamboek bestond volgens hem uit vier onderdelen: 1) handschriften (handtekeningen) van belangrijke personen, 2) gedichten, 3) tekeningen en schilderijen en 4) schrijfkunst.

Een vergelijking met wat Zacharias von Uffenbach in 1711 bij Joanna Koerten aan de Nieuwendijk zag toont grote overeenkomsten, maar ook een duidelijk verschil. Hij zag bij haar 32 knipsels, waarbij veel nieuwe kunstwerken die hij bij zijn eerste bezoek aan de kunstenares in 1705 nog niet had kunnen bekijken. Koerten had dus flink doorgewerkt. Hij noemt portretten van Peter de Grote, Willem III, de Witt en Petrus Francius, geeft hoog op van de bloemenvaas en Koerten’s reliëfwerk (in vergelijking met wat hij te Rotterdam had gezien naar de tekening beter) en vermeldt het doorzichteffect, dat door deurtjes aan de achterzijde van het knipwerk open te zetten, kon worden bewerkstelligt. Opvallend is echter dat deze kunstkenner en boekenliefhebber het niet heeft over een handtekeningen (boek), tekeningen van kunstenaars en kalligrafleën. Over een eventueel bestaand Stamboek, of plannen daarvoor, rept hij niet.

Het gedicht van De la Rue kon nog net worden opgenomen in de Lofdichten uitgave van 1736. Waarschijnlijk heeft Maria van Arckel het initiatief tot deze publicatie genomen, mogelijk als reactie op de roofdruk van 1735. Knipsels en Stamboek bleven bij elkaar, op enig moment kwam dit geheel in bezit van de koopman Pieter Testas de Jonge. Wat er na 1737 precies gebeurd was niet bekend, Plomp heeft tevergeefs geprobeerd dit boven water te brengen [9]. Maar, we weten nu dat de gehele Koertencollectie door Van Arckel werd vermaakt aan Sara Outgers, de vrouw van Pieter Testas [10]. Een duidelijke opzet om de collectie in de familie te houden. Uiteindelijk schakelde Testas, niet voor niets koopman, makelaar Hendrik de Leth in om het geheel aan de man te brengen. Er verscheen een catalogus, in Nederlandse en Franse versie. De verkoop lukte kennelijk niet erg er is sprake van verschillende veilingen na 1750.[11] Het meest bekend is een veiling te Rotterdam waar een belangrijk deel van Koertens werk en Stamboek uit het bezit van Michael Oudaen werd geveild. Zo raakte het werk van Koerten uit elkaar en is er veel bewaard en veel verloren (bijvoorbeeld. de handtekeningen van bezoekers) gegaan.

Door Henk van Ark

Noten

  1. Rue, Pieter de la Rue, NNBW7 (1927), p. 1072-1073.
  2. Nagtglas, “Wat een Zeeuw anderhalve eeuw geleden in Amsterdam zag”, De Navorscher, 30 (1880), p. 433-438.
  3. S .D.Post, “De aantekeningen van Pieter de la Ruë. Een 18 eeuwse bron voor receptie-onderzoek op letterkundig gebied, De Nieuwe Taalgids 86 (1993), p. 405-420.
  4. Idem, p. 406.
  5. Idem, p. 4.
  6. Pieter de la Rue, Mengeling van aantekeningen over zaaken en gevallen van verscheiden aardt, UBA, signatuur Hs XIV H 1 tm 5, deel III, Derde Stuk, Tiende Hoofdstuk, nr. 8, p. 5-6.
  7. Zie het opstel “Dichters en lofdichten” in dit nummer.
  8. Zie het opstel “De special effects in het werk van Koerten” in dit nummer.
  9. Michiel Plomp, “De portretten uit het Stamboek van Joanna Koerten (…), Leids Kunsthistorisch Jaarboek, VIII (1989), p. 328.
  10. Joke en Jan Peter Verhave, Joanna Koerten en haar Schaar van bewonderaars, Amsterdam 2015, p. Ruud Lambour verstrekte de volgende gegevens: In haar testament (notaris Jan Barels, 6 maart 1731) had Maria van Arckel haar bestaande in het sneijwerk de teekeningen, en verdere konststukken door wijlen Juffr Johanna Coerten in papier gesneeden, met de naald geborduurt off geteekent” geprelegateerd aan Sara Outgers, de vrouw van Pieter Testas junior. Geprelegateerde goederen worden in boedelinventarissen niet exact stuk voor stuk beschreven, maar samenvattend gememoreerd. Zo ook in de sterfhuisinventaris van Maria van Arckel, zie notaris Mathijs Maten de Jonge, 22 oktober 1737, waarin onder het kopje “konst” het volgende staat: “all de papierkonst bestaande in het sneywerk, de teekeningen, en verdere konststukken, door Johanna Coerten in papier gesneeden, met de naald geborduurt off geteekent. Bestaande in vijffendertigh stuks borden off schildereyen in swarten lijsten met glas voort sny of teekenwerk. Nogh vier stuks snywerk in gecouleurde lystjes met vergulde randjes, mede met glas daarvoor dogh niet gesneeden door Johanna Coerten, maar van buyten aangekogt. Elff boeken off portefeuilles waarin diverse teekeningen, printen, schriften en andere konst. Nogh eenige losse konst en teekeningen.
    (schriftelijke mededeling  J .P. Verhave, 5 november 2014).
  11. Plomp, o. c., p. 328 en noot 20.

Dichters en lofdichten, Papyria 10

1. Twee versies
Kort voor de dood van Maria van Arckel in 1737, na Joanna Koerten de tweede echtgenote van Adriaan Blok, verschenen in 1735 en 1736 twee versies van lofdichten op het knipwerk van Koerten. De beschrijving ervan en de verklaring voor de twee uitgaven over hetzelfde onderwerp is te vinden bij Van Dokkum en Wijnman. De laatste vermeldt hierover in zijn lemma over Koerten in het Nieuw Nederlandsch Woordenboek [1]:

Na haar dood heeft haar echtgenoot (bedoeld is Adriaan Blok, HvA) de collectie intact gehouden. Daarenboven verzamelde deze de talrijke lofdichten op de kunst van zijn overleden echtgenoote (gecalligrafeerd door Jac. en Leonoor Gadelle, Elisabeth Crama e. a.) en voegde hieraan onder andere toe de portretten van vorstelijke bezoekers en van de dichters der lofzangen, die hij door goede artisten (Nic. Verkoije, Lud. Bakhuizen, M. Hondecoeter en anderen) liet teekenen. Een en ander vormde in zijn tijd zoo beroemde “Stamboek” van Joanna Koerten, bestaande uit eenige folianten. De lofdichten legde hij successieveljjk per perse; na zijn dood voegde zijn weduwe Maria van Arckel nog enkele vellen toe (het laatste gedicht is van Pieter de la Rue, wiens bezoek aan de collectie bij de weduwe Blok in 1735 in den Navorscher XXX (1880), 436 beschreven wordt en is gedateerd den 19den van Oogstmaand 1736), voorzag het van een voorwerk met korte biografie en zoo ontstond het werk Gedichten op de overheerlyke papiere snijkunst van wyle Mejuffrouwe Joanna Koerten, huisvrouwe van wylen den Heere Adriaan Blok; gedrukt na het origineel Stamboek. Benevens een korte schets van haar leven. 4o (Amsterdam 1736). Van Dokkum onderstelt, dat een tweede uitgave, getiteld Het Stamboek op de papieren snijkunst van Mejuffouw Johanna Koerten, huisvrouw van den Heer Adriaan Blok; bestaande in Latijnsche en Nederduitsche gedichten der voornaamste dichters. 8o (‘t Amsterdam voor rekening van de Compagnie 1735) een gestolen nadruk was der losse vellen van de eerst volgend jaar verschenen eerste uitgave. Beide bundels bevatten ongeveer dezelfde gedichten, maar een andere voorrede en een ander portret. Niet minder dan 117 min of meer bekende dichters en dichteressen hebben bijdragen geleverd voor beide bundels; onnoodig te zeggen is dat de poëtische waarde er van vrijwel miniem is”.
Wijnman noemt in zijn stuk vervolgens nog enige gedichten die niet in de gedrukte versies zijn opgenomen.

In het Koerten nummer van onze Nieuwsbrief stelden we al in 2000 de vraag wat de reden kon zijn dat zo kort na elkaar twee versies van lofdichten op het werk van Koerten verschenen zijn. Moffit Peacock meent dit ten dele te kunnen verklaren door de aanname dat de versie uit 1735 te maken zou kunnen hebben met de promotie van Amsterdam en de connectie Amsterdam-Koerten, die blijkt uit diverse kunstwerken en gedichten [2]. Deze opvatting zou gestaafd moeten worden, wil die definitief overtuigen, door andere voorbeelden van Amsterdampromotiepropaganda, want alleen het verschijnen van een enkele uitgave van Koertens lofdichten lijkt ons daarvoor niet voldoende. Wel kan het zijn dat het twintigste overlijdensjaar van Koerten bij deze uitgave een rol heeft gespeeld. Opgemerkt moet verder worden dat de titel van het boekje bedrieglijk is, wat wel past bij het beeld van snelle propaganda om de centen. Het gaat niet om het stamboek van Koerten, dat een veel grotere verzameling was, maar om een keuze uit de lofdichten op Koerten, niet minder maar ook niet meer.

Het jaar erna (1736) verschijnt de andere versie van de lofdichten met de juiste titel “Gedichten, enz.”. Mogelijk is dit een initiatief van Blok’s tweede vrouw, Maria van Arkel, die een jaar erna overleed en toch nog snel een eerbetoon aan Koerten wilde uitbrengen. ook is het ongetwijfeld een reactie op de roofdruk van 1735, want in de inleiding van de 1736 bundel wordt duidelijk gesteld dat het hier gaat om de “echte en rechte afdrukzels van de Origineele Versen (…)“ [3]. De voorrede van dit boek is veel omvangrijker en informatiever dan de uitgave van 1735 en -vanwege de volledigheid- zonder twijfel door een ingewijde opgesteld. Van Arkel werd in 1735 nog bezocht door Pieter de la Rue die in zijn beschrijving meldt wat de (= haar) plannen met Koertens Stamboek waren, namelijk het inbinden van het materiaal in enige grote folianten. Daar is het nooit van gekomen, zoals duidelijk wordt uit de Testas catalogus. Het verhaal van de roofdruk uit 1735 en de daarop volgende uitgave in 1736 is door alle schrijvers over Koerten overgenomen, ook door de Verhaves in hun artikel bij de tentoonstelling in Amsterdam [4]. Hun zienswijze is op zijn minst warrig noemen. Ze schrijven:

Intussen had Adriaan Blok omstreeks 1694 een map aangelegd waarin bezoekers hun handtekening of ontboezeming konden schrijven. Die map is verloren gegaan, maar in 1736 gaf Pieter Testas de Jonge de gedichten uit in een bundel: “Gedichten op de overheerljke Papiere Snykunst van wyle Mejuffrouwe Joanna Koerten. Daarin zijn ongeveer 120 gedichten en rijmen opgenomen. Van die gedichten bestaan twee uitgaven naar het originele Stamboek de een uit 1735 en de ander uit 1736. waarschijnlijk is de eerste een “roofdruk”. Enige pagina’s later wordt er nog een schepje bovenop gedaan: ”Pieter Testas de Jonge was kunsthandelaar en in 1736 liet hij twee uitgaven publiceren: Het Stamboek op de papiere snijkunst van Mejuffrouw Joanna Koerten en de al eerder genoemde Gedichten. Die publicaties naar de oorspronkelijke handschriften waren bedoeld ter bevordering van de voorgenomen veiling van het Stamboek en de verzameling knipwerk”. Het waarom van twee totaal verschillende uitgaven en het veronderstelde voornemen van een veiling (dan al) wordt op geen enkele manier verder toegelicht en door het ontbreken van verwijzingen in voetnoten is het onmogelijk te bepalen of het gaat om ontdekt schriftelijk bewijs of slechts de particuliere opvatting van de schrijvers.

  1. Over de dichters

De uitgaven van 1735 en 1736 bevatten voor een groot deel dezelfde gedichten, maar zijn toch heel verschillend. Zo hebben de bijdragen van vrouwen in de uitgave van 1736 (die wij als de originele beschouwen en steeds als uitgangspunt nemen) een prominente plaats in. Ze staan als eerste voorin en zijn na elkaar afgedrukt, merkwaardig dat, gezien de invalshoek van haar onderzoek en publicatie, Moffit Peacock dat niet is opgevallen, al noemt ze op zich de dichteressen wel. Het betreft gedichten van: Kataryne Lescaille, Gesine Brit, Annna Insma, Maria Sybilla Meriaan, Maria Garnier-Bourget, L. Smids (?), C. Bruin, geschreven door Elisabeth Crama, Alida Matthys en Geertruyd van Halmael.

Het meest in het oog springt het gedicht van Gesine Brit “Koridon”. Het is een herderszang op de Papiere Snykonst van Joanna Koerten, die opgenomen werd in de levensbeschrijvingen van kunstenaars van Arnold Houbraken en Jacob Campo Weyerman. Brit (1669?-1747) was befaamd om haar bijdragen (vaak anoniem) aan liedboeken, de doopsgezinden waartoe zij net als Koerten behoorde kenden een bloeiende zangcultuur met talrijke liedboeken. Veelvuldige oefening daarin kan een verklaring zijn voor Brits soepele wijze van dichten, terwijl ze ook met kennis van zaken gebeurtenissen en personen verwerkt uit de Bijbel, de klassieke oudheid en de eigen vaderlandse historie Ze vertaalt in 1696 het Latijnse gedicht van Martinus Crellius voor Koerten en maakte in 1699 haar eigen herderszang. In “Koridon” vergelijkt ze het effect van de lente op de natuur met de wijze waarop de Amsterdamse knipkunstenares levenloos wit papier tot leven wist te wekken en doet dat op zo’n wijze dat ook lezers een levensecht beeld van Koertens werk krijgen. Bovendien passeren alle bekende werken van Koerten de revue en zo wordt een mooi overzicht van haar belangrijkste werk gegeven [5].

Na de gedichten van vrouwen volgt een lange reeks bijdragen van dichters, waaronder als eerste gedichten van hoogleraren, predikanten, kerkleraren, doctoren en de secretaris van de stad.

Van Abraham Bogaert (1663-1727) [6] (afb. 7) zijn de meeste gedichten (7) opgenomen. Bogaert was apotheker en arts en maakte diverse reizen in dienst van de VOC naar Azië. Hij was ook schrijver een dichter, zijn bekendste boek is een publicatie over reizen in Azië, uitgekomen in 1717. Maar hij schreef ook het in 1697 “De Roomsche Monarchy”, een boek dat waarschijnlijk de aanleiding voor Koerten was haar meest bekende papieren kunstwerk “De Romeinse Vrijheid”, ook, wel “De Twaalf Keizers” genoemd, te maken. Versregels van Bogaert zijn onderaan in het knipsel te lezen, ragfijn door Koerten uitgesneden.

 

David van Hoogstraten (1658-1724) [7] was medicus van opleiding en korte tijd apotheker in Dordrecht. Hierna werd hij in 1694 conrector van de Latijnse school in. Amsterdam, een functie die hij tot 1722 bekleedde. Hij had veel belangstelling voor de Nederlandse taal en letterkunde en maakte in 1695 een in het Latijn geschreven vers voor Koerten, ongetwijfeld na een bezoek aan haar atelier. Ook schreef “Der Medicijnen Docter” in 1697 een in het Nederlands geschreven lofdicht en schreef diverse gedichten op geschreven en getekende lofuitingen op Koerten en haar werk. Joanna Koerten zal zeker verguld geweest zijn door zijn bijdragen, ze knipte in 1706 een portret van Van Hoogstraten nadat zij een prent van zijn portret in handen had gekregen. Dit portret was bedoeld voor haar kabinet en was een illustratie van haar vakmanschap en om te laten zien hoe de haar zo welgevallige geleerde dichter eruit zag.

Petrus Francius (1645-1704) [8] was hoogleraar in de welsprekendheid, de geschiedenis en het Grieks aan het Amsterdamse Athenaeum Illustre en een Latijns redenaar en dichter. Francius (Pieter de Frans) schreef Latijnse gedichten voor diverse geknipte portetten die in Koertens kabinet een rij van bekende figuren gevormd moet hebben. Deze verzen zijn ook in de Lofdichten uitgaven te lezen. Het gaat om: Leopold III, Peter de Grote, Willem III, Lodewijk de Grote, Frederik III, Cosimo III. Joanna knipte ook zijn portret en daaraan zijn enige lofdichten (van Adriaan Relandus, Joannes Vollenhove en Siward Haverkamp), gewijd.

 

De keuze voor de gedichten en ook de dichters moet grotendeels zijn bepaald door Adriaan Blok. Van Dokkum schrijft daar al over in zijn artikel van 1916 [9]. Hij baseerde zich daarvoor op de voorrede van de uitgaven van 1736 (p. 5-7) waarin staat: “Gebruik dan deze bondel van Gedichten, gunstige Lezer, tot nut en vermaak; en wees verzekert, dat het de echte [!] en rechte afdruksels zyn van de Origineele Versen, door wylen den Heere Blok van tydt tot tyd verzamelt, en telkens ter drukperse gebragt, als hy zoo veel by een hadde dat het een vel konde beslaan, en uitmaaken, ‘t welk de reden was, dat de bladen onder aan op eene ongewoone wyze geteekent zyn en dus in ordre moeten gelegd worden als dit teken / zo ver ‘t zeifde loopt (…)“ [10]

Adriaan Blok koos niet alleen die gedichten uit, hij liet ook portretten tekenen van de schrijvers die zijn vrouw geroemd hadden en van de veelal hooggeplaatste personen die haar bezocht hadden. Bovendien liet hij allegorische tekeningen maken die vaak weer refereerden aan de geschreven loftuitingen. En vervolgens liet hij weer portretten maken van de tekenaars van deze zinnebeeldige tekeningen. Het geheel werd zo een heel kunstzinnig bouwwerk dat samen met de knipsels van Koerten tot Stamboek werd verheven.

Verdere bestudering van de gedichten en dichters kan ons nog meer inzicht geven in welk religieuze en kunstzinnige milieu Joanna en haar echtgenoot verkeerden. En dat kan weer een goede bijdrage zijn voor het in kaart brengen voor delen van de “culturele industrie van Amsterdam” in de 17de en vroege 18de eeuw.

Door Henk van Ark

Noten

  1. F.Wijnman, “Koerten”, NNBW, X, p. 478-482.
  2. Martha Moffit Peacock, “Paper as power. Carving a nich for the female artist in the work of Joanna Koerten”, Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek, 62 (2012), LeidenlBoston 2013, p. 260.
  3. Lofdichtenuitgave 1736, Inleiding p. 5-6.
  4. Joke en Jan Peter Verhave, Joanna Koerten en haar Schaar van bewonderaars, Amsterdam 2015, p.19 en 31.
  5. Els Kloek, 1001 Vrouwen (…), Nijmegen 2013, nr. 410.
  6. Ruys, Abraham Bogaert, NNBW 3; P. W. Witsen Geysbeek, Biographisch, anthologisch en critisch woordenboek der Nederduitsche dichters, deel 1 (ABE-BYN (1821).
  7. Michiel Roscam Abbing, Joanna Koerten (1650-1715) en David van Hoogstraten (1658-1724). Een bijzondere relatie tussen twee bekende Amsterdammers, Amstelodamum, jrg. 94, nr.2 (2007), p. 14.
  8. W.Witsen Geysbeek, Biografisch, anthologisch en critisch woordenboek der Nederduitsche dichters, deel 2.
  9. D.C van Dokkum, Hanna de knipster en haar concurrenten (…), Het Huis Oud en Nieuw, jrg.13 (1916), p. 348.
  10. Zie noot 3.

Koerten en het onderwijs in de knipkunst, Papyria 10

In de schitterende collectie Van Eeghen, ondergebracht in het Gemeentearchief van Amsterdam, bevindt zich de tekening “Johanna Koerten op de kunsttroon” van de hand van Arnold Houbraken (1660-1719). In de catalogus van deze verzameling [1] werd deze tekening, een opzetvel met daarop een tondo met allegorische voorstelling geplakt, met daaronder een tekstveld in de vorm van een draperie, in 1989 als volgt beschreven:
Rechts zit Joanna Koerten op de “kunsttroon” met een schaartje in de ene en een palet met penselen in de andere hand. Tegenover haar twee vrouwen met kunstwerken van Koerten, een geborduurde of geknipte strook en een beeldje. Twee putti spelen met een troffel en een klosje (?). Op de grond ligt bij een tekening van een vestingwerk nog meer gereedschap van de kunstenares: een schaaf een houten hamer een beitel en een klauwhamer. Op de achtergrond boven de toppen van een paar bomen, schijnen de maan en enkele sterren.”
Het lofdicht in het tekstvel luidt:

JOANNA KOERTEN op de Kunsttroon
Dus prijkt JOANNA, mildt beschonken door Godts gunst
Met edle gaven en een ongemeene kunst
Zij giet in wasch, borduurt en toont voor ons gezicht
Gebootste beelden, daar Natuur in glans voor zwicht.
Haar kunstschaar voert haar naam met roem door Nederland
Dat als verbaast staat op het snijwerk van haar hant;
Waardoor zijn nu met recht den gloritroon bekleedt
Terwijl men voor haar kruin de schoonste Kunstkroon smeedt.
Arnold Houbraken“.

Moffit Peacock [2] schrijft over deze tekening: “The inscription claims that Koerten is worthy of being placed on the throne of art because of her amazing creations known throughout the Netherlands. Thus, she is depicted above the inscription with a baldachin overhead. She opens her famed scissors in her right hand and holds a palette with brusches in her left. She is posed in an authoritative position, instructing what appear two young pupils seated before her. One balances a sculpted figure with her hand while the other grasps a paper-cutting. Spread on the floor between them are two putti playing amongst other artistic tools such as the chisel hammer, plane and marble used in the art of sculpture, as well as more paper cuttings. It is an unambiguous claim for the fame of the artist and the status of her medium as an equal and high art form“.

Het verschil in beide beschrijvingen is duidelijk. De Amsterdamse catalogus houdt het algemeen en voorzichtig, Moffit Peacock tracht aan de hand van dit stuk vooral haar stelling dat Koerten met haar uitgekiende techniek en onderwerpkeuze zich op het podium van de hoger ingeschatte kunsten probeerde te veroveren te bewijzen. Daarvoor pakt zij in haar weergave de nodige vrijheid van interpreteren, die niet altijd overtuigend overkomt. Zo is het voorwerp in de hand van de vrouw links in de Amsterdamse visie een borduursel óf een papierknipwerk, bij Moffit is er alleen sprake van knipwerk. Dezelfde opvatting zien we ook bij de voorwerpen aan de voet van de troon. De Amsterdamse beschrijving vermeldt de “tekening van een vestingwerk”, bij Moffit is dit direct: “more papercuttings”. Belangrijk voor het onderwerp van dit opstel is dat Moffit de twee afgebeelde vrouwen, waarvoor diverse interpretaties mogelijk zijn, ziet als “two young pupils” . In haar ogen lijken (appear) het dus leerlingen van Koerten te zijn. En dat brengt ons bij de vraag of Koerten leerlingen heeft gehad en dus onderwijs in de knipkunst heeft gegeven.

Daarvoor is geen bewijs gevonden. We moeten het doen met enige opmerkingen in de korte levensschets in de Lofdichten uitgave van 1736. Daarin lezen we:
Maar de Konst, waar op haar Geest in ‘t byzonder gevallen was, en die ’t voornaam voorwerp deezer Gedichten is, bestond in het knippen met de Schaare, waar in zy in haaren tyde geen weerga had en mooglyk nooit zal krygen, hoe zeer sommigen zich daar toe bevlytigt, al hun vernuft in ‘t werk hebben gestelt; want in die tyd zag men verscheide Liefhebbers, door haar voorbeeld aangespoort, zich toeleggen om ‘t zelve niet slechts te volgen, nemaar, ware ‘t mooglyk voorby te streeven; doch de meesten hebben ‘t al in den aanvang laaten steeken uit aanmerking van ‘t ongelooflyk taay gedult, en den langen tydt, zie zy daar aan moesten besteden, behalven ‘t nadeel, ’t welk zy daar door aan hun gezicht toebragten, waarover onze Konstenaresse zich ook dikwils heeft beklaagt, doch ‘t geen tegen haare Liefde en Yver voor de Konst op verre na niet konde opwegen

En:
Dus bleef zy niet lang onbekent; maar haar naam en roem breidde zich haast wyd en zyd uit, en men zag van tyd tot tyd ontallyk veele Vorstelyke en aanzienlyke Personaadjen, allerlei Konstenaars en Liefhebbers van alle kanten, niet alleen van ons Nederland maar genoegzaam van alle gewesten te zamen vloeyen, om de zeekerheid van ‘t geen zy gehoort hadden door hun gezicht te vernemen, welke zy altyd met de hoogste achting en uiterste vriendelykheid ontfing en gulhartig alles liet zien, ja zelfs trof zy zomwylen iemand aan, waarin zy eenigen zucht tot de Konst bespeurde dien bood zy de behulpzame hand en zoo hy reeds eenige ondernemingen had gemaakt, zy spoorde hem verder aan“.

Koerten had dus geen geheimen rond haar papierkunst. Ze toonde haar werk en was bereid de oprechte liefhebber verder te helpen of advies te geven. Het vergde ook nogal wat inspanning, zeker op de manier waarop Koerten haar werk vervaardigde. Het kostte niet alleen veel tijd en geduld, ook was het slecht voor het gezichtsvermogen. Maar over leerlingen geen enkele vermelding.

Toch kan het zijn dat de Amsterdamse knipster betrokken is geweest bij onderwijs in het papierknippen. Dat heeft dan te maken met een cursusboekje dat in 1686 bij uitgever Jan ten Hoorn in Amsterdam verscheen onder de titel “Konstig en vermaakelijk tijd-verdrijf der Hollandsche Jufferen of onderricht der papieren snijkonst. Om in ‘t kort, uit wit papier alderly figuren op het kunstigste te kunnen snijden”.

Van Dokkum [3] suggereerde al, zonder het boekje overigens gezien te hebben, dat “Janneke Coerte” wel eens hij de samenstelling van dit werkje betrokken zou kunnen zijn geweest; hoewel zij zeker niet de enige was die de papieren snijkunst in die tijd op artistieke wijze beoefende. Wijnman [4] die Van Dokkum in dit verband aanhaalt, nam deze veronderstelling over, maar ook hij had de uitgave niet in handen gehad.

Het unieke boekje is echter al eens vermeld in een catalogus uit 1911, uitgegeven door Martinus Nijhoff van boeken die zijn verschenen over vrouwelijke handwerken in Noord-Nederland “van den vroegsten tijd tot op heden (1910)”. [5]

In 1930 verwierf het Rijksmuseum een exemplaar uit de verkoop van de bibliotheek van Dr.D. F. Scheurleer door Van Stockum. Voor Catharina van de Graft was het hierdoor mogelijk de uitgave te bestuderen en uitvoerig op de inhoud in te gaan in haar eerste Historia artikel over papierknipkunst. [6]

“Konstig en Vermaakeljk Tyd-Verdryf” is een bescheiden boekje met een rijke inhoud van veertig pagina’s, waarin een opdracht (van Anonymus aan Me Juffer Anonyma, p. 3-4), veertien hoofdstukken( p. 5-40) en twee ongepagineerde gedichten. Het wordt gezien als het eerste deel, Van de Graft [7] schrijft in haar artikel dat het tweede deel bestond uit 900 modellen om na te snijden, maar dat dat helaas niet bewaard is gebleven. Deze vermelding is vaak overgenomen maar lijkt niet juist. In het boekje worden twee hondertallen van voorbeelden (modellen) aangegeven. Het gaat om “Waapenen” (hoofdstuk 6) en “Blaaden, Bloemen, en Vruchten” (hoofdstuk 8). Op de laatste pagina van het boekje wordt duidelijk wat wel de bedoeling was: “Het eerste en tweede Honderttal van de Modellen, wordt by een boekje verkogt waarin 100. Modellen zijn, genommert als in dit werk gedaan is: soo dat men sonder de Model in deese Konst weynig sal konnen uytrechten. De andere volgende Honderttallen, sal men ook by 50 ofte 25 koopen konnen voor een reedeljke prijs“.
Maar het ging nog verder dan het verkopen van het lesboekje en de uit of na te knippen modellen: “Men sal ook konnen bekoomen gesneeden werken, als Bortjes of Schildereytjes van Boem-potten, Somertjes, Wintertjes, Jachten, altijdduurende Almenakken, en andere Bloem-potten, van Saaden, Schelpen, Blaaden en andere stoffe gemaakt, nooyt van andere sulx en van die stof voor een reedeljke prijs“.

Eigenlijk de aanzet tot een hele knipkunstindustrie, die toen niet van de grond is gekomen. Het enige wat ervan rest is het tekstboekje, waarmee men volgens de samensteller zonder voorbeelden maar weinig uit kon richten. Wellicht zijn de twee aangekondigde voorbeeldboekjes wel verschenen, maar verloren gegaan of verknipt, waarschijnlijk is dit echter niet.

De schrijver/samensteller (“Anonymus”) stelt in de opdracht dat het gaat om “een vermaakeljke tijdverkortinge, tot een verpoosing en ruste van dingen van meerdere gewichte “(1..). “Terwijl men hier mee sich ophoud soo word ondertusschen, ‘t vernuft als ontspannen, en de hersenen verfrist: om dingen van hooger en gewichtiger belang te betrachten“. Maar dat papierknippen vermag veel: “Het geen een Teykenaar in de Teykenkonst met een pen, penseel en verf doet; dat doen wy alleen met een Schaerje en Mesje sonder verf in sommige gaatse weeder de Teykenkonst te booven“. De schrijver geeft het doel van het instructieboekje duidelijk, aan:
Hier dan ben ik Mejuffer op uyt, om haar alsoo te vercieren en te volmaaken, en haar aan elckeen bevallig te doen zijn. Hier mag ik alle Liefhebbers belooven, indiense maar de moeyte gelieven te neemen, en de Konstreegelen en waarneemingen te achtervolgen, dat se daar in sullen soo volkomen worden, datse selfs daar in sullen verwondert zijn: en andere ook; sullen haar werk; ‘t geen met lust gesneeden is, booven alle Teykeningen achten: dewijl het meerder Konst sal geacht worden, uyt een onbequaame stoffe iets konstig te maaken, als of het uyt een bequaame stoffe waar. De duursamheyd des Papiers, mag men stellen met de Teykeningen en Schildereyen gelijk”.

Interessant zijn eveneens de twee gedichten aan het einde van het boekje: “Op deese Vermaarde en welbedachte SNY-KONST” en “noch; Op het aardig en seer vermaakeijk werk der WITTE-PAIPIERE-SNY-KONST”. Het eerste gedicht heeft een overwegend religieuze connotatie:
En al waarmee God ons komt verrjken,
Van deese die u deese Konst meedeelt
Gy soud dan sien hoe Hy daarin vereelt
Met reeden daar van ook wel mocht schrijven
Ik heb ‘t gezien, getuyge door ‘t gesicht,
Sijn aardigheyd die voor geen Beeldwerk swight
En hoe hy met Modellen komt gerieven,
Sijn Schaar sije Mes die snyd een Schildery
Als of gy saagt, van verr ‘en van naaby
d’Aanlokkend
Waar doorje, ‘t geen den Hemel, Aard’en See gaat toonen,
Seer licht kond maaken uit papier’ en dus Konst, in rechten aard herleeven.
Koop maar dit boek Boek en ook Model Papier,
Gy sult geleerd dan snyden tot een Mier
En in de Konst ten rechten zijn bedreeven.

Het tweede gedicht luidt:

Dat Neerlands Volk door Konst, door geeft en aardigheyd
and’re Volkren wordt geroemt en hoog verheeven,
Is niet alleen, om dat het daar in is bedreeven;
Maar die Konsten door Mond door Pen en Druk versprijd
De WITTE SNY-KONST aan Mejuffers toegedacht
Waar doorje ‘t geen den Hemel, Aard ‘en See gaat toonen,
Seer licht kond maaken uyt Papier, en uw dus kroonen;
Geljk een Schilder, door sijn Konst seer hoog geacht.
’t Verachterljk spreeken van d’Onweetenheyd en Nijd,
Laat weg nog middel vinden dees KONST te setten,
Al is ‘t haaters, en het vyands volk ten spijt.
Ik soek te leeren
“.

Van de Graft merkte in haar artikel al terecht op dat het boekje van grote waarde is omdat het ons het materiaal en de techniek leert kennen. Ook wordt duidelijk dat de uitgave alleen maar kon worden geschreven door iemand die al in 1686 de nodige ervaring met het papierknippen had. De vraag is dus: wie zou dat kunnen zijn?

De uitgever van “Konstig en Vermaakelijk Tyd-Verdrijf’ was Jan ten Hoorn (1639-1714). Hij had van 1671 tot 1714 een boekwinkel op het Oude Heerenlogement met het uithangbord “History-schryver”. Een uitgever die bereid was bijzondere boeken uit te geven. [8] Bovendien was in zijn winkel, zoals op pagina 40 van het boekje wordt aangegeven, materiaal en gereedschap voor het papierknippen te verkrijgen. Sterker nog, Ten Hoorn kon zelfs adviezen geven, hij kon: “een jeeder die begeert, van alles [sal] aanwijsinge doen; deeses konst aangaande”. De uitgave van het boekje is het product van een echte uitgeversstrategie. Er is sprake van een duidelijke doelgroep, bij de uitgever kan met de boekje kopen en gereedschap en materiaal voor het papierknippen en later zullen nog veel meer modellen te koop zijn (per 25 of 50). Alleen de belangstelling ervoor lijkt niet goed te zijn ingeschat. Dat er in de tweede helft sprake was van “a blosseming art form“, vooral in Amsterdam en Rotterdam -zoals Moffit Peacock meent, lijkt in dit verband een te gemakkelijke veronderstelling en wordt niet aangetoond door het slechts beperkte aantal van ons bekende papierknippers en knipsters. Belangrijk is ook dat, bij veelvuldige oefening en leren, succes wordt beloofd. Met het knippen kon je hetzelfde niveau als een gewaardeerde schilder bereiken, sterker nog “in sommige gaatse weeder de Teykenkonst te booven“.
Verder knipte een van zijn auteurs ook, dat was Steven Blankaert (1650-1702)[9]. De meeste medische en botanische uitgaven die Ten Hoorn uitgaf waren door hem geschreven. Van beiden is wel gesuggereerd dat ze het lesboekje samengesteld zouden kunnen hebben. Van de twee komt Ten Hoorn verreweg het meest in aanmerking, niet alleen omdat hij het boekje uitgaf en men materiaal bij hem kon kopen, maar ook omdat hij als “adviseur” de nodige kennis van en/of ervaring met de knipkunst moet hebben gehad.

Van Dokkum meende, als boven aangegeven, dat Joanna Koerten weleens betrokken zou kunnen zijn geweest. Dat was toen een heel begrijpelijke veronderstelling. Koerten begon haar productie van grotere en nu bekende werken, voor zover we dat nu weten, eigenlijk pas na haar huwelijk in 1691, het eerst bekende gedateerde stuk van haar hand is het portret van Galenus Abrahams uit 1692. Maar het niveau van knippen dat zij toen beheerste was natuurlijk niet zomaar ontstaan. Ook met veel talent en aanleg moet daaraan toch een periode van oefening aan vooraf zijn gegaan. In het boekje wordt op die oefening ook gewezen: “Alle die dan het snyden soeken te leeren uyt dit Boekje sonder Meester, groote lust, ‘t welk gemakkelijk kan geschieden; die moeten een groote lust en yver hebben, met een naarstigheyd sonder verdriet” Op een bepaald moment heeft Koerten ervoor gekozen zich volledig op de witte papierknipkunst toe te leggen. Houbraken verwoordt dat zo:
Deeze Juffrouw was van haar jeugt af aan zeer geneegen om konsten en wetenschappen te leeren, als blykt aan haar treffelyk borduuren, deftig kant- en akernaayen, heerlyk speldewerken, aardig wasgieten, mannelyk schryven, konstig muzyk zingen, fraay met een diamant op drinkglazen spreuken, vogels of bloemen te grieven, verwonderlyk fraay in ‘t vercieren van bloemen en cieraaden, voornamentlyk van zyde gevlogten en doorwerkt, en ‘t schilderen met waterwerven, waar van nog het een en ‘t ander by den Heer Blok te zien is. In dien zy zig geheel tot schilderen had overgegeven, zy zou ongetwyfeit ver in die Konst gevordert hebben. Buiten dit geleit door den rykdom van verstant zette zy zig tot het snyden van velerhande voorwerpen met de schaar van papier. En dat ls zoodaanig dat zy daar door een eeuwige naam gemaakt heeft”.

Moffit Peacock doet geen uitspraak over de betrokkenheid van Koerten bij “Konstig en Vermaakelijk Tyd-Verdryf “. Die is inderdaad ook niet aan te tonen. Sterker nog, Houbraken schrijft in dit verband over haar knipwerk: “al ‘t geene zy ook door haar eigen uitvinding, zonder van iemant geleert te hebben, heeft verkreegen “. Wel denkt zij dat met name het tweede gedicht in het boekje Koerten kan hebben aangezet binnen de kunstenwereld een positie vergelijkbaar met een schilder of beeldhouwer te verwerven, maar dan met gebruik van een eenvoudig materiaal: papier. Ze had ook kunnen wijzen op de opmerking in de inleiding van het boekje dat werken met een schaartje of mesje zonder verf soms de tekenkunst te boven kon gaan. Hoe Koerten dat probeerde wordt toegelicht in het opstel “de “special effects” in het werk van Joanna Koerten”.

Door Henk van Ark

Noten

  1. Bakker (e.a), De verzameling Van Eeghen. Amsterdamse tekeningen 1600-1950, Zwolle/Amsterdam 1989, cat.nr. 65, p. 119.
  2. Martha Moffit Peacock, “Paper as power. Carving a niche for the female artist in the work of Joanna Koerten”, Nederland Kunsthistorisch Jaarboek 62 (2012), Leiden 2013, p. 257.
  3. D. C. van Dokkum, “Hanna de knipster en haar concurrenten. Een studie over oud Hollandsche schaarkunst”, Het Huis Oud en Nieuw 13 (1915, p. 351)
  4. F. Wijnman, .“Koerten (Joanna of Johanna)”, Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek, X p. 479.
  5. Die catalogus werd samengesteld door de tentoonstellingscommisie der Nationale Tentoonstelling van het Boek, juni-augustus 1910. (Berthi ‘s Weblog/Berthi.textilecollection.nl/2008/06/28).
  6. Catharmna van de Graft, “Papieren knipwerk”, Historia, 11, nr. 7 (juli 1946), p. 148-152.
  7. Idem, p. 148.
  8. A. E. Schepers, Jan Claeszoon te Hoorn (1 639-1 714), boekverkoper aan het einde van de Gouden Eeuw. (scriptie UvA 2006); Henrieke Korten, Boeckeniers zijn gaeuw in het schieten. Jan te Hoorns uitgave Amercaense zee-roovers. (scriptie UvA 2011)
  9. Joke en Jan Peter Verhave, Geknipt! (…), Zutphen 2008, Lexicon, p. 173.

Kanttekeningen bij een knipkunsttentoonstelling, Papyria 10

Van oktober 2015 t/m januari 2016 is in het museum Willet Holthuysen in Amsterdam de expositie “Knipkunst-Ode aan een ambacht” gehouden. Het initiatief tot deze tentoonstelling is genomen door Joke en Jan Peter Verhave. Aanleiding was de 300ste sterfdag van knipster Joanna Koerten Blok (1650-1715) op 28 december 2015. Het Amsterdam Museum werd door hen benaderd en na enige tijd kwam het bericht dat zo’n tentoonstelling in Willet Holthuysen, onderdeel van dit museum, zou kunnen worden gehouden. Tijdens de voorbereidingen van de expositie (zie bv. de groslijst met mogelijke voorwerpen voor de expo) veranderde de invalshoek echter. Gekozen werd, door het museum is het verhaal, om de eigen collectie van het echtpaar Verhave in beeld te brengen met ook nog enige aandacht (zo blijkt uit het resultaat) voor Koerten. Dat resultaat behelst een presentatie in acht vitrines met daarbij een korte film over de Verhave collectie, het ontstaan daarvan en tonen ervan in hun woning. Op zich prima, de collectie van deze verzamelaars, onderzoekers en publicisten is de moeite van het bekijken meer dan waard, maar het exposeren ervan in een Amsterdams museum ligt nu niet zo voor de hand. Voor wie geïnteresseerd is in Koerten (en zij was toch echt de aanleiding) is dit echter een gemiste kans, vooral als wordt bedacht dat zo’n gelegenheid zich mogelijk niet zo snel meer zal voordoen, tenzij er nog wat onverwachts in het vat zit.

In acht vitrines wordt het knipwerk thematisch tentoongesteld, al is dat niet helemaal consequent gebeurd. Zo bevindt zich het portret van Galenes Abrahamsz. zich in de vitrine 1 met als thema “de kunst van het knippen” en niet in vitrine 2 (schaarminerve Koerten) 3 (geknipte portretten). Merkwaardiger is nog dat dit portret is het beschikbare tekstblad wordt gedateerd c.1700, terwijl dit kunstwerk (dat voor het eerst in het openbaar wordt getoond) toch echt linksonder 1692 is gedateerd. Een niet onbelangrijk gegeven (zie verder in dit nummer). De aandacht voor Koerten is wel erg bescheiden: drie werken uit de collectie De Flines (Peter de Grote, Frederik III van Brandenburg en de lierenman), het portret van Galenus Abrahamsz. en een gravure van Houbraken. En dat zonder verder ook maar enige, wat uitgebreidere, informatie over dit knippende Amsterdamse fenomeen.

Uitgaande van onze belangstelling voor Koerten vinden we de titel van deze tentoonstelling (“Knipkunst- Ode aan een ambacht”) ook verbazingwekkend. Er kan en zal natuurlijk uitgebreid gediscussieerd kunnen worden over definities van kunst en ambacht, maar als we de veronderstelling van Moffit Peacock volgen – en dat doen we in dit geval- is het ambachtelijk werken wel het laatste waarmee Koerten zou willen worden vereenzelvigd. Zij wilde papierkunst maken op een uitzonderlijk niveau, en wel zodanig dat die zelfs teken- en schilderkunst zou kunnen overtreffen. De presentatie maakt dat niet duidelijk.

In het filmprogramma wordt erover geklaagd dat kunsthistorici maar weinig belangstelling voor het onderwerp papierknippen zouden hebben, een verzuchting die we ook aantreffen in een tijdschriftartikel. Op zich niet helemaal onjuist (hoewel we niet kunnen laten in dit verband met Koerten onderzoek en publicaties de namen Plomp, Bogaard, Te Rijdt, Roscam Abbing, Moffit Peacock en Van Ark te laten vallen), maar juist deze expositie had een middel kunnen zijn die andere (kunst)historici, neerlandici en andere onderzoekers – het liefst natuurlijk een nieuwe lichting, waarvoor bijvoorbeeld het Amsterdam museum, waar Willet Holthuysen deel van uit maakt, had moeten zorgen- voor het onderwerp Koerten en vervolgens “de knipkunst” te interesseren. Dat zou bijvoorbeeld ook hebben gekund door een sterke publicatie bij de tentoonstelling. Helaas is dat niet gelukt.

Via de website is het artikel “Joanna Koerten en haar schaar van bewonderaars” te verkrijgen, maar dat is voor een wetenschappelijke instelling die het Amsterdamse museum toch ook zou moeten zijn, eindverantwoordelijk voor deze uitgave, beneden de maat. De bedoeling van het artikel is ons ook niet geheel duidelijk. Als het een, meer uitvoerige, begeleidende tekst bij de expositie moet zijn voor algemene bezoekers is het stuk met soms interessante (hoge personages op bezoek bij Koerten), maar ook merkwaardige accenten (een bepaalde tekening in het stamboek) te onevenwichtig. Zou het een bijdrage met meer wetenschappelijke pretenties zijn dan is bijvoorbeeld de opgenomen bronnenlijst te summier. Ergerlijk is het ontbreken van een notenapparaat waardoor het voor niet ingevoerde lezers niet mogelijk is. verstrekte gegevens en opvattingen van de schrijvers op waarde te schatten en, desgewenst te controleren. Omdat dit nergens wordt verantwoord, moet deze opzet wel de bedoeling zijn geweest en ook dat is een gemiste kans om potentieel geïnteresseerden in Koerten, haar leven, werk en culturele betekenis in algemene zin, beter te informeren en tot mogelijk vervolgonderzoek aan te zetten.

Door Henk van Ark

 

Koerten en het onderwijs in de knipkunst, Papyria 10

In de schitterende collectie Van Eeghen, ondergebracht in het Gemeentearchief van Amsterdam, bevindt zich de tekening “Johanna Koerten op de kunsttroon” van de hand van Arnold Houbraken (1660-1719). In de catalogus van deze verzameling [1] werd deze tekening, een opzetvel met daarop een tondo met allegorische voorstelling geplakt, met daaronder een tekstveld in de vorm van een draperie, in 1989 als volgt beschreven:
Rechts zit Joanna Koerten op de “kunsttroon” met een schaartje in de ene en een palet met penselen in de andere hand. Tegenover haar twee vrouwen met kunstwerken van Koerten, een geborduurde of geknipte strook en een beeldje. Twee putti spelen met een troffel en een klosje (?). Op de grond ligt bij een tekening van een vestingwerk nog meer gereedschap van de kunstenares: een schaaf een houten hamer een beitel en een klauwhamer. Op de achtergrond boven de toppen van een paar bomen, schijnen de maan en enkele sterren.”
Het lofdicht in het tekstvel luidt:

JOANNA KOERTEN op de Kunsttroon
Dus prijkt JOANNA, mildt beschonken door Godts gunst
Met edle gaven en een ongemeene kunst
Zij giet in wasch, borduurt en toont voor ons gezicht
Gebootste beelden, daar Natuur in glans voor zwicht.
Haar kunstschaar voert haar naam met roem door Nederland
Dat als verbaast staat op het snijwerk van haar hant;
Waardoor zijn nu met recht den gloritroon bekleedt
Terwijl men voor haar kruin de schoonste Kunstkroon smeedt.
Arnold Houbraken“.

Moffit Peacock [2] schrijft over deze tekening: “The inscription claims that Koerten is worthy of being placed on the throne of art because of her amazing creations known throughout the Netherlands. Thus, she is depicted above the inscription with a baldachin overhead. She opens her famed scissors in her right hand and holds a palette with brusches in her left. She is posed in an authoritative position, instructing what appear two young pupils seated before her. One balances a sculpted figure with her hand while the other grasps a paper-cutting. Spread on the floor between them are two putti playing amongst other artistic tools such as the chisel hammer, plane and marble used in the art of sculpture, as well as more paper cuttings. It is an unambiguous claim for the fame of the artist and the status of her medium as an equal and high art form“.

Het verschil in beide beschrijvingen is duidelijk. De Amsterdamse catalogus houdt het algemeen en voorzichtig, Moffit Peacock tracht aan de hand van dit stuk vooral haar stelling dat Koerten met haar uitgekiende techniek en onderwerpkeuze zich op het podium van de hoger ingeschatte kunsten probeerde te veroveren te bewijzen. Daarvoor pakt zij in haar weergave de nodige vrijheid van interpreteren, die niet altijd overtuigend overkomt. Zo is het voorwerp in de hand van de vrouw links in de Amsterdamse visie een borduursel óf een papierknipwerk, bij Moffit is er alleen sprake van knipwerk. Dezelfde opvatting zien we ook bij de voorwerpen aan de voet van de troon. De Amsterdamse beschrijving vermeldt de “tekening van een vestingwerk”, bij Moffit is dit direct: “more papercuttings”. Belangrijk voor het onderwerp van dit opstel is dat Moffit de twee afgebeelde vrouwen, waarvoor diverse interpretaties mogelijk zijn, ziet als “two young pupils” . In haar ogen lijken (appear) het dus leerlingen van Koerten te zijn. En dat brengt ons bij de vraag of Koerten leerlingen heeft gehad en dus onderwijs in de knipkunst heeft gegeven.

Daarvoor is geen bewijs gevonden. We moeten het doen met enige opmerkingen in de korte levensschets in de Lofdichten uitgave van 1736. Daarin lezen we:
Maar de Konst, waar op haar Geest in ‘t byzonder gevallen was, en die ’t voornaam voorwerp deezer Gedichten is, bestond in het knippen met de Schaare, waar in zy in haaren tyde geen weerga had en mooglyk nooit zal krygen, hoe zeer sommigen zich daar toe bevlytigt, al hun vernuft in ‘t werk hebben gestelt; want in die tyd zag men verscheide Liefhebbers, door haar voorbeeld aangespoort, zich toeleggen om ‘t zelve niet slechts te volgen, nemaar, ware ‘t mooglyk voorby te streeven; doch de meesten hebben ‘t al in den aanvang laaten steeken uit aanmerking van ‘t ongelooflyk taay gedult, en den langen tydt, zie zy daar aan moesten besteden, behalven ‘t nadeel, ’t welk zy daar door aan hun gezicht toebragten, waarover onze Konstenaresse zich ook dikwils heeft beklaagt, doch ‘t geen tegen haare Liefde en Yver voor de Konst op verre na niet konde opwegen
En:
Dus bleef zy niet lang onbekent; maar haar naam en roem breidde zich haast wyd en zyd uit, en men zag van tyd tot tyd ontallyk veele Vorstelyke en aanzienlyke Personaadjen, allerlei Konstenaars en Liefhebbers van alle kanten, niet alleen van ons Nederland maar genoegzaam van alle gewesten te zamen vloeyen, om de zeekerheid van ‘t geen zy gehoort hadden door hun gezicht te vernemen, welke zy altyd met de hoogste achting en uiterste vriendelykheid ontfing en gulhartig alles liet zien, ja zelfs trof zy zomwylen iemand aan, waarin zy eenigen zucht tot de Konst bespeurde dien bood zy de behulpzame hand en zoo hy reeds eenige ondernemingen had gemaakt, zy spoorde hem verder aan“.

Koerten had dus geen geheimen rond haar papierkunst. Ze toonde haar werk en was bereid de oprechte liefhebber verder te helpen of advies te geven. Het vergde ook nogal wat inspanning, zeker op de manier waarop Koerten haar werk vervaardigde. Het kostte niet alleen veel tijd en geduld, ook was het slecht voor het gezichtsvermogen. Maar over leerlingen geen enkele vermelding.

Toch kan het zijn dat de Amsterdamse knipster betrokken is geweest bij onderwijs in het papierknippen. Dat heeft dan te maken met een cursusboekje dat in 1686 bij uitgever Jan ten Hoorn in Amsterdam verscheen onder de titel “Konstig en vermaakelijk tijd-verdrijf der Hollandsche Jufferen of onderricht der papieren snijkonst. Om in ‘t kort, uit wit papier alderly figuren op het kunstigste te kunnen snijden”.

Van Dokkum [3] suggereerde al, zonder het boekje overigens gezien te hebben, dat “Janneke Coerte” wel eens hij de samenstelling van dit werkje betrokken zou kunnen zijn geweest; hoewel zij zeker niet de enige was die de papieren snijkunst in die tijd op artistieke wijze beoefende. Wijnman [4] die Van Dokkum in dit verband aanhaalt, nam deze veronderstelling over, maar ook hij had de uitgave niet in handen gehad.

Het unieke boekje is echter al eens vermeld in een catalogus uit 1911, uitgegeven door Martinus Nijhoff van boeken die zijn verschenen over vrouwelijke handwerken in Noord-Nederland “van den vroegsten tijd tot op heden (1910)”. [5]

In 1930 verwierf het Rijksmuseum een exemplaar uit de verkoop van de bibliotheek van Dr. D. F. Scheurleer door Van Stockum. Voor Catharina van de Graft was het hierdoor mogelijk de uitgave te bestuderen en uitvoerig op de inhoud in te gaan in haar eerste Historia artikel over papierknipkunst. [6]

“Konstig en Vermaakeljk Tyd-Verdryf” is een bescheiden boekje met een rijke inhoud van veertig pagina’s, waarin een opdracht (van Anonymus aan Me Juffer Anonyma, p. 3-4), veertien hoofdstukken( p. 5-40) en twee ongepagineerde gedichten. Het wordt gezien als het eerste deel, Van de Graft [7] schrijft in haar artikel dat het tweede deel bestond uit 900 modellen om na te snijden, maar dat dat helaas niet bewaard is gebleven. Deze vermelding is vaak overgenomen maar lijkt niet juist. In het boekje worden twee hondertallen van voorbeelden (modellen) aangegeven. Het gaat om “Waapenen” (hoofdstuk 6) en “Blaaden, Bloemen, en Vruchten” (hoofdstuk 8). Op de laatste pagina van het boekje wordt duidelijk wat wel de bedoeling was: “Het eerste en tweede Honderttal van de Modellen, wordt by een boekje verkogt waarin 100. Modellen zijn, genommert als in dit werk gedaan is: soo dat men sonder de Model in deese Konst weynig sal konnen uytrechten. De andere volgende Honderttallen, sal men ook by 50 ofte 25 koopen konnen voor een reedeljke prijs“.
Maar het ging nog verder dan het verkopen van het lesboekje en de uit of na te knippen modellen: “Men sal ook konnen bekoomen gesneeden werken, als Bortjes of Schildereytjes van Boem-potten, Somertjes, Wintertjes, Jachten, altijdduurende Almenakken, en andere Bloem-potten, van Saaden, Schelpen, Blaaden en andere stoffe gemaakt, nooyt van andere sulx en van die stof voor een reedeljke prijs“.

Eigenlijk de aanzet tot een hele knipkunstindustrie, die toen niet van de grond is gekomen. Het enige wat ervan rest is het tekstboekje, waarmee men volgens de samensteller zonder voorbeelden maar weinig uit kon richten. Wellicht zijn de twee aangekondigde voorbeeldboekjes wel verschenen, maar verloren gegaan of verknipt, waarschijnlijk is dit echter niet.

De schrijver/samensteller (“Anonymus”) stelt in de opdracht dat het gaat om “een vermaakeljke tijdverkortinge, tot een verpoosing en ruste van dingen van meerdere gewichte “(1..). “Terwijl men hier mee sich ophoud soo word ondertusschen, ‘t vernuft als ontspannen, en de hersenen verfrist: om dingen van hooger en gewichtiger belang te betrachten“. Maar dat papierknippen vermag veel: “Het geen een Teykenaar in de Teykenkonst met een pen, penseel en verf doet; dat doen wy alleen met een Schaerje en Mesje sonder verf in sommige gaatse weeder de Teykenkonst te booven“. De schrijver geeft het doel van het instructieboekje duidelijk, aan:
Hier dan ben ik Mejuffer op uyt, om haar alsoo te vercieren en te volmaaken, en haar aan elckeen bevallig te doen zijn. Hier mag ik alle Liefhebbers belooven, indiense maar de moeyte gelieven te neemen, en de Konstreegelen en waarneemingen te achtervolgen, dat se daar in sullen soo volkomen worden, datse selfs daar in sullen verwondert zijn: en andere ook; sullen haar werk; ‘t geen met lust gesneeden is, booven alle Teykeningen achten: dewijl het meerder Konst sal geacht worden, uyt een onbequaame stoffe iets konstig te maaken, als of het uyt een bequaame stoffe waar. De duursamheyd des Papiers, mag men stellen met de Teykeningen en Schildereyen gelijk”.

Interessant zijn eveneens de twee gedichten aan het einde van het boekje: “Op deese Vermaarde en welbedachte SNY-KONST” en “noch; Op het aardig en seer vermaakeijk werk der WITTE-PAIPIERE-SNY-KONST”. Het eerste gedicht heeft een overwegend religieuze connotatie:

En al waarmee God ons komt verrjken,
Van deese die u deese Konst meedeelt
Gy soud dan sien hoe Hy daarin vereelt
Met reeden daar van ook wel mocht schrijven
Ik heb ‘t gezien, getuyge door ‘t gesicht,
Sijn aardigheyd die voor geen Beeldwerk swight
En hoe hy met Modellen komt gerieven,
Sijn Schaar sije Mes die snyd een Schildery
Als of gy saagt, van verr ‘en van naaby
d’Aanlokkend
Waar doorje, ‘t geen den Hemel, Aard’en See gaat toonen,
Seer licht kond maaken uit papier’ en dus Konst, in rechten aard herleeven.
Koop maar dit boek Boek en ook Model Papier,
Gy sult geleerd dan snyden tot een Mier
En in de Konst ten rechten zijn bedreeven.

Het tweede gedicht luidt:

Dat Neerlands Volk door Konst, door geeft en aardigheyd
and’re Volkren wordt geroemt en hoog verheeven,
Is niet alleen, om dat het daar in is bedreeven;
Maar die Konsten door Mond door Pen en Druk versprijd
De WITTE SNY-KONST aan Mejuffers toegedacht
Waar doorje ‘t geen den Hemel, Aard ‘en See gaat toonen,
Seer licht kond maaken uyt Papier, en uw dus kroonen;
Geljk een Schilder, door sijn Konst seer hoog geacht.
’t Verachterljk spreeken van d’Onweetenheyd en Nijd,
Laat weg nog middel vinden dees KONST te setten,
Al is ‘t haaters, en het vyands volk ten spijt.
Ik soek te leeren
“.

Van de Graft merkte in haar artikel al terecht op dat het boekje van grote waarde is omdat het ons het materiaal en de techniek leert kennen. Ook wordt duidelijk dat de uitgave alleen maar kon worden geschreven door iemand die al in 1686 de nodige ervaring met het papierknippen had. De vraag is dus: wie zou dat kunnen zijn?

De uitgever van “Konstig en Vermaakelijk Tyd-Verdrijf’ was Jan ten Hoorn (1639-1714). Hij had van 1671 tot 1714 een boekwinkel op het Oude Heerenlogement met het uithangbord “History-schryver”. Een uitgever die bereid was bijzondere boeken uit te geven. [8] Bovendien was in zijn winkel, zoals op pagina 40 van het boekje wordt aangegeven, materiaal en gereedschap voor het papierknippen te verkrijgen. Sterker nog, Ten Hoorn kon zelfs adviezen geven, hij kon: “een jeeder die begeert, van alles [sal] aanwijsinge doen; deeses konst aangaande”. De uitgave van het boekje is het product van een echte uitgeversstrategie. Er is sprake van een duidelijke doelgroep, bij de uitgever kan met de boekje kopen en gereedschap en materiaal voor het papierknippen en later zullen nog veel meer modellen te koop zijn (per 25 of 50). Alleen de belangstelling ervoor lijkt niet goed te zijn ingeschat. Dat er in de tweede helft sprake was van “a blosseming art form“, vooral in Amsterdam en Rotterdam -zoals Moffit Peacock meent, lijkt in dit verband een te gemakkelijke veronderstelling en wordt niet aangetoond door het slechts beperkte aantal van ons bekende papierknippers en knipsters. Belangrijk is ook dat, bij veelvuldige oefening en leren, succes wordt beloofd. Met het knippen kon je hetzelfde niveau als een gewaardeerde schilder bereiken, sterker nog “in sommige gaatse weeder de Teykenkonst te booven“.
Verder knipte een van zijn auteurs ook, dat was Steven Blankaert (1650-1702)[9]. De meeste medische en botanische uitgaven die Ten Hoorn uitgaf waren door hem geschreven. Van beiden is wel gesuggereerd dat ze het lesboekje samengesteld zouden kunnen hebben. Van de twee komt Ten Hoorn verreweg het meest in aanmerking, niet alleen omdat hij het boekje uitgaf en men materiaal bij hem kon kopen, maar ook omdat hij als “adviseur” de nodige kennis van en/of ervaring met de knipkunst moet hebben gehad.

Van Dokkum meende, als boven aangegeven, dat Joanna Koerten weleens betrokken zou kunnen zijn geweest. Dat was toen een heel begrijpelijke veronderstelling. Koerten begon haar productie van grotere en nu bekende werken, voor zover we dat nu weten, eigenlijk pas na haar huwelijk in 1691, het eerst bekende gedateerde stuk van haar hand is het portret van Galenus Abrahams uit 1692. Maar het niveau van knippen dat zij toen beheerste was natuurlijk niet zomaar ontstaan. Ook met veel talent en aanleg moet daaraan toch een periode van oefening aan vooraf zijn gegaan. In het boekje wordt op die oefening ook gewezen: “Alle die dan het snyden soeken te leeren uyt dit Boekje sonder Meester, groote lust, ‘t welk gemakkelijk kan geschieden; die moeten een groote lust en yver hebben, met een naarstigheyd sonder verdriet” Op een bepaald moment heeft Koerten ervoor gekozen zich volledig op de witte papierknipkunst toe te leggen. Houbraken verwoordt dat zo:
Deeze Juffrouw was van haar jeugt af aan zeer geneegen om konsten en wetenschappen te leeren, als blykt aan haar treffelyk borduuren, deftig kant- en akernaayen, heerlyk speldewerken, aardig wasgieten, mannelyk schryven, konstig muzyk zingen, fraay met een diamant op drinkglazen spreuken, vogels of bloemen te grieven, verwonderlyk fraay in ‘t vercieren van bloemen en cieraaden, voornamentlyk van zyde gevlogten en doorwerkt, en ‘t schilderen met waterwerven, waar van nog het een en ‘t ander by den Heer Blok te zien is. In dien zy zig geheel tot schilderen had overgegeven, zy zou ongetwyfeit ver in die Konst gevordert hebben. Buiten dit geleit door den rykdom van verstant zette zy zig tot het snyden van velerhande voorwerpen met de schaar van papier. En dat ls zoodaanig dat zy daar door een eeuwige naam gemaakt heeft”.

Moffit Peacock doet geen uitspraak over de betrokkenheid van Koerten bij “Konstig en Vermaakelijk Tyd-Verdryf “. Die is inderdaad ook niet aan te tonen. Sterker nog, Houbraken schrijft in dit verband over haar knipwerk: “al ‘t geene zy ook door haar eigen uitvinding, zonder van iemant geleert te hebben, heeft verkreegen “. Wel denkt zij dat met name het tweede gedicht in het boekje Koerten kan hebben aangezet binnen de kunstenwereld een positie vergelijkbaar met een schilder of beeldhouwer te verwerven, maar dan met gebruik van een eenvoudig materiaal: papier. Ze had ook kunnen wijzen op de opmerking in de inleiding van het boekje dat werken met een schaartje of mesje zonder verf soms de tekenkunst te boven kon gaan. Hoe Koerten dat probeerde wordt toegelicht in het opstel “de “special effects” in het werk van Joanna Koerten”.

Door Henk van Ark

Noten

  1. Bakker (e.a), De verzameling Van Eeghen. Amsterdamse tekeningen 1600-1950, Zwolle/Amsterdam 1989, cat.nr. 65, p. 119.
  2. Martha Moffit Peacock, “Paper as power. Carving a niche for the female artist in the work of Joanna Koerten”, Nederland Kunsthistorisch Jaarboek 62 (2012), Leiden 2013, p. 257.
  3. D. C. van Dokkum, “Hanna de knipster en haar concurrenten. Een studie over oud Hollandsche schaarkunst”, Het Huis Oud en Nieuw 13 (1915, p. 351)
  4. F. Wijnman, .“Koerten (Joanna of Johanna)”, Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek, X p. 479.
  5. Die catalogus werd samengesteld door de tentoonstellingscommisie der Nationale Tentoonstelling van het Boek, juni-augustus 1910. (Berthi ‘s Weblog/Berthi.textilecollection.nl/2008/06/28).
  6. Catharmna van de Graft, “Papieren knipwerk”, Historia, 11, nr. 7 (juli 1946), p. 148-152.
  7. Idem, p. 148.
  8. A. E. Schepers, Jan Claeszoon te Hoorn (1 639-1 714), boekverkoper aan het einde van de Gouden Eeuw. (scriptie UvA 2006); Henrieke Korten, Boeckeniers zijn gaeuw in het schieten. Jan te Hoorns uitgave Amercaense zee-roovers. (scriptie UvA 2011)
  9. Joke en Jan Peter Verhave, Geknipt! (…), Zutphen 2008, Lexicon, p. 173.

De “special effects” in het werk van Joanna Koerten, Papyria 10

Joanna Koerten maakte knipwerk in de tweede helft van de 17de eeuw en het begin van de 18de eeuw. Op zich niet echt bijzonder. Niet dat het papierknippen toen wijdverbreid en zeer bekend was, toch kennen we de namen (en soms ook werk) van verschillende papierknippers uit die periode [1]. Ook een lovende vermelding in een album amicorum moet daarbij worden genoemd [2]. En, het boekje uit 1686 zal ook niet voor niets zijn verschenen, al was dat naar alle waarschijnlijkheid geen echt succes

Maar Koerten sprong eruit, zodanig dat relatief veel werk van haar bewaard is gebleven en we haar naam nog steeds kennen. Dat heeft verschillende redenen. Ze werd als een van de weinige kunstzinnige vrouwen vrij uitvoerig beschreven in gedrukte levensbeschrijvingen van kunstenaars, haar werk is in verschillende (particuliere) collecties terecht gekomen en haar naam en faam zijn met succes verspreid, mede door de stimulerende activiteiten van haar man Adriaan en zijn inschakeling daarbij van destijds bekende kunstenaars en er is sprake van, nu nog te raadplegen, beschrijvingen van haar werk en collectie door bezoekers

Door een aantal zaken kunnen we de naam en faam van Koerten verklaren. Door een bijzondere aanpak onderscheidde zij zich van andere papierknippers uit haar tijd en lukte het haar, in ieder geval in kleine kring, de erkenning te verkrijgen die gelijk stond aan schilders en beeldhouwers. En dat met een eenvoudig materiaal: papier.

1. Onderwerpkeuze en techniek
In de Testas catalogus [3] wordt een mooi overzicht van het werk dat Koerten heeft gemaakt gegeven. Het gaat om portretten (8), landschappen (8), Bijbelse voorstellingen (3), mythologische voorstellingen (2), een allegorie, een vogelstuk, een stadsgezicht en diversen waaronder letters en een wapen. In een vervolg bij die catalogus, dat bekend is van de uitgave uit de collectie de Flines, zien we verder nog een portret, vier zinnebeeldige voorstellingen en een landschapje met pauw. We kennen uit vermeldingen nog werk dat zij zou hebben gemaakt voor de echtgenote van keizer Leopold, Marie Stuart en andere vorstinnen. Ook is klein knipwerk van haar hand bewaard in het vriendenalbum van Chevalier en waarschijnlijk de collectie Van Regteren Altena.

Opvallend hierbij is het grote aantal portretten. Voor liefhebbers van de schilderkunst was dat helemaal niet zo’n belangrijk onderwerp, het stond laag in de hierarchie van onderwerpen waarnaar de voorkeur uitging. Als dat belangrijk voor Koerten was had zij zich beter en uitgesprokener moeten richten op de historische onderwerpen (bijbel-mythologie-allegorie). Maar die keuze voor portretten was wel bijzonder in de knipkunst van die tijd, ook al weten we dat haar vermeende rivale in Rotterdam, Elisabeth Rijberg, ze ook maakte, helaas zonder dat we daarvan voorbeelden hebben. Maar als onderwerp worden ze in “Konstig en Vermaakelijk Tyd-Verdryf” echter niet genoemd.

Die keuze had dus ook met wat anders te maken: Het was voor Koerten een middel om bekendheid te verwerven. Waarschijnlijk heeft zij eerst personen uit haar directe omgeving geportretteerd, zoals Galenus Abrahamsz. (1692), Petrus Francius, Balthasar Bekker en David van Hoogstraten. Toen dat een succes bleek kwamen vorsteljke en beroemde personen in beeld: Stadhouder-koning Willem III, Cosimo III, Frederik de derde van Brandenburg en de gebroeders de Witt. Enige portretten waren voorzien van een gedicht in Latijn van Petrus Francius, waarin de geportretteerde en Koerten verheerlijkt, werden. De statuur van de geportretteerden zal ongetwijfeld een wervende invloed hebben gehad op geïnteresseerde bezoekers. Nog tot in de 19de eeuw werd het feit dat Koerten vermaarde personen als Peter de Grote en keizer Leopold tot haar bezoekers/klantenkring had mogen rekenen als grote bijdrage aan haar roem gezien Daarbij kwam nog dat -volgens Houbraken- Koerten “nae ‘t leven” zou hebben gewerkt Houbraken vond Koerten als tekenaar net zo goed als knipper, maar het is toch niet waarschijnlijk dat zij figuren als de gebroeders de Witt of Cosimo op deze manier heeft weten te vereeuwigen. Bij veel andere geportretteerden is het wel mogelijk dat zij heeft gewerkt naar een eigen tekening of schets, mogelijk tekende zij soms voor op het papier. Toch zal zij in de meeste, zo niet alle, gevallen bestaande tekeningen en prenten als voorbeeld hebben gebruikt.

  

  

Behalve deze onderwerpkeuze was ook de door Joanna gebruikte bijzondere knip- en snijtechniek van belang. Aan de hand van enige voorbeelden (De Twaalf Keizers, Peter de Grote, Frederik III, Willem III) laat Moffit Peacock [4] zien hoe Koerten de effecten bekend van schilder- en beeldhouwkunst probeerde te bereiken. Het gaat daarbij om het suggereren van ruimtelijkheid, diepte en stofuitdrukking. De resultaten ervan zouden door kenners (met name bezoekers aan haar atelier en lofdichtschrijvers) zijn herkend en daardoor zou zij met enige regelmaat worden vergeleken met Apelles (schilderkunst) en Phidias, Praxiteles en Lysippus (beeldhouwkunst). Vervolgens geeft zij diverse voorbeelden daarvan uit de bewaarde lofdichten. Voor hen had Koerten dus bereikt wat zij zou hebben nagestreefd: gelijk zijn aan schilders en beeldhouwers, sterker nog soms zou zij ze nog hebben overtroffen. Wat daarbij opvalt is dat Koerten vanwege deze opvallende aanpak, ondanks al het rumoer, geen school heeft gemaakt in de papierknipkunst. Sporen ervan vinden we niet of nauwelijks terug in de 18de eeuw en later. Haar werk is lange tijd meer beschouwd als een curiositeit en werd esthetisch eigenlijk niet meer. gewaardeerd. Ook werd de waarde van opmerkingen in sommige van de lofdichten kritisch beschouwd: de vraag is en blijft vooralsnog in hoeverre was er sprake van een napraateffect of vriendendienst d in lofdichten in die tijd nogal gebruikelijk waren.

2. Tussen glas
In de Testas-catalogus van het “overheerlyk KONSTKABINET PAPIERE SNYKONST” van Joanna Koerten worden in de rubriek “SNEYWERK” vele knipsels van Koerten genoemd die op een bijzondere manier waren ingelijst. Nummer 1 is een knipsel “Verbeeldende een Tafel, waar op staat een Pot met diverse Bloemen, en daar om heen diverse Beesjes, als Vliegjes, Spinnetjes, Uiltjes en andere Gediertens, alles met zyn schaduwe en harseringinge, konstig en fraay in wit Papier met de schaar uitgesneeden, is in een zwarte Lyst, tusschen twee Spiegel Glazen in, op een zwarte Gront”. Ook nummer 2, een “stervende Christus in de schoot der Engelen”, zat in “dito Lyst en Spiegel Glaasen”. Dat geldt ook voor de volgende nummers, waarbij bij nummer 4 deze vermelding werd overgeslagen, maar bij nummer 5 gaat dit op dezelfde wijze door: “in dito en dito “. De reeks stopt pas bij nummer 16. Dat is slechts een “Landschapje met Herder en eenige beesjes, in dito“, dus in een zwarte lijst. Bijzonder in de serie is nummer 8 Dit is “Een Landschap, waarin verbeeld werden Schapen Pauwen Hoenders, en allerley Gevogelte en Boomen, waaronder leyt een Spiegelglas, in het welk alles dubbelt gezien werd in dito“.

Koerten plaatste dus verschillende van haar knipsels, meestal portretten, tussen twee glasplaten met daarachter een zwarte ondergrond. De stukken waren ingelijst in een zwarte lijst. Overigens beschrijft Von Uffenbach dit ook: “und alsdenn mit der Scheere die Umzüge und Schraffirungen ausschneidet, undsie zwischen zwey Gläser vest machet”. Uitzondering: het landschap dat voorzien was met onder het knipwerk een spiegellijst

Deze wijze van inlijsten staat niet beschreven in “Konstig en Vermaakelijk Tyd-Verdryf” (1686). Hierin wordt in hoofdstuk tien wel het platmaken van een knipsel (“vlakleggen en parssen”) behandeld en in hoofdstuk 11 het opplakken. Over inlijsten wordt in dit hoofdstuk vermeld: “Wanneer men nu wil het Papierwerk in een lijste setten, soo neemt een Glas, dat helder en klaar is, en het moet niet krom zijn: maar te recht vlak want krom zijnde, soo breekt het lichtelijk als men het werk toemaakt, ‘t welk door spijkerjes geschied gemeenljk: maar ik maak die door Balljnen toe sonder spykerjes te gebruyken; gelyk sulx aan mijn werk kan gesien worden, soo dat door, niet geklopt word en soo de Glaasen daar door niet koomen te breeken, en dat men kan dan seer licht een Schilderytje oopen en weederom toe maaken “. En voorts: “Men moet ook achter het swert Papier leggen een voos of los Papier dat sacht is, of een Wolle lap, en dan een dun plankje dicht toe, en drukken het werk naau aan het Glas, en sluyten het werk door het plankje dicht toe, soo dat ‘er geen Spinkoppen of Motten in koomen die het werk op eeten“.
Koerten, en waarschijnlijk ook haar bezoek, moet dol zijn geweest op visuele effecten. Bij het plaatsen van een knipsel tussen twee glazen platen is dat effect zeer subtiel. Door het van de voorzijde komende licht wordt de schaduw van het knipwerk geworpen op de tweede glasplaat. Die grijze schaduw zorgt voor een licht, maar geraffineerd, verdiepingseffect dat op het eerste gezicht meestal niet eens opvalt.

  1. Deurtjes

Catharina van de Graft schrijft in het eerste Historia-artikel, dat een opmaat is voor de tentoonstelling “Papieren Knipwerk in het Centraal Museum in 1946:
“De grote kunstwerken van het opwerk werden in lijsten gevat, die aan den achterkant deurtjes hadden. Waarschijnlijk werden deze opengezet om het licht door het werk te laten schijnen. Uffenbach verhaalt dat bij het doorspelend werk de sneetjes of knipjes schaduwen vormen, zoodat het geheel op een prentwerk geleek wat in de oogen van Johanna’s tijdgenooten voor een groote verdienste gold In elk geval werd de voorstelling door het opwerk sterk geaccentueerd. Men ziet deze deurtjes bij het in palissanderhouten lijstgevatte knipsel-portret van Stadhouder-Koning Willem III in het museum De Lakenhal te Leiden “. In haar derde Historia-artikel, dat ruim na de tentoonstelling werd gepubliceerd, komt Van de Graft daar nog even op terug:

“Bij het in palissanderhouten lijst gevatte portret openzetten van “der Britten vorst” den Stadhouder-koning Willem II (…), kon men nu eens even de deurtjes aan de achterzijde openzetten. Deze dienden immers om het licht door het knipwerk te doen schijnen. Doch het resultaat viel niet mee, de prent won er niet bij, integendeel zij geleek nu op het negatief van een foto“.

Die tegenvallende indruk kunnen we uit eigen ervaring beamen. Het knipsel “De Twaalf Keizers” dat we voor ons museum in Schoonhoven in 1999 konden aankopen en dat zich tot eind 2005 in onze collectie heeft bevonden is namelijk gevat in een goudkleurige schuiflijst. Door de schuif te openen is het mogelijk het knipsel vanaf de achterzijde te bekijken om te constateren dat het verwachte effect inderdaad tegenviel. Overigens is niet waarschijnlijk dat het hierbij gaat om een authentieke lijst want is de Testas catalogus staat het werk vermeld (nummer 9) als “Een Vrouwe Beeld (…) in dito en dito“, dus in zwarte lijst, tussen twee glazen Later is dit knipsel, dat als een topstuk van Koerten is beschouwd, pas overgezet in een goudkleurige lijst die mogelijk meer paste bij de status van dit kunstwerk Terzijde moet nog worden opgemerkt dat Van de Graft de termen “opwerk” en “platwerk” verkeerd heeft gebruikt, dat heeft lange tijd nog tot misverstanden aanleiding gegeven. In verband met het werk van Koerten zijn “opwerk” en “platwerk” voor het eerst gebruikt door De la Rue in 1735.

Reliëf en meer
Met “opwerk” wordt knipwerk met reliëf bedoeld. Het werk dat de la Rue zag was in zijn ogen beter van kwaliteit dan het opwerp dat hij in Rotterdam had kunnen bekijken Dit zou van Gilles van Vliet of Elisabeth Rijberg kunnen zijn. Hij en Von Uffenbach vermelden beide een mooi voorbeeld van dit soort werk, namelijk een bloemenvaas met de tekst “Ut flos vita nostra” (afb. 5)  In de Testas catalogus [5] is dit nummer 1 in de beschreven knipwerken: “Verbeeldende een Tafel, waar op staat een Pot met diverse Bloemen, en daar om heen diverse Beesjes, als Vliegjes, Spinnetjes, Uitjes en andere Gediertens, alles met zyn schaduwe en harseringinge, konstig enfraay in wit Papier met de schaar uitgesneeden, is in een zwarte Lyst, tusschen twee Spiegel Glazen in, op een zwarte Gront.” We kennen dit knipsel helaas alleen nog uit vermeldingenlbeschrijvingen en een foto. Het moet zich in een particuliere verzameling bevinden.

Deze prachtige bloemenvaas is nummer 1 in de categorie “SNEYWERK” van de catalogus, maar er is meer. Wat te denken van:

nr.22 “Een Kabinetje met Spiegels waar in een Zeetje met een Jagt, dat beweeglyk is”
of:
nr. 29 “Een dito (=Schrift) uitgesneeden en het buytewerk daar om heen, van gevouwen en gerolt Papier”
of:
nr. 8 “Een landschap waarin verbeeld werden Schapen, Pauwen, Hoenders, en allerley Gevogelte en Boomen, waar onder leyt een Spiegelglas, in het welk alles dubbelt gezien werd dito“.

Nog een opmerking over nr.15: “Het Portrait van Jan de Wit, Raad Pensionaris, met een Vaars daar onder, in dito, en dito“. Van dit portret wordt door De la Rue aangetekend dat het “wat geschonden” was. Het lijkt dus te gaan om een enkel portret van Jan, maar uit vrijwel alle lofdichten blijkt dat het gegaan moet zijn om een dubbelportret van Jan en Cornelis de Witt, met Jan aan de voorzijde en Cornelis aan de achterzijde. Bogaard citeert in verband hiermee een tekstdeel van een gedicht van Spinneker: “Wat schuilt Kornelis achter Jan/Daar niets de moorder stuiten kan“, maar er zijn talrijke andere voorbeelden in de gedichten aanwezig, zoals:

“Gesneden, maer door zachter handen
Dan op het Haegsche moortschavot
JOHANNA gunt hem beter lot.
Zy eert den trouwen Staetsbeschermer,
Zy vlecht hem op een papiere kroon,
Tot dat hem Hollandt eens in mermer
Op ‘t Statenhof vol pracht vertoon‘.
Wien zien we ook in ‘t verschiet herleven?
Den Ruwaert, die den Teems deê beven,
Zyn Broeders eer- en rampgenoot,
Gerukt ter neêrgeploft van ‘t kussen,
Gesleurt, vermoort, om met zyn doodt.
De wraeklust van het graeu blussen.
Dus blinkt hier ‘t edle Broederpaer,
Ontwortelt al hun lyfsgevaer
“.
(Kaspar Brandt)

of:

Heer Jan de Witt die, ‘t lant ten nutte,
De zuilen van de vryheit stutte, Met zyn broeder in ‘t verschiet:
De snyschaar deeret die Helden niet;

(Georgius van Zonhoven),
Zie slechts DE WITTEN aan, dat eed’le Broeder-paar:
(E.Feitsma),
“Ik zie de Witten, twee gebroeders, Voorheen geroemt als Staatsbehoeders,
Daarna verscheurt en niet gespaart
Als of ze waren landverraaders:
Wat schuilt Kornelis achter Jan,
Daar niets den moorder stuiten kan”

(Jan van Petersom).

Ook hier schuwde Koerten het effect dus niet.

Tot slot, hoe -de discussie over het ontstaan van Stamboek (dus met hoofdletter) in gedachten houdend- de volgende nummers van het Konst-boek, letter A te duiden:

nr.1: “Stamboek; waar van de Letters uitgesneeden zyn.”
nr.
2: “dito Stamboek van Juff. Johanna Koerten, geschreeven door Gadelle “.
nr. 8: Een Stamboek; zynde witte uitgesnede Letters, op een zwarte Grond

Over Koerten, haar leven, haar werk en haar culturele contacten zijn we voorlopig nog niet uitgeschreven.

Door Henk van Ark

Noten

  1. Joke en Jan Peter Verhave, Geknipt! (…), Zutphen 2008, p.13-22.
    2. Henk van Ark, “Knipwerk in albums voor 1700”, Welkom in Papyria, nr.1, Rasquert 2011, p. 33.
    3. Henk van Ark, “De onmisbare catalogus”, Welkom in Papyria, nr.5, Rasquert 2013, p.49-55.
    4. Martha Moffit Peacock, “Paper as power. Carving a niche for the female artist in the work of Joanna Koerten”, Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek 2012, Leiden 2013, p. 239-265.
    5. Zie noot 3.
    6. Conny Bogaard, De Schaar-Minerva Johanna Koerten (1650-1715) en de waardering voor de “papiere snykonst”, Utrecht 1989, p. 43-44.

Schaarkunst van Roemelé, Papyria 9

De rubriek “Antiek”, in de bijlage Wonen & Co van het Dagblad van het Noorden toonde op 24 januari 2009 een interessant papierknipsel [1]. Het kunstwerkje (17 x 21 cm) was afkomstig van Café/Bakkerij Jacob Nijenhuis uit Gees en zou geveild worden in Assen (kijkdagen motel Van der Valk 4 en 5 april 2015). De tekst stond helaas, zoals wel vaker in dit soort rubrieken, vol van fouten en onzinverhalen, maar dat deed aan onze belangstelling voor het knipsel niet af. Maker van het knipwerk was W. P. A. Roemelé (1791-1833) die in Groningen en Drenthe een zekere bekendheid genoot, zie het opstel over Huizenga-Onnekes in Papyria 9.

W.P.A. Roemelé, Museum voor Communicatie, Den Haag

Bij ons kwam deze knipkunstenaar pas echt in beeld doordat we in 2002 door het Museum voor Communicatie in Den Haag werden benaderd met de vraag of wij informatie konden verstrekken over Roemelé. Het museum beschikte namelijk over een imposant knipwerk van deze kunstenaar dat als schenking in september 2000 werd verkregen [2]. In februari 2002 was deze aanwinst “Object van de Maand” op de website van het museum. Daarop is het knipsel besproken onder de titel “Bruiloftsfeest in knipselkunst”. Het stuk van groot formaat is in 1829 gemaakt ter gelegenheid van het 20-jarig huwelijk van Benjamin Donker Curtius (1786-1863) en Christophora Josina van Ham (1790-1845); dit huwelijk vond plaats op 14 juni 1809 te Arnhem.

 

Donker Curtius was onder meer inspecteur-generaal van de Dienst der Posterijen en vanaf 1822 directeur van het Postkantoor in Amsterdam, Over het knipwerk schrijft het Haagse museum:

“Centraal in het grote knipsel, dat in totaal zo ‘n 80 bij 100 cm meet, is een soort altaar geplaatst waarop een tekst met onder meer de namen van beide partners is gekalligrafeerd. In de tekst wordt wordt het een “echtaltaar” genoemd. De letters zijn overigens allemaal uit papier geknipt en daarna opgeplakt op de blauwe ondergrond. De tekst luidt: “Uit byzondere hoogachting opgedragen aan den hoogedele geboren heer, Benjamin, Donker, Curtius. Directeur der Kon: Nedl: Posterijen der Stad Amsterdam. enz. enz. enz. en deszelfs hoogedele geboren echtgenote mevrouwe, Christophora, Josina van Harn. Door H: Hooged. geb. dienaar. steeds gehoorzame W. P. A. Roemelé.” en “Gods zegen ruste steeds op ‘t heilzaam trouwverbond Van dit gelukkige paar. een stoet van Hemellingen Ziet men met Mirth en Palm, het echtpaar omringen; terwijl hun juichend lied toekomstig heil verkond. Lang moge ‘t achtbre Paar, hier keur van bloemen plukken. En ‘t Elf-tal lieflyk kroost hun deugdzaam voetspoor drukken. Dees ‘Eerzuil zy gewyd aan DONKER ‘s rijk geslacht, Wel deugd, in ‘d eeuwigheid, een ‘ schooneren tempel wacht”.
Aan beiden zijden van dit tekstpaneel is een pilastei’ geplaatst. Deze zijn opgebouwd uit diverse lagen papier en krijgen daardoor ook enige ruimteljkheid. Boven het altaar een decoratief stuk met aan de uiteinden ranken en bovenin een portret van het laatstgeboren kind van Donker. In het midden een Latijnse tekst, die vrij vertaald luidt: “zij worden beloond, die zich welwillend jegens ons hebben getoond”. Vlak boven het altaar een fraai soort “bovenschoorsteenstuk” met putti (kleine engeltjes) waarin de kunstenaar zich bijzonder heeft kunnen uitleven. Op de blauwe cartouche staat vermeld “schaarkunst “. Aan zowel de linker- als de rechterhand is een guirlande met portretten te zien. Linksboven is Donker zelf geportretteerd. Onder hen de kinderen. Ze hadden er elf in totaal. Boven zijn nog wolken geknipt in relièf en de familiewapens, die worden gedragen door putti. Het kunstwerk werd vervaardigd door W. P. A. Roemelé (1791-1833), een toen bekende papierknipper, die dit in opdracht van het personeel heeft vervaardigd”
.

Papierkunstenaar Roemelé combineert in dit bijzondere stuk papierknipwerk met geknipte profielportretten en dat is een creatieve aanpak die we in die tijd niet veel zien.

Hij profileerde zichzelf ook nadrukkelijk zo; in een advertentie in een Groningse krant uit 1831 biedt deze kunstknipper zijn diensten aan als silhouetteur. Maar, niet lang erna overleed de, in Paterswolde uit Duitse ouders geboren, knipper in Peize in het jaar 1833. De. advertentie in de Groninger Courant van 27 mei 1831 biedt een eigenlijk een schat aan informatie. De tekst luidt:

SILHOUETTEREN met de SCHAAR

Zeer geachte ingezetene van Groningen! Sedert ruim twee jaren heb ik de eer gehad, door mijne Kunst-Talenten onder U allen mogen begaan, waarvoor ik mijne Begunstigers in het bijzonder mijnen hartgrondigen dank betuig, thans het plan hebbende, binnen weinige dagen op reis te gaan, geef ik daarvan kennis met verzoek aan degenen, die zich voor mijn vertrek nog door mij SILHOUETTEREN willen laten: op den dag ten huize van kastelein J. NIEKUS, in het Wapen van Papenburg, aan het Winschoterdiep, en des avonds, ten huize van den Heer W. BREEDHOFF, in de Oude Kijk in ‘t Jat-straat alhier.

De Prijzen der Silhouetten zijn:
Enkel zwart, in duplo………f 0-50
En voor ieder exemplaar
met wit of bruin opgetekend
daarenboven                      – 0-30
En per Dozijn tot nog minder prijs

Mij aanbevelende, heb ik de eer te zijn
Uw aller Dienstv.D.
W.P.A.RÖEMELÉ.
Kunstknipper te Paterswolde

In deze advertentie laat Roemelé dus weten dat hij ruim twee jaar in Groningen werkzaam is geweest. Hij kondigt aan op reis te gaan, wat kan betekenen dat hij, als reizend knipper en portrettist, zou kunnen gaan werken op zoek naar nieuwe klanten. Zijn zwarte silhouetten, die hij dubbel knipt (in duplo) kosten 50 cent en tegen meerprijs (30 cent) kunnen ze wit of bruin gehoogd worden. Voor het silhouetteren kan men zich vervoegen op twee adressen in de stad Groningen. Overdag in de kroeg (het wapen van Papenburg), in de avond bij de heer Breedhoff in het centrum van de oude stad.

Het overlijden van de knipkunstenaar wordt eveneens aangekondigd in de Groninger Courant (26 Julij 1833), en wel door de zoon van de kunstenaar:

PEIZE den 16 Julij 1833. Heden morgen ontsliep, na eene langdurige sukkeling, onze geliefde Vader W.P.A. ROEMELE, in leven Kunstknipper, in den ouderdom van 42 jaren en ruim drie maanden. Vrienden en Bekenden gelieven deze kennisgeving, mede uit naam van mijnen Broeder en van mijne Zuster, tevens als eene bijzondere aan te nemen.
W.D.ROEMELÉ.

Maar het veilingstuk uit Assen en het kunstwerk uit Den Haag zijn niet de enige stukken die wij van deze bijzondere knipkunstenaar kennen. Er zijn gelukkig meer prachtige kunstwerken van zijn hand bewaard gebleven, zonder volledig te willen zijn we noemen er enige:
Het Nederlands Openluchtmuseum beschikt over twee opvallende zee/kustgezichten met de titels: “Gezigt op Walcheren” en “Gezigt op de Kust van Vrieschland”. [3].

knipsel “Gezigt op het eiland Walcheren”, 1832. maker is Röemelé, wit en vuilwit op blauw, en reliëf, 51,5 x 39,5 cm. Expositie: “Pronken met Papier” bij G.H. Bührmann’s papiergroothandel N.V., Keizersgracht 28-46, Amsterdam van 20 mei t/m 30 juni 1965. Coll. Dr. H.S. Nauta.

papieren schaarkunst, 54 x 43 cm, 19e eeuw. Titel: “Gezigt op de Kust van Vriesland” Röemelé fecit 1832. Op de knipprentententoonstelling te Franeker Museum, sept. 1950. Verz. Fries Museum Leeuwarden.

Het zijn knipsels uit wit papier op een blauwe ondergrond, beide gemaakt in 1832, naar voorbeeld van prenten. Ze hebben een fraaie omlijsting met bladornamenten en cartouches. In de cartouche van het “Gezigt op Walcheren”, midden boven, zien we de tekst “Schaar-Kunst” en in het Friesland stuk de tekst “Met de Schaar”.

Ook bezit dit museum een knipsel waarin drie paarden prominent aanwezig zijn. Te zien zijn verder links een dame met kind aan de leiband en een hengelende heer met hond. Rechts van de sloot een man met ruige muts met hengel en hond en vervolgens die paarden. Ook hier een mooie omlijsting met ovalen en hoekrozetten.

W.P.A. Roemelé, Nederlands Openluchtmuseum, Arnhem

Erg aantrekkelijk is het knipsel dat zich bevindt in het Stadsmuseum in Doetichem. [4] (afb. 11) Gevat in een houten bruine lijst in een ovaal met in de vier hoeken eikenbladeren een voorstelling uit wit papier op blauwe ondergrond. Centraal een schitterend uitgewerkte boom. Op de achtergrond links een molen aan het water en op de voorgrond koeien (dus geen karbouwen zoals de museumbeschrijving meldt, koeien hadden in die tijd en nu soms gelukkig ook nog hoorns) en een herder. Het knipsel (en dus niet collage zoals de museumbeschrijving meldt en ook is het materiaal geen hout) is gedateerd 1824.

W.P.A. Roemelé, Stadsmuseum Doetinchem

Tenslotte nog een mooi voorbeeld van het fraaie papierwerk van Roemelé: een knipsel uit Museum Het Hoogeland in Warffum. Het is een afbeelding van een paardenkeuring. Ook hier weer een mooi uitgewerkte boom die centraal staat in de voorstelling. Aan weerszijden twee mannen die bezig zijn met een paard. Het werk wordt gedateerd rond 1825.

W.P. A. Roemelé, Museum het Hogeland, Warffum

NOTEN

  1. Janine Hoekstein, “Papierkunst eeuwenoud”, Dagblad van het Noorden, 24 januari 2009, bijlage Wonen & Co, p. 23.
  2. Henk van Ark, “Over de papierknippers Cokart en Roemelé “, Nieuwsbrief van het Nederlands Museum van Knipkunst en de Stichting W Tj.Lever, jrg. 15, nr.1 (maart 2002), [p. 3-5]
  3. Simon Honig, ”Catalogus van knipwerk tentoongesteld in Het Nederlands Openluchtmuseum te Arnhem 1 april tot 1 november 1983’ in: Joke en Jan Peter Verhave, Schaar-kunst. Ontwikkeling van de papierknipkunst in Nederland, Arnhem 1983, p.66-67.
  4. stadsmuseumdoetichem.nl

Silhouettisten en fotografie in Groningen, Papyria 9

“Fotografen in het 19de eeuwse Groningen” is het artikel dat A. T. Schuitema-Meijer in 1961 samenstelde [1]. Hierin vonden we enige voor ons interessante gegevens over silhouetterende fotografen kort na 1850. Schuitema-Meijer schrijft na de bespreking van de daguerreotype:

Naast de daguerreotype ontwikkelde zich een andere methode (…) Dit procédé, de talbotype of kalotype, had voor op de daguerreotype dat van de negatieven zonder veel moeite -in aantal naar wens- konden worden gemaakt. (…) De kunst van foto‘s op papier af te drukken zou Claus Pruter als eerste vermoedelijk, naar Groningen brengen In de Groninger Courant van 10 december 1852 kon men lezen dat Pruter, zich dan noemende portretschilder uit Hamburg zich aanbeval voor het maken van daguerreotype-portretten en silhouetten. (…) Pruter werkte aanvankelijk ten huize van A. Teuteberg; het “Kleeding- en Manifacturen-magazijn” van Teuteberg bevond zich aan de Grote Markt, tussen de Oude Ebbingestraat en de Oude Boteringestraat. In april maakte Pruter bekend, dat hij, terug van een reis naar Hamburg, “binnenkort in de gelegenheid hoopt te zijn, portretten, landschappen, tadsgezichten enz. op papier te vervaardigen [10] (noot 10: Groninger courant 5 april 1853,). In juni is het zover. Pruter opent dan zijn “nieuw gebouwd glazen atelier” aan de Hereweg (tegenover “Stad en Lande“) waar hij niet alleen “meeste volmaakste“ portretten kan maken en kopieën naar schilderijen, maar bovendien, zoals hij had aangekondigd, “afbeeldingen naar de natuur als: landschappen, stadsgezichten, buitenplaatsen. enz.“; men kan hem ontbieden “ter vervaardiging van portretten van zieke of overleden personen“. Pruter noemt zich in deze advertentie “daguerreotypist en photographist”.[11] (noot 11: Groninger Courant 7 juni 1853). Pruter was alles in één: portretschilder, silhouettist, daguerreotypist en fotograaf. Veelal kwamen in die tijd de daguerreotypist en de fotograaf uit de kring der kunstschilders voort. Als portret concurreerden de daguerreoptype en de foto toenmaals nog met de silhouet en ook met het overigens duurdere geschilderde en getekende portret. De kunstschilders van naam hadden zwakkere broeders: de, op goed geluk, rondreizende artisten met het kleine talent. Natuurlijk bezochten deze Groningen eveneens, zoals portretschilder F. G. Muller (1858). Ook silhouettisten kwamën naar Groningen .op hun rondreizen. Zo vertoefde Emil Berlholts ongeveer dezelfder tijd als F. G.Muller in de stad. Bij advertentie liet hij weten, dat hij silhouetten maakte, “zoo bij dag als bij avond, tot den geringsten prijs van vijftig cent den persoon, familiegroepen naar evenredigheid goedkoper“. Deze portrettist logeerde en was “te ontbieden” bij de heer Frigge in de Nieuwe Munster, het tegenwoordige hotel Frigge‘ [13] (noot 13: Groninger Courant 17 maart 1858).

Veel rondreizende fotografen deden de stad Groningen aan. Ze ontvluchtten vaak de concurrentie in eigen land dat al geruime tijd een voorsprong had op het gebied van de fotografie en zochten hun heil in Nederland, Groningen was als eerste stad van redelijke omvang na de Noordduitse-Noordnederlandse grens lange tijd een toegangspoort tot Nederland. Pruter en anderen durfden het zelfs aan om in de stad een eigen atelier te beginnen [2]. Hij, en andere vakbroeders maakten bij het vervaardigen van portretten gebruik van diverse technieken. Men was als het ware van alle markten thuis en klanten konden zo een keuze maken. In het algemeen was een silhouet het snelst gemaakt en het goedkoopst om aan te schaffen. Maar de nieuwe fotografie verdrong het silhouetteren snel, zeker nadat het mogelijk bleek meerdere exemplaren van een opname op papier af te drukken. Pruter en anderen waren in de eerste helft van de 19de eeuw zeker geen knippende silhouettisten, mogelijk werkten ze met de camera obscura, die veel overeenkomsten met een fototoestel had.

Om die reden verzamelde bijvoorbeeld Auguste Grégoire (1888-1971), een fameus collectioneur van fotografie ook silhouetten, die hij zag als voorloper van de fotografie [3]. Tot zijn verzameling behoorde een fraai silhouet van Simon Schaasberg, een silhouettist uit Den Haag.

In de camera vertoonde het portret zich op zijn kop, de omtrek kon worden afgetekend en kon desgewenst nog verder worden verkleind met een pantograaf. Een klein Duits, boekje in onze verzameling met de titel “Der Silhuetteur”, in 1853 geschreven door E. W. Rubling die zelf silhouettist, daguerreotypist, lithograaf, schilder en tekenaar was, laat zo’n camera obscura opstelling zien[4].

Zoals fotografen in het begin van deze nieuwe manier van portretteren rondreisden om aan de kost te komen, zo deden silhouettisten, die tekenden, knipten of schilderden, dat al vanaf het laatste kwart van de 18de eeuw. Ook zij meldden hun komst meestal in de couranten, zoals Pruter en Berlholts ook deden. Een heel vroege vermelding van een silhouettist in Groningen is te vinden in de Groningsche Courant van 1782 Ook hier gaat het om een Duitse portrettist:

De Berlynsche Silhouetteur of Schaduw Beeldenmaker, die zig eenen tyd lang alhier zal ophouden, maakt bekend, dat iemand genegen zynde zyn Portrait in eenen nauwkeurigsten Schaduwen beeld te hebben, dezelve verzogt word namiddag van 2 tot 6 uuren bij hem te komen. De aftekening geschied door eene van hem zelfs uitgevondene Machine genoegzaam in eene Minuut, zes Portraiten van eene Persoon in fyn gestochene Medaillons kosten een Ryksdaalder, en drie eenen Daalder; want minder worden van eene Perzoon niet gemaakt. Deze Portraiten kunnen ook in Ringen, Doozen &c gezet worden. Hij bied zig aan om geheele gezelschappen, zoo hy ontbooden word, ter haaren huize af te tekenen. Hy is gelogeert in de Winschoot”. [5]

De Berlijnse schaduwbeeldenmaker maakte dus al gebruik van een “silhouetteerrnachine”. Dat zou een camera obscura geweest kunnen zijn, maar ook een silhouetteerstoel die we in veel publicaties over het silhouetteren aan het einde van de 18de eeuw tegenkomen.

De silhouetteerstoel wordt toegeschreven aan Lavater maar was al bekend van een vroegere publicatie.. De schaduw van een te portretteren persoon viel, door verlichting met een kaars of lantaarn, op het papier of doek van de stoel en kon zo door de kunstenaar worden afgetekend. Vervolgens kon het portret worden uitgeknipt, desgewenst verder verkleind met een tekenaap en daarna zwart ingekleurd.

 

 

 

Overigens werkten kunstenaars die vrij uit de hand knipten ook vaak met wit papier dat later pas zwart werd gemaakt. Van Johannes (Jean) Hoek (1813-1893) bijvoorbeeld is dat bekend [6].

Johannes Hoek

Vooral in Engeland is veel geëxperimenteerd met silhouetteerstoelen en nog veel ingewikkelder machines, zoals de “Limomachina” en de machine van Smalcalder waarvan afbeeldingen in verschillende publicaties zijn opgenomen [7].

Of ze ook werkelijk zijn gebruikt of het alleen ging om ontwerpen of prototypes is de vraag. Wat het wel aantoont is dat de populariteit van het silhouetteren al snel leidde tot de mechanisering van dit handwerk, waarbij vooral de uitvinding van de “physionotrace” van belang is geweest.

In Groningen bracht de inheemse silhouetteur Wibrant Veltman al in 1782 en 1782 gegraveerde silhouetten van predikanten uit. Die silhouetten van predikanten en ook geleerden van de universiteit zijn nog lang populair gebleven, waarbij de namen Oomkes, een drukker en uitgever in Groningen, en Barbiers (Zwolle) vermelding verdienen. In zijn inleiding noemt Staring deze drukkers/uitgevers niet en dat is jammer omdat zij door hun gegraveerde of gelithografeerde portretten ervoor hebben gezorgd dat het silhouet na lang na het hoogtepunt aan het einde van de 18de eeuw gebruikt en gewaardeerd werd. En op de tentoonstelling van 1963/64 waren diverse uitgaven van Barbiers en Oomkes te zien, waarbij de meeste van deze bruiklenen afkomstig waren uit Groningse instellingen (het toenmalige Gemeentearchief, Museum der Rijksuniversiteit en het Groninger Museum).

De reizende silhouetmakers die Staring wel noemt zijn afkomstig uit het onderzoek dat Minke A. de Visser, de toenmalige conservator kunstnijverheid van het Groninger Museum, heeft uitgevoerd. Staring maakte er voor zijn inleiding van de silhouettenexpositie in 1963/64 met graagte gebruik van. Zelf raadpleegden we voor onze brochure “Silhouetten, Silhouettisten & Schimmen” het archief van het Groninger Museum en op andere plaatsen in het archief bewaarde gegevens van de Visser om haar oorspronkelijke onderzoek (door Staring genoemd de lijst van De Visser) te achterhalen. Dat is helaas niet gelukt [8]. Maar met Starings verhaal is het dus wel mogelijk haar notities aangaande silhouetactiviteiten in Groningen in beknopte vorm op een rijtje te zetten.

Na de gegraveerde silhouetten van Veltman noemt Staring silhouettisten die hij dus heeft ontleend aan de lijst van De Visser. Te beginnen met R. en L. Muselaar die in 1790 hun silhouetten zittend op een stoel leverden, een bewijs dus voor het gebruik van de silhouetteerstoel. Voorts: Friedrich Ludwig Hauck en Johann Ludwig Hauck, vader en zoon, die in 1792 Groningen aandoen, in 1794 Coenraad Gebhard en in hetzelfde jaar G. Schipper, die profielportretjes in crayon tekende. In 1797 nogmaals Johann Hauck die aan huis woonde bij Veltman. In 1799 wordt Johannes Kimmel uit Zwolle genoemd, die niet alleen silhouetten maakte. Stucadoor Hornmeyer blijkt volgens een advertentie ook silhouetten te maken. In 1805 verschijnt G. J. Geusendam uit Pekela die zich aanbeveelt als tekenmeester en voor het maken van silhouetten, een discipline die hij volgens een Haagse advertentie in 1814 nog beoefent.

In 1820 duikt Richter op die behoort tot het gezelschap “Duitsche Toneellisten” en 1831 beveelt zich aan de kunstknipper Roemelé uit Paterswolde die silhouetten met de schaar knipte. Daarna worden nog genoemd F. G. Stutzky uit Koningsbergen (1850) en de al in dit opstel genoemde Claus Pruter (1852) en Emil Berlholts (1858), die het maken van silhouetten combineerden met verschillende andere technieken. Hoe het met het silhouetteren verder verging beschrijft Staring als volgt:

“Maar de daguerreotype en de foto waren niet de eerste gevaarlijke concurrenten in meer welvarende kringen geweest.; de lithografie voor familie gebruik, soms door goede tekenaars op steen gebracht, was nog heel wat gemakkelijker vermenigvuldigbaar dan de silhouette, en in geheel onbeperkt aantal. Nadat de silhouette ook het portret van de kleine burgerman was geworden, ondanks pogingen om haar door allerlei kleurtjes, ingewikkelde allegorieën of bijzondere technieken interessanter te maken, raakte zij bij de maatschappelijk meer eerzuchtigen in ongenade. Speciaal als dominees-portret, bestemd voor de getrouwsten der kudde, heeft het schaduwportret nog een iconografische nuttige rol gespeeld. Verschillende bekende godgeleerden kent men slechts uit een silhouette, getekend of in gravure gebracht. Geheel uitgestorven is de silhouette toen niet; nog tot voor kort kon men op wereldtentoonstellingen, op kermissen in badplaatsen beroepssilhouettisten ontmoeten, die uit zwart papier naar levend profiel knipten“.

Zoals hierboven aangegeven omvatte “De silhouette in Nederland” verschillende gedrukte werken met een Groningse achtergrond. Dit waren silhouetten gemaakt door Groningse kunstenaars enlof uitgevers [9].

Het ging daarbij om het ontwerp voor een treurprent op het overlijden van Hyleke Gockinga (l723-1793). Het is een geaquarelleerde pentekening gemaakt door Douwe Lofvers junior in 1794. Deze kunstenaar maakte daarvan een prent die hij blijkens een advertentie in de Groninger Courant van 4 februari 1794 zelf uitgaf.

Verder vijftien silhouetten van professoren-academiepredikers en predikanten te Groningen, naar een tekening van W(essel) Lubbers, gegraveerd door C. C. (Carl Christiaan) Fuchs (vermelding van de uitgave van de prent door J. Oomkens in de Groninger Courant van 29 december 1812, op de expositie was een proefdruk uit 1811 van deze prent te zien) en het portret van Herman Muntinghe (1752-1824), hoogleraar theologie aan de Universiteit Groningen, door dezelfde makers Lubbers/Fuchs uit 1812. Eveneens uitgegeven door Oomkes in Groningen.

 

 

 

De catalogus vermeldt voorts het silhouette-portret van H. Muntinghe in de “Almanak der Akademie van Groningen”, uitgebracht door Van SwinderenlOomkes in 1813. Een prent gemaakt door Lubbers/Fuchs. Dit portret is ook los verkrijgbaar geweest.

Ook is een treurprent op het overlijden van Muntinghe uitgegeven. Gemaakt door W. Lubbers/D. Sluyter, uitgebracht door J. Israël junior in 1824.

Tenslotte twee portretten. Het eerste is van J. Oomkes Senior (1746-1832), boekdrukker en uitgever in Groningen uit ca. 1832, maker(s) onbekend;

het tweede is het silhouet van A. Schim van der Loeff (1779-1839), predikant te Groningen. Gemaakt door Lubbers/Fuchs, uitgegeven door Oomkes vóór 1834.

Na deze reeks volgen in de catalogus nog vijf portretten, waaronder eveneens Schim van der Loeff, in steendruk uitgegeven door de wed. Barbiers in Zwolle (op één prent na afkomstig uit Groningse instellingen).

Door Henk van Ark

Noten

Afkorting

Nieuwsbrief: Nieuwsbrief van het Nederlands Museum van Knipkunst en de stichting W. Tj. Lever.

  1. T. Schuitema-Meyer, “Fotografen in het 19e eeuwse Groningen” Groningsche Volksalmanak, 1961, p. 125-152, met name p. 129-131.
  2. Henk Wierts, e.a., Photografieën en Dynastieën: beroepsfotografie in Groningen 1842-1940, Bedum 2000, p. 10-11. Bij deze opvatting plaatst Rooseboom kanttekeningen die het belang van Groningen in dit opzicht verminderen: Hans Rooseboom, De schaduw van de fotograaf Positie en status van een nieuw beroep 1839-1889, Leiden 2008 p. 90-91. Zie verder over Pruter: Rooseboom, op. cit. ,p. 85; Steven Wachlin, Photographers in the Netherlands, Den Haag 2011, dl. 2 (M-Z), p. 462-461.Th. Leijerzapf/R. de Leeuw, Fotografie in Nederland 1839-1920, Den Haag 1978, p.104.
  3. Th. Leijerzapf, Het Fotografisch Museum van Auguste Grégoire, een vroege Nederlandse fotocollectie, ‘s-Gravenhage 1989, p. 186. Zie ook: M. Boom, “Apologie van de fotografie: Prof. H. van de Waals essentiële rol in de vorming van Nederlands eerste publieke foto-collectie in het Prentenkabinet (1953-1972)” en F. Gierstberg, “De collectie Grégoire in: Het Leids Prentenkabinet, de geschiedenis van de verzamelingen, Leids Kunsthistorisch Jaarboek 9 (1994), Baarn/Leiden, p. 323-366.
  4. Aankoop veiling Westerborkcollectie 1988. Zie ook: Henk van Ark, “Silhouetteer”Machines”, Nieuwsbrief 8, nr. 1 (maart 1995), [p. 10-12].
  5. De tekst van deze advertentie is door Westers (directeur van het Groninger Museum) doorgegeven aan Staring (Archief Groninger Museum, 693, 2-9-1963).
  6. Henk van Ark, “Silhouettist ds. Johannes Hoek”, Nieuwsbrief, nr.1 (maart 1995), [p. 17-18]
  7. Zie bijvoorbeeld: E. Neville Jackson, A History and Dictionary of Artists, New York 1981 (2 dr.), plate 63-67.
  8. Henk van Ark, Silhouetten, Silhouettisten & Schimmen, Rasquert 2010. Deze brochure bestaat uit twee artikelen: 1) Silhouet tentoonstellingen in Groningen (1963/64) en Leens (1972), [p.7-21] en 2) Reizende silhouettisten in Nederland, [p.23 -33]. Zie voor Minke de Visser: Yvette Marcus de Groot, Kunsthistorische vrouwen van weleer: de eerste generatie in Nederland vóór 1921, p. 102-104; E. M. Smit/A. T. Schuitema-Meyer, “Minke A.de Visser (1898-1966)”, Groningsche Volksalmanak, 1967, p.14-22.
  9. Verschillende van deze gedrukte portretten zijn ook te zien geweest op de tentoonstelling Uit de Schaduw. 400 jaar kunst aan de RUG (10 april 2014 – 4 januari 2015), cat.nrs. 53-55.